Het nieuwste boek van Fridus Steijlen, senior onderzoeker bij het KITLV en bijzonder hoogleraar Molukse migratie en cultuur aan de VU, voegt een belangrijk hoofdstuk toe aan de studie van ‘Indisch Nederland’. Een Indische skyline geeft een mooi overzicht van de vele organisaties, netwerken en initiatieven die tussen 1980 en 2010 het Indische in de Nederlandse maatschappelijke context vorm en inhoud hebben gegeven. De nadruk ligt hierbij op de tweede en derde generatie. Hoewel ook andere onderzoekers, zoals Wim Willems, Ulbe Bosma, Gert Oostindie, Lizzy van Leeuwen en Pamela Pattynama, uitvoerig over het reilen en zeilen van Indisch Nederland tijdens diezelfde periode hebben geschreven, bleven de Indische organisaties in hun studies wat onderbelicht. Het boek van Steijlen vormt zodoende een nuttige aanvulling op eerder onderzoek. Dit is belangrijk, omdat deze periode samenvalt met de oprichting van het zelfstandige bestuursorgaan Stichting Het Gebaar, waarmee de Nederlandse regering in 2001 een vorm van rechtsherstel leverde aan de slachtoffers van de oorlog in Nederlands-Indië in de jaren veertig van de vorige eeuw.

In acht hoofdstukken besteedt Steijlen uitvoerig aandacht aan de nasleep van de oorlog, het lobbyen voor erkenning, Indische identiteitsvorming, de Indische media, en het herdenken van de slachtoffers. Het boek eindigt met een uiteenzetting van de derde generatie Indische Nederlanders en met een korte schets van de Indische gemeenschap in het hedendaagse Indonesië. Geïnteresseerden mogen zich niet laten afschrikken door de eerste hoofdstukken, waar de lezers geconfronteerd worden met zoveel verschillende organisaties – die naar goede Nederlandse traditie ook allemaal hun eigen afkorting hebben – dat zij tussen de CENSIO, SCI-INN, IPB, NINES, KJBB, SJBK, en RIO-bomen soms het Indische bos niet meer zien. Het boek wordt boeiender vanaf het vierde hoofdstuk, wanneer Steijlen ingaat op de complexe definitie van het begrip Indisch. Hij toont daarin overtuigend aan hoe de discussie over wie of wat nu eigenlijk Indisch is binnen die organisaties telkens weer als een splijtzwam werkte. Terwijl sommige organisaties het Indische heel breed definieerden, met inbegrip van blanke totoks, oorlogsveteranen, Molukkers, Indonesiërs, tot zelfs Javaanse Surinamers toe, wilden andere juist verhinderen dat de Indische identiteit zou verwateren tot een nietszeggend begrip waar, bij wijze van spreken, iedereen die een keertje in Bali op vakantie was geweest aanspraak op kon maken.

Hoewel Steijlen zijn best doet om binnen die vaak emotioneel gevoerde discussie zijn neutraliteit als wetenschapper te bewaren, is het onvermijdelijk dat hij bepaalde organisaties en mensen minder positief beoordeelt dan andere. Vooral het weinig flatterende beeld van Lillian Ducelle, een Nederlandse journaliste en schrijfster, en echtgenote van de Indische voorman Tjallie Robinson, springt daarbij in het oog. Wat Steijlen bijzonder lijkt te storen is Ducelles neiging om na het overlijden van Robinson in naam van haar echtgenoot te spreken. Die scepsis is terecht. Steijlen laat bijvoorbeeld zien dat Ducelle probeerde om in Robinsons naam Euraziatische elementen buiten de Pasar Malam te houden, terwijl Robinson zelf al vroeg in de jaren zestig toenadering had gezocht tot andere mestieze bevolkingsgroepen. Daarmee liep hij, zoals Steijlen aangeeft, ver voor de eigen troepen vooruit.

Ik heb echter wel moeite met Steijlens kwalificatie van het door Robinson geleide tijdschrift Tong Tong in termen van koloniale nostalgie. Die nostalgie was er zonder twijfel, maar tegelijk was Tong Tong een pionier in het streven naar wat wij tegenwoordig ‘diversiteit’ plegen te noemen. Dat Robinson de moed had om de zwart-wit-interpretatie van het koloniale verleden in toenmalige linkse kringen af te wijzen, bevestigt alleen maar hoezeer deze man zijn tijd vooruit was. Bovendien onderschat Steijlen het internationale belang van Tong Tong als een van de eerste tijdschriften ter wereld waarin multiraciale identiteit en wereldburgerschap met trots werden uitgedragen.

In vergelijking met de fascinerende inzichten die Robinson op papier zette, zijn de ideeën die uit organisaties van de derde generatie, zoals NINES, ICC, DarahKetiga, Nasi Idjo en Indisch 3.0 zijn voortgekomen, minder inspirerend. Ook in Indonesië lijken zich binnen de Indische gemeenschap maar weinig nieuwe ideeën te ontwikkelen. Des te meer valt het daarom te betreuren dat Steijlen in zijn laatste hoofdstuk niet dieper ingaat op de definitie van Indische identiteit in het hedendaagse Indonesië, dat wil zeggen Indonesiërs met Portugese, Nederlandse of andere Europese voorouders. Net als de meeste wetenschappers lijkt hij geneigd Indische Indonesiërs als een klein groepje bejaarden te beschouwen, terwijl het land wellicht vele miljoenen Indische inwoners telt, van wie (en door wie) de multiraciale identiteit nooit als zodanig is erkend.

Het is in dit verband jammer dat Steijlen wel aandacht besteedt aan de Indische gemeenschap in Indonesië, maar niet aan de Indische diaspora in landen als Brazilië, Canada, Australië en de Verenigde Staten. Robinson deed dit doelbewust wel en vond er ook inspiratie; bij de Filipijnse gemeenschap in Californië bijvoorbeeld, maar ook bij de Afro-Amerikaanse gemeenschap in de Verenigde Staten. Van hen leerde Robinson dat identiteit niet alleen een kwestie is van huidskleur, geschiedenis, taal, religie of afkomst, maar ook, en vooral, van bewustwording.

Steijlen heeft gelijk als hij in zijn conclusie stelt dat Indië steeds verder in de geschiedenis zal verdwijnen. Tegelijk ligt inzake multiraciale bewustwording een belangrijke taak voor Indisch Nederland weggelegd. Daarvoor zullen nieuwe organisaties nodig zijn, die hopelijk de Indische skyline met nieuwe vormen zullen verrijken.