Het begon zo romantisch. De natte aannemerij ontstond eind negentiende eeuw vanuit de bedrijven van kleine baggeraars en vlechters van zinkstukken, gevestigd langs de rivieren met een concentratie bij de monding van de grote rivieren, met name in Werkendam en Sliedrecht. Vooral die zinkstukken waren zo mooi: enorme matten, met de hand gevlochten van lokaal geoogste takken van wilgen- en elzenbomenplantages die vervolgens afgezonken werden, beladen met stenen en met inachtneming van de stromingen en getijden, precies op de plaatsen waar het nodig was om de rivieroever en -bodem te beschermen tegen erosie. Dit was een oude en uniek Nederlandse specialisatie. En het eindigde zo modern, kapitalistisch en wetenschappelijk-rationeel. De moderne natte aannemers behoren tot de grootste bedrijven van Nederland. Ze zijn in het bezit van gigantische zelfvarende baggermachines van meer dan 130 meter lang, 30 meter breed, een vermogen van 25.000 kilowatt, en allerlei andere monstrueuze vaartuigen. Ze hebben bovendien hun eigen hightech onderzoeksafdelingen, waar ze ook samenwerken met de technische universiteiten.

Grondleggers verhaalt hoe het allemaal zo is gekomen. De casus is de geschiedenis van aannemersbedrijf Van Oordt en de bedrijven die daarin zijn opgegaan. Maar omdat er naast Van Oordt nog maar één ander bedrijf over is in de natte aannemerij (Boskalis), en omdat dit bedrijf en zijn voorgangers als belangrijke tegenspelers in Grondleggers ook de nodige aandacht krijgen, is het boek volgens de auteur ervan eerder een sectorgeschiedenis dan een bedrijfsgeschiedenis. De genealogische stambomen van beide bedrijven die voorin zijn opgenomen, staan symbool voor de reikwijdte van het boek.

Grondleggers heeft een goede opbouw. De hoofdtekst is in chronologisch geordende hoofdstukken ingedeeld, na ieder hoofdstuk volgt een portret van een belangrijke baggerpersoonlijkheid, en het boek bevat vele en zeer diverse, schitterende illustraties. De lezer kan daardoor de narratieve hoofdlijn van het boek op drie manieren tot zich nemen en dat werkt goed.

Dit boek is zeker niet de eerste geschiedenis van de Nederlandse baggeraars. Eerdere studies behandelden bijvoorbeeld de zand- en grindbaggeraars die hogerop in de rivieren werkten, vanuit het perspectief van de contextuele techniekgeschiedenis.1 Ook zijn er voor de periode na de Tweede Wereldoorlog twee boeken over de geschiedenis van Van Oord van binnenuit, geschreven door een van de directeuren.2Grondleggers is echter een wetenschappelijk verantwoorde geschiedenis. Terugkomende onderwerpen betreffen de grote kwesties waarover de directeuren beslissingen moesten nemen: het op peil houden van het materieel (telkens weer schaalvergroting, maar ook het toepassen van uitvindingen, verwetenschappelijking en degelijke scholing voor het personeel toen het materieel erg ingewikkeld werd), het in stand houden van het bedrijf (investeringsbeslissingen, reageren op marktbewegingen, concurrenten bevechten, fusies aangaan), en het uitvoeren van de werken (aanvankelijk alleen baggeren, later ook uiteenlopende constructies in en rondom het water).

Voor lezers die enigszins thuis zijn in de Nederlandse weg- en waterbouw vormen de werken een feest van herkenning. Alle grote projecten vanaf halverwege negentiende eeuw komen langs, waaronder de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, de verbouwing van de mondingen van de grote rivieren, de Afsluitdijk, de uitbreidingen van de Rotterdamse en Amsterdamse havens en de Deltawerken. Vaak treft men deze projecten aan in werken over de geschiedenis van Rijkswaterstaat, vanuit de bestuurlijke-technische kant3 of over landschapsgeschiedenis, met het accent op de landschappelijke wijzigingen.4 Dit boek laat de werken vanuit de bouwkeet en het werkschip zien. En dan is het verrassend dat het perspectief van de aannemer niet landschappelijk of territoriaal en niet regionaal of nationaal is, maar op de werken is gericht: waar is geld te verdienen, kunnen wij de opdracht aan en wat hebben wij ervoor nodig? Wordt er materieel verbouwd, gebouwd of geleased, of moet er een nieuw bedrijf worden gevormd om ontbrekende expertise of materieel te verwerven? Vooral na de Tweede Wereldoorlog gingen natte aannemers met het grootste gemak naar het Midden-Oosten, Zuid-Amerika of Zuidoost-Azië om daar kanalen en havens te graven en eilanden te bouwen. Daar, onder onbekende lokale omstandigheden, kon het gebeuren dat men ineens rots in plaats van zachte grond moest baggeren en dat daarvoor een nieuwe machine nodig was, een ‘cutterzuiger’ met snijtanden.

Kenmerkend voor de geschiedenis van de natte aannemerij blijkt de enorme dynamiek in het overnemen van bedrijven of het stichten van nieuwe bedrijven, waarbij delen van bestaande bedrijven samengaan. De auteur slaagt er wonderwel in de genealogische bomen in het verhaal te verwerken, zonder de draad van het verhaal te verliezen. Slechts in het laatste kwart van het boek dreigt de lezer zich af en toe te verslikken in de vele bedrijfsnamen (230).

Het boek is mooi in balans. De verschillende bedrijfsarchieven vormen de voornaamste bronnen, maar krantenartikelen zijn ook zeer doelmatig gebruikt. Op treffende wijze is telkens weer aangegeven met welke sleutelgebeurtenissen nieuwe ontwikkelingen werden ingezet. Rond 1900 werden de financiële risico’s te groot en verving men de familiebedrijven door bedrijven met een naamloze vennootschapsstructuur met overdraagbare aandelen (114). In de twee decennia nadien werden toenemend verschillende specialisaties in één bedrijf verenigd. Aanleiding daartoe was dan bijvoorbeeld dat het zand, dat bij het graven van de sluizen van Den Oever en IJmuiden vrijkwam, gebruikt werd voor de ophoging van de nieuwe stadswijken in Amsterdam. Zo kwamen de natte en de droge aannemerij bij elkaar (160). Ook zeer grote werken, zoals de Zuiderzeewerken, bevorderden die samenwerking. De oprichting in 1926 van de Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken (MUZ), waarin de vier grootse baggeraannemers samenwerkten, was een mijlpaal.

Toch bekruipt de lezer soms het gevoel dat er naast de verplichte bedrijfshistorische onderwerpen meer over de avontuurlijke kant van de grote werken verteld had kunnen worden, vooral die in het buitenland. Daar had men dan misschien toch wat extra bladzijden voor moeten uittrekken. Een verhaal dat gelukkig wel in het boek is opgenomen, is dat van de nederzettingen die onder meer in Australië gesticht moesten worden om er arbeiders te huisvesten. Op den duur werd daar ook een baggerdominee ingezet, die de buitenlandse vestigingen afreisde onder auspiciën van de Interkerkelijke Commissie voor Geestelijke Verzorging van Werknemers in Baggerbedrijven (205). Een ander interessant verhaal vertelt de wederwaardigheden van de aannemers tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Sommige baggeraannemers kregen de reputatie van ‘bunkerbouwer’, oftewel collaborateur. Volker en de ABM werden voor een van de naoorlogse Bijzondere Rechtbanken gedaagd. Tot hun verrassing, want volgens Korteweg hadden ze een min of meer coöperatieve houding, gericht op de instandhouding van het bedrijf en het behoud van de werkgelegenheid, gecompenseerd door Duitse opdrachten te saboteren. Ook hadden ze Joden geholpen. Toch vonden er spraakmakende arrestaties plaats van bestuursleden en werden er zware straffen uitgedeeld. Men was zelfs bang dat een woedende menigte de aangeklaagden zou lynchen (181). Geen wonder dat deze bedrijven na de oorlog als eerste opdrachten ver van huis verwierven.

Grondleggers is met veel liefde gemaakt. Dit blijkt uit de bloemlezing van literaire fragmenten en gedichten waarmee de tekst gelardeerd is en uit de zorgvuldig gekozen hoofdstuktitels en kopjes, de goed uitgedachte illustratiebijschriften en het creatieve, gedistingeerde ontwerp met rode accenten. Hiermee enigszins in contrast staat de puntsgewijze samenvatting per hoofdstuk, omdat het boek daardoor plotseling op een soort leerboek lijkt. Maar misschien is het dat ook wel voor de opdrachtgevers-aannemers, die voor het eerst een alomvattend geschiedenisboek over hun eigen bedrijven en sector onder ogen krijgen: een trotse, maar wetenschappelijk verantwoorde ‘familiegeschiedenis’ waarin het harde werken, de ambitie en de durf van de voorouders beschreven en gevierd wordt.