Het afgelopen decennium ontwikkelde Merijn Oudenampsen zich tot een stabiele tegendenker in het maatschappelijk debat. Hij laat een stem horen die niet pretendeert politiek neutraal te zijn, maar zich wel onderscheidt met scherpzinnige en originele bijdragen. Bovendien waagt hij zich aan een breed scala aan onderwerpen: politiek, literatuur, filosofie – alles komt voorbij. Met dezelfde gretige belezenheid heeft hij nu een wetenschappelijk boek voltooid: het op zijn proefschrift gebaseerde De conservatieve revolte. Een ideeëngeschiedenis van de Fortuyn-opstand. De centrale these van dit boek laat zich als volgt samenvatten. Wie de politieke ontwikkelingen op de rechterflank van het Nederlandse politieke spectrum vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw louter als een door populisme gedreven verandering in stijl afdoet, sluit de ogen voor de ideologische oorsprong van deze beweging. Door deze ideologische oorsprong te bespreken, geeft Oudenampsen een nieuwe en gepolitiseerde duiding aan het Nederlandse politieke speelveld.

Oudenampsen bespreekt allereerst de traditie om de Nederlandse politiek als weinig ideologisch te zien. Zowel onder wetenschappers – vooral politicologen – alsook onder politici is het bon ton om leerstelligheid als sta-in-de-weg voor serieuze besluitvorming te beschouwen, stelt Oudenampsen. Liever benadrukken politici en politicologen de ‘typisch Nederlandse’ continuïteit en stabiliteit, waardoor ze reëel bestaande ideologische plooien achteloos gladstrijken. Met deze uitspraak betrekt Oudenampsen en passant de boude – maar goed te verdedigen – stelling dat politicologen met hun diepe vertrouwen in electoraal onderzoek de ideeënpolitiek uit het oog verloren zijn. En daarmee verdedigt hij meteen de ideeënhistorische aanpak van zijn boek.

Een voorname gesprekspartner van Oudenampsen is historicus James Kennedy. Kennedy liet zien dat de Nederlandse elite de gewoonte ontwikkelde om ideologische invloeden van buitenaf ‘verend op te vangen’. Dit nuanceert het beeld van Nederland als ideologisch vacuüm; de norm is veeleer dat harde ideologische confrontatie onnodig is, maar dat ideologie an sich daarmee niet afwezig is. Compromis, consensus, aanpassing en accommodatie worden verkozen boven knetterend ideologisch debat. Kennedy analyseerde hoe deze verende houding er in de jaren zestig voor zorgde dat – toen de progressieve beweging zich aandiende – de politieke elite haar hakken niet in het zand zette, maar meebewoog met de protestgeneratie. Zo veranderde Nederland in een betrekkelijk korte tijd van een conservatief in een progressief land.

De these van Kennedy vormt in minstens twee opzichten het decor waartegen het boek van Oudenampsen zich aftekent. Ten eerste vertrekt Oudenampsen waar Kennedy ophield, namelijk in dat op papier gedepolitiseerde, maar in de praktijk overwegend progressieve Nederland van het einde van de jaren zeventig. Ten tweede laat hij net als Kennedy zien hoe een nieuwe ideologische beweging verend werd opgevangen. Deze beweging noemt Oudenampsen ‘nieuw rechts’.

Nieuw rechts is een van oorsprong Angelsaksische ideologische beweging die vanaf het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw vrijemarktpolitiek en cultuurconservatisme propageerde. Deze ideeën zouden van grote invloed blijken op de politieke stroming waarvan Margaret Thatcher en Ronald Reagan de bekendste exponenten werden. In Nederland liep het allemaal net even anders en vooral trager dan in de Angelsaksische wereld. Ten tijde van het eerste kabinet Lubbers werd een voorzichtige basis gelegd voor een nieuw rechts geluid, maar pas toen Lubbers aan het eind van de jaren tachtig met de PvdA ging samenwerken, werd dat goed te horen.

Frits Bolkestein, Hendrik Jan Schoo, Jaffe Vink en andere Nederlandse intellectuelen lieten zich inspireren door denkers als Milton Friedman, Friedrich Hayek en Leo Strauss. Ook de thematiek van Noord-Amerikaanse neoconservatieve intellectuelen – die zich bezighielden met onderwijs, raciale vraagstukken en andere kwesties – raakte in Nederland in zwang. Oudenampsen beweert niet dat deze ideeën rechtstreeks van het Angelsaksische in het Nederlandse discours werden getransplanteerd, maar ziet vooral hoe de Nederlandse rechtse politici deze ideeën geleidelijk aan overnamen.

Nederlandse waarden, zoals een progressieve seksuele moraal, werden daarbij niet afgewezen, maar met een nieuw cultureel conservatief sausje overgoten. Dit mechanisme werd het fraaist duidelijk bij Pim Fortuyn, die dit proces in zeker opzicht ook persoonlijk belichaamde. Zijn progressieve geschiedenis werd aangevuld met rechts conservatisme. Hij stond een synthetisch conservatisme voor waarin Noord-Amerikaanse denkers hun bezwaren tegen de islam van een intellectuele grondslag voorzagen. Van hun conservatieve opvattingen over homorechten en vrouwenrechten nam hij echter afstand.

Toch identificeert Oudenampsen niet Fortuyn, maar Bolkestein als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Nederlandse nieuw rechts. Dat doet hij omdat Bolkestein functioneerde als het centrale doorgeefluik voor veel van deze buitenlandse ideeën. Fortuyn oogstte wat Bolkestein had gezaaid toen laatstgenoemde deze ideeën – zoals die over ‘the clash of civilizations’ van Samuel Huntington – naar de Nederlandse toestand vertaalde. Het moet gezegd: Oudenampsen doet Bolkestein daarmee misschien iets te veel eer toekomen. De coherentie in de intellectuele erfenis van Frits Bolkestein – Bolkestein ploegde zich als hobbyfilosoof kriskras door stapels omgevallen boekenkasten en tekende daar her en der citaten uit op – is in de praktijk moeilijker te vinden dan Oudenampsen doet vermoeden.

Wat de studie van Oudenampsen wel scherp en actueel maakt, is de these dat het verend opvangen van de nieuw rechtse ideeën diep heeft ingewerkt op het Nederlandse politieke landschap. Oudenampsen betoogt dat een groot deel van de nieuw rechtse ideeën door andere, niet noodzakelijk rechtse, politici zijn overgenomen; als het niet expliciet is, dan toch impliciet. Zo meent hij dat de op het eerste gezicht progressieve paarse kabinetten in economisch opzicht vooral een neoliberale koers voeren, en stelt hij dat ook de huidige anti-islamretoriek door een bredere omarming van nieuw rechtse ideeën is aangejaagd.

Een andere kwestie die tot denken aanzet, is de analyse die Oudenampsen geeft van de vermeende ideeënloosheid van de Nederlandse politiek. De traditie waarin politici graag koopman of dominee, maar liever geen denker zijn, analyseert Oudenampsen aan de hand van het werk van diverse auteurs, onder wie Karl Mannheim en enkele door hem beïnvloede theoretici als Martin Lipset en Daniel Bell. Op sommige momenten komt die analyse wat gedateerd over. Een moderne ideeëngeschiedenis wint aan geloofwaardigheid als ook de modernste ideeën over ideeën besproken worden en dat gebeurt in De conservatieve revolte niet systematisch. Mannheim en de meeste denkers die hij inspireerde, bekommerden zich nauwelijks om de concrete manifestatie van ideeën in andere groepen dan die van politieke denkers. Ook Oudenampsen is daar weinig mee bezig.

Maar goed, een boek hoeft ook niet alles te doen en bovendien doet Oudenampsen al bijzonder veel. Doordat hij over de horizon van de politiek heen kijkt – en bijvoorbeeld een prachtig hoofdstuk aan nihilisme en ironie wijdt – is een boeiende these ontstaan waaraan academici, politici, journalisten en opiniemakers hun gedachten kunnen scherpen. De conservatieve revolte leest bovenal als een waarschuwing voor de blinde vlek die Nederlanders hebben voor ideeënpolitiek. In het Nederlandse debat is nieuw rechts nooit gezien voor wat het was, simpelweg omdat Nederlanders niet zijn toegerust voor diepgaande ideologische exegese.

De boeiendste boodschap van dit boek is dat dit laatste niet alleen een historische kwestie is. Deze analyse doet onwillekeurig denken aan het tafereel dat we zagen op de ochtend na de verkiezingen voor de Provinciale Staten in april 2019. Het Forum voor Democratie was de avond ervoor als overwinnaar uit de bus gekomen en partijleider Baudet had diezelfde nacht nog een met symboliek doorspekte overwinningsspeech gegeven. In een radiostudio schoof een gerenommeerde journalist aan om deze zaak van duiding te voorzien. In plaats daarvan begon hij lacherig een Wikipedia-pagina over de Uil van Minerva op te dreunen. Het was de verkeerde pagina – namelijk die over de Griekse mythologie en niet die over Hegel – en hij leek er weinig van begrepen te hebben. De journalist toonde er treffend mee aan dat de symboliek uit de toespraak van Baudet grotendeels aan hem voorbijgegaan was. Maar kennelijk maakte dat niet uit, want hij vertelde er ook bij dat de inhoud van zulke teksten er eigenlijk niet toe deed. We moesten het toch vooral over de stijl en de vorm hebben. Oudenampsen zal zijn gelijk die ochtend wel bevestigd hebben gezien.