Sinds de aanwezigheid van populistische partijen in de Tweede Kamer is zowel in de media als ook in de wetenschap de aandacht voor de parlementaire cultuur sterk toegenomen. Vaak gaat het daarbij om veranderingen in gedrag en taalgebruik, met als bekend voorbeeld de woordenwisseling tussen Geert Wilders (‘Doe eens normaal man’) en premier Mark Rutte (‘Doe lekker zelf normaal, tsongejonge’) uit 2011. Het is ongetwijfeld een juiste constatering dat de Nederlandse parlementaire en politieke cultuur door de opkomst van het populisme ruwer is geworden, maar, zo vraagt Carla Hoetink zich in haar monumentale Macht der gewoonte. Regels en rituelen in de Tweede Kamer na 1945 af, is de breuk van de Fortuyn-revolte van 2002 werkelijk zo groot? Voor een antwoord daarop is het volgens Hoetink weliswaar nog te vroeg, maar die vraag vormde wel de aanleiding voor haar promotieonderzoek naar de ontwikkeling van gedragspatronen, geschreven en ongeschreven regels, uiterlijke vormen, waarden en denkbeelden in de Tweede Kamer, kortom de parlementaire cultuur, sinds 1945. Hoetink heeft op dit terrein al eerder haar sporen verdiend en maakt in deze, op uitvoerig bronnenonderzoek gebaseerde studie duidelijk dat zij als geen ander dit onderzoeksterrein overziet.

Desondanks maakt Hoetink het de lezer niet gemakkelijk om wegwijs te worden in het onderwerp. Deze tekortkoming begint met het ontbreken van een echte inleiding. In de introductie staat Hoetink weliswaar op adequate wijze stil bij het begrip ‘parlementaire cultuur’, maar zij bouwt haar vraagstelling niet op aan de hand van een stand van onderzoek. Ook geeft zij geen toelichting op de onderzoeksmethode of op de opbouw van het boek. Zelfs een nadere specificering van de onderzochte periode ontbreekt. Pas wanneer men op pagina 517 is aangekomen, vindt men een verantwoording van het onderzoek, informatie die men tijdens het lezen graag als leidraad had gehad. Dit temeer omdat bij het lezen herhaaldelijk de vraag rijst waarom het onderzoek nu eens in de vroege, dan weer in de late jaren negentig stopt en op andere plaatsen ook informatie over de jaren na 2002 biedt. Pas aan het eind van het boek licht Hoetink toe dat haar onderzoek min of meer ophoudt rond de inwerkingtreding van het nieuwe Reglement van Orde in 1994. Erg overtuigend is dit onscherpe eindpunt niet, temeer daar de titel van het boek suggereert dat het tot in het zeer recente verleden strekt.

Laat men dit probleem buiten beschouwing en leest men de afzonderlijke delen van het boek, dan vindt men goed geschreven en breed gedocumenteerde hoofdstukken. Zo biedt Hoetink in de proloog een helder overzicht van het herstel van de parlementaire zelfopvatting en werkzaamheden in 1945-1946. Bovendien presenteert zij de terugkeer van de oude parlementaire orde als het resultaat van een breed gedragen verlangen naar institutionele continuïteit en van parlementair zelfbewustzijn tegenover de eerste naoorlogse regering, die sterk de neiging vertoonde veel zaken buiten de Kamer om te regelen. Na deze uitstekende proloog verlaat Hoetink de chronologie en volgen in deel I vier thematische hoofdstukken over de ontwikkeling van het Reglement van Orde, over ‘het geheugen van de Kamer’ (het overdragen en voortbestaan van informele gedragsregels), over de rol van de Kamervoorzitter en ten slotte over parlementaire socialisatie. Stuk voor stuk belangwekkende thema’s, waarbij Hoetink haar brede kennis documenteert en interessante aspecten belicht, zoals de stijlbreuk tussen Tweede Kamervoorzitters Frans-Joseph van Thiel (1963-1972) en Anne Vondeling (1972-1979). Eerstgenoemde hield in een onrustiger wordende politieke cultuur ‘de boel bij elkaar’ en gaf daarbij licht sturend richting aan de modernisering van de parlementaire omgangsvormen, terwijl Vondeling meer de ‘schoolmeester’ was die nadrukkelijk wilde sturen en zo meer een man van het maakbaarheidsdenken van de jaren zeventig was. Hoe lezenswaardig dergelijke passages ook zijn, jammer is dat alleen van deze twee Kamervoorzitters een diepgaande vergelijking wordt gemaakt. Weliswaar schrijft Hoetink ook uitvoerig over Kortenhorst (1948-1963) en, in mindere mate, over Dolman (1979-1989) en Deetman (1989-1996). Maar wat ontbreekt is een doorgaande lijn, waardoor de lezer moeizaam inzicht krijgt in de rolopvatting van achtereenvolgende naoorlogse Kamervoorzitters en hun posities in de veranderende parlementaire cultuur.

Na de thematische hoofdstukken in deel I volgen in deel II drie hoofdstukken waarin de naoorlogse decennia in drie achtereenvolgende fasen chronologisch worden beschreven. Daarbij onderscheidt Hoetink de parlementaire cultuur in tijden van pacificatie (1946-1967), in tijden van polarisatie (1967-1982) en in tijden van nieuwe zakelijkheid (na 1982). Opnieuw worden de ontwikkelingen met veel kennis en oog voor detail beschreven. Van een parlement dat vooral een nationaal saamhorigheidsgevoel uitstraalde in de jaren vijftig (waar de CPN nadrukkelijk buiten viel), via een activistischer optreden in de jaren zestig en zeventig naar weer meer pragmatisme sinds de vroege jaren tachtig. Ongetwijfeld spreken veel argumenten voor deze periodisering, maar het is jammer dat Hoetink voor de eerste naoorlogse fase wel erg getrouw aan Lijpharts theorie van de pacificatiedemocratie vasthoudt. Veelvuldig wijst zij er namelijk op dat na de val van het laatste kabinet Drees in 1958 de parlementaire mores sterk veranderden. Zo krijgt men als lezer terecht de indruk dat veel van de ‘breuk’ van 1967 zich al sinds de late jaren vijftig manifesteerde. Hoe zinvol Lijpharts bespiegelingen ook waren en zijn, Hoetink had genoeg argumenten gehad om Lijpharts ‘cesuur’ van 1967 kritisch ter discussie te stellen.

In haar beschrijvingen van ontwikkelingen die de parlementarie cultuur in de naoorlogse decennia veranderden, is Hoetink daarentegen trefzeker. De opkomst van de televisie in de jaren zestig, de plaatsing van microfoons in de Kamer en de invoering van een financiële schadeloosstelling voor Kamerleden in 1968, waardoor het fulltime-Kamerlidmaatschap kon ontstaan, worden helder beschreven. Oog voor de camera’s en profileringsdruk werden voor Kamerleden tot een tweede natuur, terwijl tegelijk de professionele netwerkpoliticus ontstond: politici met minder historisch gegroeide contacten met maatschappelijke organisaties en zonder een natuurlijke eigen ‘achterban’. Ook levert Hoetink een gedegen overzicht van de ontwikkeling van aantal en functie van Kamervragen en interpellaties in de naoorlogse decennia. Helder beschreven is ook de groeiende betekenis van de zittingen van Kamercommissies, die lange tijd als voorbereiding voor plenaire debatten fungeerden, maar sinds de jaren zeventig en tachtig uitgroeiden tot mini-Kamervergaderingen en vanaf 1980 in beginsel ook openbaar werden. Aldus vertoonden de Kamercommissies meer en meer het karakter van een Redeparlement, waarin net als in de plenaire vergadering profilering en levendig debat centraal kwamen te staan. Hoe diepgaand en duidelijk de door Hoetink geschetste ontwikkeling van de functie van Kamercommissies sinds de jaren vijftig ook is, het is opmerkelijk dat zij dit alles beschrijft in het hoofdstuk over de periode na 1982, waardoor haar indeling in thematische vraagstukken (deel I) en chronologische ontwikkeling (deel II) wordt doorbroken.

Daarmee is ook een algemener kritiekpunt aangesproken: de schrijfster biedt op veel plaatsen uitstekende inzichten, maar de opbouw biedt herhaaldelijk onvoldoende houvast voor een samenhang tussen de vele verschillende aspecten die zij behandelt. Dat geldt ook voor de epiloog: op zichzelf een prachtig verhaal over de totstandkoming van het huidige Tweede Kamergebouw, maar het is meer een afzonderlijk artikel dan een daadwerkelijk onderdeel van een breder betoog. Ook de conclusie kan dit gemis aan een overkoepelende samenhang niet goedmaken.