Ed van Thijn is een geliefd politicus onder parlementaire historici. Dat heeft hij te danken aan zijn openhartigheid, die uniek is binnen de Nederlandse politieke cultuur. Meestal schrijven Nederlandse politici als ze afzwaaien een dun boekje met enige terugblikken, waarin ze zich enigszins diplomatiek op de vlakte houden over personen en gevoelens. Zo niet Ed van Thijn. Sinds zijn beroemd geworden Dagboek van een onderhandelaar, een kroniek van de pijnlijk verlopen formatie van 1977 waarin de Partij van de Arbeid, ondanks een monsterzege, na maanden onderhandelen met het CDA toch naast regeringsdeelname greep, deed hij verslag van zijn wederwaardigheden op ieder cruciaal moment van zijn loopbaan. Zo schreef hij BM over zijn burgemeesterschap van Amsterdam van 1982 tot 1994, en Retour Den Haag over zijn kortstondige ministerschap in 1993-1994 dat door de IRT-affaire (een groot nationaal schandaal rondom opsporingsmethoden in de drugsbestrijding) tot een voortijdig einde kwam.

Willem van Bennekom, een bekende asieladvocaat die zich na zijn pensionering heeft gestort op boeken over PvdA-coryfeeën als Maarten van Traa, beschouwt Van Thijns volgens Haagse mores overmatige openhartigheid als een belangrijk obstakel in diens carrière. In 1997 schreef staatssecretaris Elisabeth Schmitz – not amused over een opinieartikel van Van Thijn over de kwestie-Gümus, een controverse over de dreigende uitzetting van een Turkse kleermaker, vergelijkbaar met die rondom Lili en Howick in 2018 – in een brief aan Van Thijn: ‘P.S. Vind ik deze brief terug in een van je volgende boeken?’ Nadien werd Van Thijn senator, in welke hoedanigheid hij verantwoordelijk was voor het torpederen van de gekozen burgemeester, een kwestie die Van Bennekom helaas verder onbesproken laat. Daarmee sloot Van Thijn een loopbaan af die verliep van medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, via fractievoorzitter in de roerige Amsterdamse gemeenteraad en in de Tweede Kamer, rechterhand van Joop den Uyl tijdens eerder genoemde mislukte formatie, tot burgemeester van Amsterdam. Van het hoger ambt van minister mocht hij twee keer proeven onder een slecht gesternte: eerst tijdens het vechtkabinet van Van Agt in 1981-1982, daarna tijdens Lubbers III.

Bennekom volgt Van Thijns fascinerende loopbaan vanuit een specifieke belangstelling. Hij probeert Van Thijns persoonlijkheid te doorgronden, en het effect dat zijn kampverleden en dat van zijn ouders had op zijn ontwikkeling. In de eerste helft van zijn leven vond Van Thijn het beter om zich niet te veel in het verleden te verdiepen. ‘Een joods kind van nu!’ schreef hij trots aan Jacques Presser na de geboorte van zijn eerste kind. Dat hij zich bewust was van zijn Joodse identiteit mag duidelijk zijn. Van Bennekom noemt een onderzoeksstage die Van Thijn in 1960 volgde aan het aan het Institut d’Etudes Politiques in Parijs een vormende ervaring. Hier maakte Van Thijn zijn politieke held Pierre Mendès France van nabij mee, maar werd hij ook slachtoffer van een antisemitisch incident veroorzaakt door rechtse jongemannen.

Pas in 1993 maakte Van Thjin zijn onderduikverhaal openbaar en pas in 2000 publiceerde hij een indrukwekkend verhaal over zijn zevenentwintig onderduikadressen. Dat hij zijn persoonlijke verleden openbaar maakte, had te maken met zijn engagement tegen racisme in die tijd. Van Bennekom gaat er echter vanuit dat de lezer alle boeken van Van Thijn heeft gelezen en vond het daarom blijkbaar niet nodig dit verhaal nog eens uit de doeken te doen. We moeten het stukje bij beetje uit zijn relaas opmaken. Boeiend is Van Bennekoms verhaal over Van Thijns vader, die na de oorlog zijn vrouw en kind verliet. Van Bennekom stelt vast dat hij een functie bij de Joodse Raad bekleedde, waar diens zoon lang niet van wist. Van Thijn en zijn moeder zaten korte tijd in Westerbork, waar zij om nooit helemaal opgehelderde redenen uit mochten vertrekken. Had zijn vaders functie daarmee te maken?

Doordat hij steeds de nadruk legt op Van Thijns persoonlijke ontwikkeling behandelt Van Bennekom de vele episodes in het politieke leven van Van Thijn vaak te cursorisch. Dit leidt na verloop van tijd tot een frustrerende leeservaring, omdat we toch ook graag willen weten wat Van Thijn voor de Nederlandse geschiedenis heeft betekend, niet alleen hoe die hém heeft getekend. Een van die rollen van betekenis was Van Thijn als toegepast politiek wetenschapper, onder andere bij de Wiardi Beckmanstichting. In het hoofdstuk over Van Thijn als wetenschapper was het boeiend geweest om de impact van diens bij de Amsterdamse politicoloog Hans Daudt opgedane vaardigheden in het kiezersonderzoek op de ontwikkeling van de zogenaamde ‘polarisatiestrategie’ uitgewerkt te zien. Met die strategie hoopte Van Thijn te bewerkstelligen dat het Nederlandse partijpolitieke landschap zich zou opdelen in een progressieve en conservatieve kant, wat zou leiden tot een meer Angelsaksisch, majoritair kiessysteem. Stembusakkoorden tussen partijen die als blok ook een kandidaat-premier moesten nomineren zouden leiden tot meer duidelijkheid voor de kiezers, die zo bevrijd zouden worden uit hun staat van machteloosheid. Van Bennekom laat zien dat Den Uyl die strategie nooit geheel omarmde en dat Van Thijn gaandeweg besefte dat polarisatie niet goed in de Nederlandse politieke en electorale verhoudingen paste. Hij dacht te veel als een rationele politicoloog, terwijl de meeste mensen zich niet in een links of rechts kamp wilden laten indelen. Zoals velen onderschatte Van Thijn de kracht van Van Agts dictum dat het CDA geen van beide kanten op zou buigen. Polderen is noodzakelijk gebleven en net zomin als D66 erin slaagde het bestel te laten ontploffen, kon Van Thijns polarisatie de helderheid niet naderbij brengen. Van Bennekom concludeert snedig dat de kiezer daardoor nog steeds verkeert in ‘een soort gokhal’.

De consequentie van voornoemde misvattingen kwam pijnlijk naar voren bij de formatie van 1977. Van Bennekom doet ook hier niet de moeite om de context grondig uit de doeken te doen, maar het hoofdstuk ‘Ed en Joop’, waarin hij de intensieve samenwerking tussen Den Uyl en Van Thijn in die formatie behandelt, is toch fascinerend. Die formatie liep spaak, onder andere vanwege de ‘triomfalistische euforie’ die over Van Thijn kwam na de verkiezingszege. De stringente eisen die de PvdA stelde, onder andere dat een wetsontwerp over de abortuskwestie niet zou mogen worden geblokkeerd, maakten het gesternte voor een mogelijke regering met de christendemocraten al van tevoren slecht. De abortuseis was feitelijk een motie van wantrouwen tegen Van Agt. Toch was de verbazing groot dat Van Agt een meerderheidscoalitie met de VVD smeedde, wat Van Thijn altijd als bedrog is blijven zien. Dit formatiedebacle, dat de PvdA tot de oppositie veroordeelde, heeft generaties politici ervan weerhouden met opgevoerde eisen en een mening over de personele bezetting van de beoogde partner een formatie in te gaan.

In persoonlijke relaties is Van Thijn altijd gevoelig geweest voor loyaliteit en verraad. Ten opzichte van Van Agt beschouwt Van Bennekom deze emoties als gedeeltelijk het gevolg van naïviteit over de hardheid van het politieke spel. Ten opzichte van Den Uyl lag het complexer. Van Thijn verlangde naar een warme verstandhouding met Den Uyl, maar voor Den Uyl bleef hun verhouding altijd louter professioneel. De subtiliteit van die verhouding legt Van Bennekom goed bloot. Joop was Eds politieke held, maar Van Thijns Dagboek van een onderhandelaar was ook een vorm van bevrijding, aangezien Den Uyl daarin wordt beschreven als ‘nukkig, eigenwijs en soms wereldvreemd’. Het einde van de samenwerking kwam in 1981, toen Den Uyl accepteerde dat Van Agt weer premier werd. Voor Van Thijn druiste dit in tegen al zijn politieke principes. Toen ook Wim Kok hem in 1994 aan de kant zette, voelde Van Thijn zich wederom verraden.

In 1982 had hij na zijn afscheid van Den Uyl de steven gewend naar Amsterdam. Wat dit betreft wordt in de biografie slechts een aantal zaken aangestipt, waaronder Van Thijns poging om met behulp van het zakenleven Amsterdam, dat in de greep was van criminaliteit en zijn aantrekkingskracht kwijt was, weer op de rails te krijgen, en Van Thijns banden met commissaris van politie Eric Nordholt. Meer context was ook hier prettig geweest. Onduidelijk blijft hoe Van Thijn Amsterdam bij zijn aantreden als burgemeester aantrof. En hoe ging hij om met de drugsproblemen in Amsterdam? Je kunt stellen dat het moderne dynamische Amsterdam met zijn Zuidas en dynamiek niet mogelijk was geweest zonder Van Thijn. Van Bennekom concentreert zich ook hier op Van Thijns persoonlijkheid en poneert dat hij als burgemeester en dankzij de vele ontmoetingen met de groten der aarde het contact met de concrete werkelijkheid enigszins kwijtraakte.

In Nederland bestaat de onterechte neiging om wanneer er een biografie over een politicus is verschenen, die persoon als afgevinkt te beschouwen. Dit geldt al helemaal niet voor Van Bennekoms biografie van Ed van Thijn. Dit boek is een goede aanzet tot een politieke biografie, maar blijft te impressionistisch. Het maakt vooral indruk vanwege de analyse van de persoonlijke ontwikkeling van het oorlogskind Van Thijn. Die laten wel weer zien wat voor prachtige bron van Thijns archief in het IISG is voor toekomstige historici, die bovendien hun voordeel kunnen doen met de vaak scherpe observaties van Van Bennekom.