Hoewel de Jodenvervolging in bezet Nederland al jarenlang volop in de wetenschappelijke belangstelling staat, is 2017 een uitzonderlijk rijk jaar geweest voor de Nederlandse Holocaust-historiografie. In dat jaar, precies twee decennia na de uitgave van Victims and Survivors van de Britse onderzoeker Bob Moore, publiceerden ook twee niet-Nederlandse onderzoekers hun studies over de Jodenvervolging in Nederland: de Israëlische historicus Pinchas Bar-Efrat en zijn Duitse collega Katja Happe. Buitenlandse onderzoekers die zich bezighouden met dit hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis vormen een zeldzame diersoort, want de studie van de Jodenvervolging hier te lande is hoofdzakelijk het domein van Nederlandse onderzoekers. Het ligt voor de hand te denken dat die karige belangstelling uit het buitenland samenhangt met een taalbarrière. Voor het onderzoek is immers behalve kennis van het Duits, ook kennis van het Nederlands nodig.

Een tweede reden zou kunnen zijn dat Nederland niet bepaald het zwaartepunt is van het huidige internationale Holocaust-onderzoek. Dit was misschien anders in de jaren zeventig en tachtig, toen er vooral veel aandacht was voor de collaborerende elites in West-Europese samenlevingen. Sinds de val van de muur en de opening van Oost-Europese archieven is de blik echter hoofdzakelijk gericht op Oost-Europa. En niet geheel onterecht, want hier woonden voor de komst van de Duitse troepen de meeste Joden – alleen in Polen al ruim drie miljoen – en hier lagen in de Tweede Wereldoorlog de killing fields van de Nazis, de vernietigingskampen in Polen en de executieplaatsen van de Holocaust by bullets in de veroverde delen van de Sovjet-Unie, die de Duitsers hun bezette oostgebieden noemden. Was dit deel van het continent het epicentrum van de Holocaust, dan was West-Europa slechts de periferie. Grotere onderzoeksprojecten van internationale onderzoekscentra, zoals het Jack, Joseph and Morton Mandel Centre for Advanced Holocaust Studies van het United States Holocaust Memorial Museum in Washington en het International Institute for Holocaust Research van Yad Vashem in Jeruzalem, richten zich op deze regio’s: Polen en de voormalige Sovjet-Unie.

Met de studies van Bar-Efrat en Happe zijn er nu dan ineens twee nieuwe boeken over Nederland voor een internationaal publiek, geschreven door buitenlandse onderzoekers die de Nederlandse taal machtig zijn: de studie van Bar-Efrat is in het Engels, die van Happe in het Duits. Van de twee werken is dat van Happe completer, maar ook traditioneler en misschien ook wel een tikkeltje braver dan dat van Bar-Efrat. Happe volgt het stramien van de meeste andere overzichtswerken, waarin de Duitse vervolgingspolitiek de rode draad vormt. ‘Gewone’ Nederlanders, slachtoffers en omstanders, komen wel aan het woord, maar hun verhalen dienen vooral ter illustratie en zijn zelden zelf het voorwerp van analyse. Thema’s als Joodse zelfredzaamheid en onvolgzaamheid, relaties tussen Joden en niet-Joden in de netwerken van hulp en bijstand en de lotgevallen van Joden in onderduik of kamp komen amper aan bod. Bovendien is Happes introductie van deze ooggetuigen nogal summier, zodat het niet altijd even duidelijk is waarom zij nu juist voor deze en gene heeft gekozen en wat die mensen in haar ogen representatief dan wel ‘gewoon’ maakt. Twee Joodse ooggetuigen die Happe veelvuldig citeert zijn Gertrude van Tijn en Joop Voet. De eerste was al voor de oorlog een spil in de hulpverlening aan Duits-Joodse vluchtelingen. Tijdens de bezetting werkte ze als hoofd van de emigratie-afdeling van de Joodse Raad. Maar was Van Tijn, die al zolang betrokken was bij de hulp aan slachtoffers van de Nazi-vervolging, eigenlijk wel gewoon? Dezelfde vraag kan worden gesteld met betrekking tot Joop Voet. Hoewel Happe hem aan haar lezers voorstelt als simpelweg ‘de boekhouder’ (73), was Voet de zoon van de vooroorlogse voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond en zelf evengoed een bekende in Amsterdamse socialistische (en later ook zionistische) kringen. Na de oorlog leidde Voet de Nederlandse afdeling van de American Joint en was hij in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de verdeling van de gelden van deze Amerikaans-Joodse hulporganisatie.

Daarmee is niet gezegd dat Viele falsche Hoffnungen geen goed boek is. Het is, integendeel, het beste wat wij op dit moment hebben, een prachtige synthese van inzichten in deze dramatische episode. Vooral het hoofdstuk over de jaren dertig is kraakhelder. Happe geeft daarin vooral aandacht aan de grote groep Duits-Joodse vluchtelingen en laat zien hoe die vaak geheel eigen eilandjes binnen de Joodse gemeenschap van Nederland en daarbuiten vormde.

Happes grootste verdienste is de integratie van ‘de buitenwacht’ in het verhaal van de Jodenvervolging in Nederland. Ze besteedt aandacht aan de Nederlandse regering in ballingschap en de regeringen van de Geallieerden, maar ook en vooral aan de vele Joodse hulporganisaties, zoals de Jewish Agency en de American Joint. In nagenoeg elk hoofdstuk komen deze organisaties aan bod en worden de overwegingen besproken die deze organisaties maakten om de steeds meer in de verdrukking rakende Nederlandse Joden al dan niet te helpen. In de epiloog stelt Happe tegenover (of naast) het reeds bekende narratief van de achterblijvende hulp van officiële instanties in het buitenland een origineel ander narratief – dat van de onvermoeibare pogingen van Joodse organisaties om Joden uit Nederland weg te halen.

De epiloog is de enige plaats waar Happe de ik-vorm kiest en een eigen mening laat horen. De rest van de studie is een schoolvoorbeeld van wetenschappelijke distantie. Happe wordt nergens polemisch en houdt zich verre van de debatten die de laatste jaren onder Nederlandse academici hebben gewoed. In wat Evelien Gans bestempelde als de Nederlandse Historikerstreit neemt Happe geen positie in. Waarschijnlijk is dat heel verstandig, maar de aansluiting bij de huidige Nederlandse historiografie blijft zo wel erg impliciet.

In dat opzicht is Denunciation and Rescue van Bar-Efrat een volkomen ander verhaal. De in 1931 in Arnhem geboren Israëlische historicus begint zijn boek met een uitgebreid hoofdstuk over de recente historiografie. Uiteraard komt daarbij ook Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust ter sprake, het bejubelde en verguisde boek van Bart van der Boom over de vraag wat ‘gewone’ Nederlanders wisten van wat Joden te wachten stond na deportatie. Daarbij is het opvallend dat de auteur niet ingaat op de heftige discussie die zich na de publicatie van dit boek in 2012 ontspon tussen Van der Boom en Gans, maar zich concentreert op het meningsverschil tussen Van der Boom en Ies Vuijsje, die zes jaar eerder in Tegen beter weten in tot diametraal tegenovergestelde conclusies over de kennis van gaskamers was gekomen. Niettemin heeft Bar-Efrat nagenoeg dezelfde bedenkingen als Gans tegen Van der Booms methodologie, diens lijn van argumentatie en diens conceptuele precisie (43-49).

In dit deel, maar ook elders in het boek mengt Bar-Efrat zich expliciet in historiografische discussies en geeft hij onomwonden zijn eigen mening weer. Die is niet altijd even stevig onderbouwd. Bar-Efrats indruk dat Joden ondanks de gelijkberechtiging altijd vreemdelingen in de Nederlandse samenleving waren gebleven – ‘a foreign implant’ in de woorden van Bar-Efrat – blijft niet meer dan een indruk, want de auteur levert weinig materiaal om deze veronderstelling hard te maken. ‘Latent’ of ‘veiled’ antisemitisme was volgens hem indertijd wijdverspreid in Nederland, maar hij legt niet uit wat dat latente of bedekte antisemitisme precies was en hoe dat zich uitte en onderscheidde van andere vormen van antisemitisme. Op deze aanname stapelt Bar-Efrat een verstrekkende suggestie, namelijk dat Nederlandse bestuurders in bezet Nederland en in Londen misschien wel zo bijster weinig deden voor hun vervolgde Joodse onderdanen, omdat zij Joden beschouwden als vreemden (111).

Ook de opzet van het boek van Bar-Efrat is anders dan die van Happe. Denunciation and Rescue is niet een chronologisch, maar een thematisch geordend boek, waarin verschillende aspecten van de Jodenvervolging in Nederland worden aangesneden. Zo bevat het boek een hoofdstuk over het Duitse vervolgingsapparaat, over de Nederlandse politie, over de Jodenjagers van de Colonne Henneicke en over de naoorlogse berechting van collaborateurs. Een slothoofdstuk is gewijd aan reddingswerk en verzet. Het vierde hoofdstuk is het sleutelhoofdstuk, omdat Bar-Efrat daarin het fenomeen denunciation behandelt. Dit is het sterkste deel van zijn studie. Op basis van een indrukwekkend groot aantal naoorlogse strafdossiers legt hij het verraad en het geklik door ‘gewone’ Nederlanders in oorlogstijd in alle omvang bloot. Met een keur aan voorbeelden maakt Bar-Efrat duidelijk, dat niet zozeer ideologische bevlogenheid, maar hebzucht en financieel gewin voor veel verraders en klikkers de belangrijkste drijfveer waren. Joden werden bedrogen en afgeperst, en na betaling van grote sommen geld dikwijls uitgeleverd aan de politie.

Uitvoerig staat Bar-Efrat ook stil bij de gevolgen van deze wandaden voor de Joodse slachtoffers. Waar het maar enigszins mogelijk was, heeft hij de verhalen van de lotgevallen van die slachtoffers na het verraad in het boek opgenomen. Dit zijn stuk voor stuk schrijnende verhalen. In een van de geschiedenissen die Bar-Efrat weergeeft, wordt het verraad besproken van de Joodse slager Hartog Content door zijn niet-Joodse collega. Laatstgenoemde was er als de kippen bij toen Content zijn zaak moest sluiten en nam voor een spotprijs Contents slagerij over. Uit angst dat familieleden van Content later de slagerij zouden komen opeisen, zorgde hij er ook voor dat die in de handen van de Duitse politie vielen. Allen werden omgebracht. Ook Hartog, zijn vrouw en hun kinderen overleefden de oorlog niet. Het zijn deze persoonlijke geschiedenissen die het boek zijn meerwaarde geven.

Met de verschijning van studies van Bar-Efrat en Happe is er een belangrijke stap gezet op weg naar aansluiting van de nationale Holocaust-geschiedschrijving bij de internationale Holocaust-historiografie. Daar is de focus steeds meer geschoven naar de ontwikkeling en complexiteit van verhoudingen tussen ‘gewone’ Joodse en niet-Joodse burgers in door de Duitsers bezet gebied. In zekere zin gaf de Pools-Amerikaanse Jan Gross met de publicatie van Neighbors in 2000 daarvoor het startschot. In deze huiveringwekkende microstudie van het Poolse dorpje Jedwabne, waar de niet-Joodse Poolse bevolking haar Joodse medeburgers eigenhandig afslachtte, laat Gross goed zien dat er in de genocide allerlei lokale processen en dynamieken meespeelden en doorwerkten. Het recent verschenen boek Anatomy of a Genocide van Gross’ collega Omer Bartov bevestigt het belang van close-up studies voor ons begrip van de Holocaust als een moordproces dat weliswaar in Berlijn geregisseerd en geïnitieerd werd, maar dat sterk werd beïnvloed door de interacties en acties van lokale, Joodse en niet-Joodse actoren. In overzichtswerken als de studies van Bar-Efrat en Happe krijgt het verhaal van de Holocaust niet die huiveringwekkende intimiteit . Maar wat niet is, kan nog komen.