Herman Gorter, Henriëtte Roland Holst, Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, J.H. Leopold en Carry van Bruggen: het werk van deze, maar ook andere schrijvers uit de periode tussen 1890 en 1918 besprak ik de afgelopen jaren in onderwijs en onderzoek. Eén auteur zat er niet tussen: Johan Andreas dèr Mouw, van wie ik wel een paar sonnetten kende, maar die verder wat mij betreft in de schaduw van zijn bekendere tijdgenoten bleef. Alleen in wervelende wereld, Lucien Custers’ Dèr Mouw-biografie, laat zien dat het onterecht was deze dichter onderbelicht te laten. In het werk van Dèr Mouw is een problematiek zichtbaar die ook speelt in dat van tijdgenoten als Van Deyssel en Van Bruggen: de spanning tussen ik en wereld. Net als vele andere intellectuelen destijds dacht Dèr Mouw veel na over de plaats van de mens in het universum, vooral nu geloofszekerheden waren weggevallen. Hij bood in zijn poëzie uit de jaren 1910 een intrigerende oplossing voor de existentiële crisis die hij ervoer: hij wendde zich tot de Indiase filosofie.

Vanzelfsprekend is het niet, een monografie over Dèr Mouw anno 2018. Het hoogtepunt van het wetenschappelijke debat over deze auteur lag tussen 1971 en 1986, toen onder meer Marcel F. Fresco, Antonia M. Cram-Magré, Jaap Meijer en Hans van den Bergh intensief over Dèr Mouw en diens werk publiceerden. In de eenentwintigste eeuw werd er weliswaar een Dèr Mouwgenootschap opgericht, maar studies over hem zijn intussen schaars geworden. Ik denk dan ook dat ik (geboortejaar 1985) niet de enige jongere neerlandicus ben die weinig vertrouwd is met zijn oeuvre. Wie Dèr Mouw voor een jonger publiek wil ontsluiten, moet wat meer zijn best doen dan wie een nog steeds veelgelezen auteur als onderwerp heeft. Je zou dus verwachten dat Custers in zijn boek een aanpak zou kiezen die ook in andere recente schrijversbiografieën succesvol werd toegepast (René van Stipriaan over Bredero, Marita Mathijsen over Jacob van Lennep): het vertellen van een enthousiasmerend verhaal. Daarmee kunnen nieuwe generaties voor het vergeten werk van een auteur gewonnen worden en, misschien nog belangrijker, zo kan de auteur in kwestie en het werk als aanleiding dienen om een brede cultuurhistorische blik op een tijdvak te werpen.

Custers blijft echter verre van de losse toets van Van Stipriaan en Mathijsen. Bij hem geen panoramische blik over het fin de siècle, weinig cliffhangers en zelfs weinig anekdotes. Hij koos ervoor zich te concentreren op wat hij weet over dit ene leven – waarbij hij te maken had met beperkt of onbetrouwbaar bronmateriaal. Vooral de eerste helft van Alleen in wervelende wereld leest daardoor wat stroef. Wetenschappelijk gezien is het correct dat Custers vaak schrijft ‘Er is maar weinig bekend over x’, ‘y is niet meer te achterhalen’ en ‘z valt niet met zekerheid te beantwoorden’, maar dit soort meta-opmerkingen halen de lezer wel telkens uit het verhaal. Eigenaardig is daarnaast dat Custers erop lijkt te rekenen dat zijn lezers al heel wat over Dèr Mouws leven weten. In het eerste deel van zijn biografie verwijst Custers regelmatig terloops vooruit naar ‘het Doetinchemse schandaal’ van 1904 dat een cesuur in Dèr Mouws leven zou hebben veroorzaakt. Liefhebbers zullen deze gebeurtenis onmiddellijk herkennen, maar voor niet-ingewijden blijft het 150 bladzijden lang raadselen waarover Custers het precies heeft.

Halverwege de studie worden de bredere cultuurhistorische vraagstukken die Custers met deze biografie wil aansnijden zichtbaar. In de eerste helft van de biografie schetst hij het middenklassenmilieu waarin Johan Andreas dèr Mouw in de tweede helft van de negentiende eeuw opgroeide. Het boeiendst zijn hier de passages over het lager, middelbaar en hoger onderwijs van die tijd. Hierin gaat het over de mogelijkheid die Dèr Mouws moeder Anna Elisabetha had om een eigen lagere school op te richten, de vernieuwingen in het gymnasiaal onderwijs en het studieklimaat en het curriculum van de Leidse universiteit. Johan Andreas werd docent na zijn studie klassieke talen en kreeg zo te maken met de problemen waarmee het middelbaar onderwijs in die tijd kampte. Docenten gaven – een publiek geheim – hun zwakkere leerlingen inzage in examenantwoorden of namen hun dezelfde herkansingstoets af als de oorspronkelijke toets. Dit deden ze uiteraard vooral bij leerlingen die ze om een of andere reden graag mochten. Zo’n fraudezaak was een van de aanleidingen voor een hoogoplopende ruzie tussen Dèr Mouw en Karel Schwartz, de rector van de school in Doetichem waar Dèr Mouw werkte. Maar er speelde meer. Zo was de school financieel en beleidsmatig afhankelijk van de volgens Custers ‘omstreden’ predikant Jan van Dijk Melleszoon, die weinig op had met de onconventionele denker Dèr Mouw. Custers’ nuchtere toon werkt goed wanneer hij de problemen in het onderwijs uiteenzet, waarbij hij duidelijk maakt dat Dèr Mouw ook niet vrij te pleiten is, omdat ook hij fraude met examens pleegde. Dat Dèr Mouw tweemaal een mislukte zelfmoordpoging deed nadat het conflict tussen Dèr Mouw en Schwarz compleet uit de hand gelopen was, wordt door Custers al even ingehouden en zakelijk verteld en maakt juist daardoor indruk.

In het conflict uit 1904 speelde nog iets mee: de verliefdheid die Dèr Mouw koesterde voor Max Schwartz, de jonge zoon van de rector. Dit was niet de enige homoseksuele verliefdheid op een zeer jonge man in Dèr Mouws leven. Rond 1912-1913 had Dèr Mouw een stormachtige affaire met Victor J. van Vriesland. De tekenen zijn ernaar dat Dèr Mouw in elk geval in het tweede geval de onwilligheid van de aanbedene niet goed aanvoelde en bleef aandringen. Dit was niet onproblematisch gezien de machtsverhouding waarin hij zich tot beide jongemannen verhield. Maar ook in dit geval blijft Custers’ morele oordeel uit. Hij verklaart Dèr Mouws liefde voor jongere mannen als het logische gevolg van een ‘op Plato geïnspireerde pedagogische basis: de liefde van de leermeester zou de leerling voorbereiden op zijn taak in wereld’. Het is begrijpelijk dat Custers geen moreel oordeel wil vellen over de gebiografeerde, maar toch voelt dit gebrek aan kritische distantie als een wat ongelukkige keuze.

In de tweede helft van de biografie krijgen we, onder meer aan de hand van deze turbulente liefdesgeschiedenissen, geleidelijk inzicht in de complexe man die Dèr Mouw moet zijn geweest. Custers verbindt de crisissen die Dèr Mouw in levensbeschouwelijke zin doormaakte op overtuigende wijze met de ontwikkeling van diens werk. Nadat Dèr Mouws filosofische carrière op een dood spoor was beland en hij niet veel verder kwam met zijn studie van westerse denkers als Von Hartmann en Schopenhauer, richtte hij zich op Indiase filosofische teksten als de Oepanishads, die al langer zijn interesse genoten. Het ‘monistische’ idee dat het goddelijke – Brahman – in alles is, zowel in deel als ook in het geheel, in het individu zowel als in de wereld, vormde een oplossing voor een probleem waardoor Dèr Mouw werd verscheurd: zijn onvermogen het individu een plek in de wereld te geven nu hij het christelijk geloof vaarwel had gezegd. Hij kreeg ook het gevoel dat hij die nieuwe overtuiging niet langer kon uitdrukken in de filosofische redeneringen die hij gewend was te gebruiken. Het gevolg was dat hij in de laatste jaren van zijn leven in een hoog tempo een poëtisch oeuvre schreef waarin hij ruim baan gaf aan het paradoxale en het voortdurend samengaan van hoog en laag, deel en geheel.

Met die poëzie trok hij de aandacht van Frederik van Eeden, die met vergelijkbare levensbeschouwelijke problemen worstelde en diep onder de indruk raakte van Dèr Mouws gedichten. Dèr Mouw, wiens gezondheid in deze tijd snel achteruit ging, slaagde er kort voor zijn dood nog in de gedichten die hij tussen 1912 en 1919 had geschreven klaar te maken voor publicatie. In de decennia na zijn vroege dood verwierven die een cultstatus. Dèr Mouw zou nooit een dichter voor het grote publiek worden, maar wel altijd een kleine, fanatieke schare fans houden. Ondanks die bekendheid en ondanks het gegeven dat meerdere auteurs een poging tot een biografie ondernamen (Izak Prins, Antonia Cram-Magré, Victor van Vriesland) duurde het een eeuw voordat er daadwerkelijk een volledige biografie beschikbaar kwam. Hopelijk slaagt Alleen in wervelende wereld erin een nieuwe groep lezers te laten kennismaken met het intrigerende leven en oeuvre van J.A. dèr Mouw.