Onze Lieve Heer heeft als bekend heel wat curieuze kostgangers, maar binnen Zijn gewijde muren vormden kerkmusici ongetwijfeld een cultureel-antropologische buitencategorie. De vakvereniging die zij hardnekkig in stand wisten te houden, verdiende dan ook zeker een afzonderlijke geschiedschrijving. Deze opdracht is door muziekwetenschapster Petra van Langen ambitieus en consciëntieus aangepakt. Dit werk is dan ook veel méér geworden dan een plichtmatig jubileumboek, zoals misschien mocht worden verwacht aangaande deze toch betrekkelijk marginale organisatie. Dit is des te bevredigender daar professionele geschiedschrijving van Nederlandse vakorganisaties in de uitvoerende kunsten nog steeds schaars is. De Katholieke Dirigenten en Organisten Vereniging (KDOV) representeerde inderdaad een wel heel specifieke beroepsgroep binnen het confessionele muziekleven. Maar haar sociale en artistiek-inhoudelijke wederwaardigheden kunnen zeker als exemplarisch worden beschouwd voor vele nog onbeschreven groupuscules musicales et théatrales, zoals die zich in de twintigste eeuw hebben genesteld in het laaglandse organisatiestruweel.

Met haar gedetailleerde rapportage omtrent de KDOV als pionierende lekenorganisatie binnen de kerkelijke infrastructuur geeft Van Langen verdere uitwerking aan aspecten die zij in breder verband heeft behandeld in haar dissertatie uit 2014, Muziek en religie. Daarin analyseerde zij in algemener zin de relatie tussen katholieke musici en de confessionalisering van het muziekleven sinds het herstel van de Nederlandse kerkprovincie in 1850 en tijdens de langdurige verzuiling gedurende de twintigste eeuw. Confessionalisering is in haar ogen het ‘proces van identiteitsvorming waarin confessie een belangrijke rol speelt, waarbij het dagelijks leven helemaal doordrongen raakt van de geloofsovertuiging’ (17).

Tot de wederzijdse doordringing van geloof en alledaags bestaan behoorde ook de kerkmuzikale praktijk en haar evolutie, vooral sinds het motu proprio van paus Pius IX in 1903. Diens kerkelijk-orthodoxe wetgeving betrof strenge aanwijzingen omtrent de inhoud en esthetica van het toegestane repertoire, met grote nadruk op het gregoriaans en de zestiende-eeuwse polyfonie. Het laat zich denken dat dit aanhalen der klerikale teugels langs de weg van muzikale censuur destijds grote gevolgen had voor zowel het vaderlandse componeren alsook de kerkelijke uitvoeringspraktijk. Als deel van het emancipatoire confessionaliserings- en bredere verzuilingsproces is het ongetwijfeld van belang om de totstandkoming in het begin van de twintigste eeuw te bezien van specifiek katholieke organisaties van culturele intermediairs, in dit geval binnen het muzikale bedrijf.

Schuchtere emancipatie van een zo kleine beroepsgroep op grond van professionele collegialiteit en organisatie op basis van muziek-inhoudelijke verwantschap en gevoelde noodzaak van belangenbehartiging. Dit zijn met terugwerkende kracht slagwoorden gehecht aan de vereniging die r.k.-organisten en koordirigenten tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog bijeenbracht. Gedurende een groot deel van de eeuw stonden daarbij enerzijds vertrouwde aangelegenheden als tarifering, salariëring en sociale ondersteuning centraal. De klachten over onderbetaling door pastoors en kerkbesturen waren legio, terwijl de werkdruk vaak aanzienlijk bleek. De verhouding tussen professioneel verantwoordelijkheidsgevoel en magere honorering was dus op zijn minst problematisch. Anderzijds manifesteerde zich bijna continu beduchtheid voor ondergraving van de tonale vakbeoefening door goedkope amateurs en ondergekwalificeerden, wat zich uitte in de inrichting van eigen examenparcoursen als vehikels van beroepsbescherming.

Van Langen besteedt uitgebreid aandacht aan alle mogelijke activiteiten van een zo bescheiden vakvereniging van doorgaans slechts enkele honderden leden en aan het meerdere of mindere succes ervan, alles onder de zware noemers van ‘solidariteit’ en ‘verheffing’. De kwaliteiten van zelfs gezichtsbepalende bestuurders komen daarbij niet erg uit de verf en ook de rollen van vrouwelijke vakgenoten blijven helaas nagenoeg onbelicht. Daar staan koele maar fraaie beschrijvingen tegenover van – als te doen gebruikelijk – ondank en onmin, personele zwakten en financieel onvermogen, bureaucratische strubbelingen en vrome vertragingstactieken (met name van sommige bisschoppen). De gecompliceerde afhankelijkheidsrelaties die dirigenten en organisten doorheen decennia onderhielden met zowel de lokale als de bisschoppelijke clerus komen in dat verband frequent aan de orde. Alleen al in dit opzicht vormde de KDOV inderdaad een curieuze en ‘oneigenlijke’ kostganger binnen het Nederlandse vakverenigingswezen, al was zij daarin stellig niet uniek.

Solidariteit en verheffing, de centrale typeringen die Van Langen hanteert, vormen in associatie met de onderdanige koorknaap en het clerus-afhankelijke genootschap dat de KDOV ongetwijfeld was gedurende een groot deel van haar ondermaans bestaan, in descriptief opzicht toch wel heel zwaarwichtige accenten. In kwalitatief opzicht heeft de vereniging echter zeker haar bijdrage geleverd middels opleiding van en verhoging van zelfbewustzijn bij beoefenaren van de katholieke koorzangkunst, al werd die na het Tweede Vaticaans Concilie alras ingehaald door beatmis en zang in de volkstaal. En voor wat betreft de solidariteit zij toegegeven: deze manifesteerde zich vooral voor zover het onvermoeibare bemoeienis betrof van achtereenvolgende bestuurders om de materiële belangen van collega’s met klem te bepleiten bij de feitelijke werkgevers en hun vertegenwoordigers, te weten dorpspastoors, zuinige parochiebesturen of bisschoppelijke vicarissen.

Toch doemt de vraag op of beide kernbegrippen – solidariteit en verheffing – bij uitstek toepasbaar zijn op juist deze kleine speler op de markt van orgelkunst, koorzang en kerkelijke liturgie. De verheffingsdoelstelling werd immers om het even gefnuikt door aartsbisschoppelijk en bisschoppelijk ingrijpen, pastoraal onbegrip, een trainerende overlegcultuur of het conciliair verval. Dit terwijl van wezenlijke solidariteit vaak geen sprake was in tijden van bestuurlijke crises en slecht bezochte ledenvergaderingen, bij de slappe liquidatie van de vereniging tijdens de oorlog, wanneer hooggestemde vakgenoten door zaterdagamateurs werden beconcurreerd of samenwerkingspogingen met gelijkgezinde organisaties om onduidelijke redenen werden gestaakt.

Vooral het ontbreken van de neiging om ook nà de verzuiling buìten het eigen kerkplein te kijken bevreemdt. Dit gebrek aan gevoel voor externe coalitievorming van achter de orgels en koorlessenaars is zonder meer pijnlijk. Van Langen vermeldt het in haar chronologische aanpak niet expliciet, maar tijdens de naoorlogse Doorbraak waren er in het kunstzinnige organisatiewezen in de periferie van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen stellig openingen om tot muzikale machtsvorming te komen, óók vanuit kringen die nauwelijks relaties met wereldlijke overheden onderhielden. Dat die kansen anno 1946 nog niet werden gegrepen, mag verklaard worden uit spreekwoordelijke serviliteit aan de kerkelijke hiërarchie of de sterke behoefte aan wenteling in het eigen geloofsnest. Maar na de ontzuiling en kerkendestructie in de jaren zeventig liep het ledental natuurlijk sterk terug. Waarom ook toen en later federatieve of fusiekansen binnen het muzikale veld zijn genegeerd of gemist, is door de auteur niet geproblematiseerd.

Het resultaat van niet-samenwerken manifesteerde zich vanaf eind jaren zeventig in een vergrijzend en slinkend ledenbestand van uiteindelijk minder dan tweehonderd, waarmee in belangenbehartigende zin al helemaal geen ‘massa’ kan worden gemaakt. Dan blijven anno 2019 in feite alleen nog zorg voor de immateriële belangen en opbouwende interne communicatie over. Dit kan natuurlijk ook heel nuttig en gezellig zijn, maar van vakvereniging in eigenlijke zin is in dat geval geen sprake meer. Van Langen wijst nog wel op ‘de hedendaagse uitdagingen’ van de KDOV, doch gaat op de aard ervan niet meer in. Dat is even jammer als begrijpelijk, maar vormt een licht teleurstellende conclusie van overigens voorbeeldige micro-geschiedschrijving.

Men mag ten slotte wensen dat Van Langen, maar ook anderen, nog eens vol op het orgel gaan om liefst nog iets substantiëler vakorganisaties in de uitvoerende kunsten te analyseren in een breed spectrum van al hun veelkleurige wederwaardigheden.