Inleiding

Deerste wonder dat was dat, dat die ghemeente in elke stat boven den heren hadden doverhant, ende dat ghesciede in elc lant, dat die ghemeente deden houden in elke stat wat si wouden, […] scepen ende raetsmanne, ende die heren […] moesten die ghemeente seer ontsien; want om een clein ocsuun, in dien daghen, haddense die heren al verslaghen.2

De veertiende-eeuwse auteurs van de rijmkroniek Brabantse Yeesten waren duidelijk verbaasd over de frequentie waarmee in hun tijd opstanden uitbraken. Toch waren opstanden in de periode tussen 1250 en 1500 geen curiosum. Groepen die van de macht waren uitgesloten verzetten zich, vaak aangevoerd door leden van de politieke elite, in de late middeleeuwen geregeld tegen het machtsmonopolie en het beleid van hun stedelijke en landsheerlijke bestuurders.3 Vooral tijdens de veertiende eeuw, die Michel Mollat en Phillipe Wolff aanduidden als ‘[…] l’aire par excellence des “révolutions populaires”’, was het in verschillende Europese steden en landsheerlijkheden onrustig.4 Zo rebelleerden in het hertogdom Brabant in deze periode zowel de Mechelse, Antwerpse, Leuvense als Brusselse stedelingen tegen het bestuur.5 De woelige politieke situatie deed niet alleen de auteurs van de Brabantse Yeesten in de pen kruipen, maar ook verschillende van hun tijdgenoten schreven hun observaties over eigentijdse opstanden neer. In hun beschrijvingen benadrukten zij vooral het gewelddadige karakter van opstanden en veroordeelden ze de oproermakers die ze afschilderden als overmoedige bruten.6 Dit negatieve discours doet vermoeden dat laatmiddeleeuwse auteurs met hun analyses van opstanden vooral hun tijdgenoten wilden waarschuwen voor de vernielzucht van rebellen. Maar is deze interpretatie niet eenzijdig?

Dit artikel onderzoekt de functionaliteit van het discours over opstanden in vijf stedelijke literaire werken uit het veertiende-eeuwse hertogdom Brabant. Ik argumenteer dat eigentijdse verhalen over laatmiddeleeuwse opstanden niet zozeer gezien moeten worden als een waarschuwing voor de baldadigheden van de rebellen, maar de lezer eerder willen wijzen op de gevolgen van wanbestuur. Als politieke instrumenten maken literaire werken aan stedelijke en landsheerlijke bestuurders duidelijk dat zij opstanden kunnen voorkomen door hun beleid aan te passen. Vanuit dat oogpunt wijzen de auteurs eerder de ‘slechte bestuurder’ terecht dan de opstandeling, die weliswaar op zijn beurt geen vrijgeleide krijgt. Buitensporig geweld kon voor deze auteurs evenmin door de beugel.

Door het laatmiddeleeuws discours over opstanden centraal te stellen, sluit deze bijdrage aan bij een gevestigd historiografisch debat. Historici hebben beschrijvingen van opstanden in laatmiddeleeuwse kronieken al lange tijd als een belangrijke bron onderkend.7 Aanvankelijk kleurde de discursieve focus op het bloedige karakter van opstanden de interpretaties van onderzoekers. In de negentiende eeuw beweerden verscheidene historici bijvoorbeeld dat de laatmiddeleeuwse geschiedenis met ‘letters van bloed’ geschreven was, terwijl Barbara Tuchman het in de jaren zeventig had over een ‘waanzinnige’ veertiende eeuw.8 In de laatste decennia hebben historici, onder invloed van de ‘linguistic turn’ en het postmodernisme, meer oog gekregen voor het constructieve karakter van kronieken en de manieren waarop taal de weergave van het verleden heeft gevormd. In hun studies naar vijftiende-eeuwse kronieken stellen Robert Stein en Astrid Houthuys dat chroniqueurs niet alleen rapporteerden over eigentijdse gebeurtenissen, maar deze ook interpreteerden aan de hand van diverse discursieve insteken. Daarbij lieten ze informatie achterwege en wisten ze sommige gebeurtenissen zelfs volledig uit hun versie van het verleden. Zo vermeldden de auteurs van de Yeesten bijvoorbeeld niet dat er ergens tussen 14 mei en 5 juni 1302 een opstand plaatsvond in hun eigen stad, Antwerpen.9 Stein en Houthuys benadrukken dat deze voorstellingen van het verleden niet zonder bijbedoelingen waren. Volgens hen interpreteerden kroniekschrijvers hun materie steevast in het licht van contemporaine ambities en met het oog op de toekomst.10 Dat het met hun getuigenissen over opstanden niet anders ging, toonde Karl Czok reeds in 1962 aan met zijn studie over Duitse stadskronieken. Met hun negatief discours over opstanden hadden kroniekschrijvers volgens Czok een concreet politiek doel dat varieerde naargelang de specifieke politieke context.11 Czok kreeg recent bijval van verschillende onderzoekers. In een spanningsveld tussen interpretatie en het achterwege laten van sommige gebeurtenissen, probeerden laatmiddeleeuwse auteurs met hun beschrijvingen van opstanden invloed uit te oefenen op hun eigen tijd.12 Welke concrete politieke doelstellingen stonden laatmiddeleeuwse schrijvers voor ogen?

Ook laatmiddeleeuwse afbeeldingen benadrukten het gewelddadige en brute karakter van de rebellen. Op deze vijftiende-eeuwse miniatuur van de opstand van de Cabochiens te Parijs in 1413 is bijvoorbeeld te zien hoe opstandelingen plunderen, moorden en zelfs een zwangere vrouw in haar buik steken. La Turie de Paris, in: Martial d’Auvergne, Les Vigiles de Charles VII, c. 1475-1500. © Bibliothèque nationale de France, ms. fr. 5054, f. 8v, Parijs.

In de historiografie heerst er consensus over het idee dat de elitaire afkomst van literaire auteurs en/of hun opdrachtgevers de discursieve focus op het bloedige karakter van de opstanden verklaart. Door het geweld centraal te plaatsen, wilden chroniqueurs vooral hun tijdgenoten waarschuwen voor de gevaren van rebellie. Bovendien legitimeerden ze op deze manier ook het machtsmonopolie en het politieke beleid van de heersende elites en hun soms erg strenge repressie van opstandelingen.13 Dit is een valabele, maar onvolledige verklaring. Als kroniekschrijvers slechts de macht van heersers wilden rechtvaardigen, was het dan niet verstandiger geweest het eigentijdse verzet volledig te verzwijgen? Of als zwijgen onmogelijk was, was het dan niet beter het gewelddadige karakter, de frequentie en de invloed van opstanden zo veel mogelijk te minimaliseren? Bovendien heeft Christopher Fletcher voor didactisch-moraliserende literatuur uit Engeland en Frankrijk aangetoond dat auteurs hun verhalen over opstanden ook konden gebruiken om de urgentie van de door hen voorgeschreven morele richtlijnen te vergroten. Net als andere laatmiddeleeuwse schrijvers gingen de auteurs van deze Franse en Engelse teksten ervan uit dat politieke crisissen veroorzaakt werden door de individuele ondeugden van bestuurders.14 Vermeldingen van de verschrikkingen van opstanden moesten volgens Fletcher de heersende elite vooral tot een moreel reveil aansporen.15

Kan de hypothese van Fletcher over Franse en Engelse didactisch-moraliserende werken ook worden toegepast op historiografische teksten en stedelijke literatuur uit het hertogdom Brabant? Om een vollediger beeld te krijgen van de functionaliteit van de vermeldingen van opstanden, is een genre-overstijgend en intertekstueel onderzoek noodzakelijk. Tot op heden maken de meeste onderzoekers binnen het Nederlands taalgebied haast uitsluitend gebruik van kronieken. De meerwaarde van didactisch-moraliserende teksten in het onderzoek naar het discours over opstanden werd niet alleen aangetoond door Fletcher maar ook door Britse literatuurhistorici als Wendy Scase en Steven Justice.16 Net als de meeste andere onderzoekers houden ook zij vast aan het klassieke onderscheid tussen geschiedschrijving en moraliserende traktaten die ze veelal op zichzelf bestuderen. Als we echter meer inzicht willen krijgen in de bedoelingen van laatmiddeleeuwse auteurs, is het bijzonder relevant om het discours van verschillende teksten systematisch met elkaar te vergelijken. Het negatieve discours van kronieken over opstanden is immers eigen aan de laatmiddeleeuwse periode en wordt bijgevolg ook in andere genres en bronsoorten teruggevonden. Bovendien waren de grenzen tussen genres in de late middeleeuwen veel flexibeler en minder scherp dan vandaag. Kronieken zijn immers geen objectieve verslagen van historische gebeurtenissen en geven regelmatig ook zedenlessen mee aan hun lezers. Op haar beurt bevat didactisch-moraliserende literatuur vaak historische passages. Beide genres kennen een soortgelijke ontstaanscontext. Ze werden niet alleen regelmatig door dezelfde auteurs geschreven, maar waren ook gericht op een gelijkaardig publiek.17

In dit artikel vergelijk ik het discours van historiografische en moraliserende werken systematisch met elkaar. Aangezien de hier bestudeerde teksten uit beide genres een politieke boodschap bevatten, classificeer ik ze als ‘politieke literatuur’. Tevens ga ik in op de gelijkenissen van deze werken met politieke en juridische documenten, namelijk twee rekwesten en een hertogelijke oorkonde. Dit ruime perspectief toont aan dat laatmiddeleeuwse auteurs met hun beschrijvingen van opstanden niet alleen het machtsmonopolie van de heersende bestuurders legitimeren, maar ook wijzen op de gevolgen van elitair wanbestuur. Ze zijn bijgevolg minder behoudsgezind dan een eerste lectuur van hun werken doet uitschijnen.

Bronnen en methode

Tijdens de eerste helft van de veertiende eeuw ontstond in Antwerpen, tot 1356 onderdeel van het hertogdom Brabant, een tekstcorpus dat zowel didactisch-moraliserende als geschiedkundige werken bevat.18 Onderzoekers twisten tot op de dag van vandaag over wat de auteurs19 van deze werken dachten over opstandelingen. Jan Van Gerven onderzocht aan de hand van deze teksten of er zoiets als een embryonaal veertiende-eeuws klassenbewustzijn bestond. De totale afkeur ten aanzien van de rebellen, die hij vooral in de Brabantse Yeesten terugvond, deed hem besluiten dat dit het geval was.20 Van Gerven werd echter al snel tegengesproken. Op basis van de lezing van voornamelijk didactisch-moraliserende Antwerpse teksten vond Peter C. Van Der Eerden geen afkeuring, maar juist begrip voor het door de opstandelingen aangeklaagde onrecht terug, al wil dit volgens hem nog niet zeggen dat de auteurs de daden van de rebellen goedkeurden.21

Dit artikel neemt dit Antwerpse tekstcorpus opnieuw onder de loep. Concreet analyseer ik het vijfde boek van de Brabantse Yeesten, Der Leken Spieghel, het Boec vander Wrake Gods, Melibeus en Jans Teesteye.22 Terwijl de Yeesten kan geclassificeerd worden als een historiografisch werk over de daden van de Brabantse hertogen vanaf ongeveer het jaar 600 tot de eigen tijd, vallen de andere vier werken onder de noemer van didactisch-moraliserende teksten. Als een morele encyclopedie bevat Der Leken Spieghel verschillende lessen en gedragsregels voor leken. Jans Teesteye informeert de lezer, aan de hand van een didactische dialoog tussen Jan en Wouter, over allerlei contemporaine onderwerpen als het religieus verval of het stedelijk en landsheerlijk bestuur. Aan de hand van voorbeelden uit de eigen tijd verhalen de auteurs van het Boec vander Wrake Gods over de verschillende manieren waarop God wraak neemt voor de menselijke zonde. Melibeus bestaat ten slotte uit een parabel in de vorm van een schijndialoog tussen Prudentia en haar echtgenoot Melibeus. Het verhaal begint wanneer Melibeus na het wandelen zijn dochter en vrouw zwaar mishandeld thuis aantreft. Woedend roept hij al zijn vrienden bij elkaar om wraak te nemen op zijn vijanden. In de discussie die losbarst, onderwijst Prudentia haar echtgenoot over de wenselijkheid van wraak en andere morele kwesties.23 In deze teksten onderzoek ik alleen de beschrijvingen van veertiende-eeuwse conflicten.

Zowel Van Gerven alsook Van Der Eerden gaan ervan uit dat de Antwerpse teksten geschreven zijn door Jan Van Boendale (1280/1290-1350/1351/1365). Van Boendale werd geboren in de streek rond Tervuren en werkte het grootste deel van zijn leven als stadsklerk te Antwerpen.24 Aangezien Van Boendale zich alleen in Jans Teesteye kenbaar maakte als schrijver, blijft zijn auteurschap voor het volledige Antwerpse tekstcorpus verre van zeker.25 Dit gaf dan ook aanleiding tot een hevig debat dat uiteen valt in grofweg twee kampen: de minimalisten en de maximalisten.26 De minimalisten beschouwen Van Boendales auteurschap louter als een aanlokkelijke optie. In plaats van alle werken aan de stadsklerk toe te schrijven gaan zij uit van het bestaan van een veertiende-eeuwse Antwerpse dichtschool. Maximalisten gaan niet akkoord met deze lezing, en schrijven alle werken toe aan Van Boendale.27 Gezien ik in dit artikel focus op de functionaliteit van het discours in deze teksten, laat ik de discussie over het auteurschap van Jan Van Boendale graag over aan filologen en letterkundigen. Auteurschap is in dit onderzoek niet onbelangrijk, maar een studie naar de maatschappelijke context waarin de genoemde Antwerpse teksten tot stand kwamen, is evenzeer nodig om hun doel en nut te begrijpen. Ik ga uit van datgene wat geweten is over de sociale positie van de auteurs. Zij waren vermoedelijk ofwel zelf lid van de bovenste sociale laag of van de middengroepen van de stedelijke bevolking, of stonden er nauw mee in contact. Alleen iemand uit deze bevolkingslagen beschikte over voldoende kennis, economische middelen en tijd om zulke omvangrijke teksten van hoge kwaliteit te schrijven.28

Het doelpubliek van de Antwerpse teksten bestond in de eerste plaats uit de bestuurlijke elites. In de afgelopen jaren twistten onderzoekers over de vraag of het hier ging over stedelijke dan wel over aristocratische elites.29 Ik ga ervan uit dat het beoogde publiek zowel uit de adel als de stedelijke bestuurders bestond. In de laatmiddeleeuwse samenleving was het onderscheid tussen deze twee groepen immers niet waterdicht.30 Bovendien toonde Valerie Vrancken in een gevalstudie naar de Brabantse opstand van 1420-1421 aan dat er meer raakvlakken bestonden tussen het discours van de adellijke en stedelijke elites dan historici doorgaans aannemen.31 Daarnaast richtten de werken zich in beperkte mate ook op een ruimer doelpubliek. De Antwerpse werken zijn niet alleen geschreven in de volkstaal, ze waren ook bedoeld als voorleeslectuur. Alle teksten zijn in rijm geschreven en bevatten zinnen die de lezer/toehoorder rechtstreeks aanspreken zoals ‘Ghi hoort mi zegghen hier voren’.32 Toch kunnen we, gezien de hoge kostprijs van deze werken, ervan uitgaan dat de stedelijke middengroepen, bestaande uit rijke poorters en welvarende koop- en ambachtslieden, ook tot het publiek van deze teksten konden behoren. Vermoedelijk hebben loonwerkers en gewone ambachtslieden de teksten niet gelezen, al konden ze wel delen ervan hebben horen voordragen.

Discoursanalyse onderzoekt hoe bepaalde politieke en culturele opvattingen discursief of taalkundig gecreëerd worden. Het is dan ook een geschikte methode om de doelen, taalkundige constructies en thema’s in het laatmiddeleeuwse discours over opstanden te achterhalen.33 Naast een analyse van het discours van de Antwerpse teksten vergelijk ik deze ook met het discours van het charter van Kortenberg dat in 1312 werd uitgevaardigd door hertog Jan II (1275-1312) en de twee rekwesten die de Leuvense ambachten in 1378 aan de hertog en het stadsbestuur overhandigden. Rekwesten waren in de late middeleeuwen het meest gebruikte rechtsmiddel om eisen aan machthebbers over te maken en vormden zo een ‘koker van overleg’ in de onderhandelingen tussen bestuurders en stedelingen. Op deze manier bevatten ze de concrete punten die het bestuur volgens de onderdanen diende te verbeteren.34 Na een kort historisch overzicht van de in deze bronnen vermelde veertiende-eeuwse opstanden volgt een analyse van het discours over deze revoltes. Wat dachten de Antwerpse auteurs over de opstanden? En wie was volgens hen verantwoordelijk voor het uitbreken van de onrust?

Opstanden in een veertiende-eeuwse context

De opeenvolgende opstanden en conflicten gaven de veertiende-eeuwse politiek een complex en dynamisch karakter. Naast stedelijke opstanden tegen het lokale bestuur kende deze periode ook meerdere conflicten op het landsheerlijke niveau. De Antwerpse teksten vertellen niet alleen over opstanden in Mechelen (1302-1303) en Brussel (1303-1306), die beide destijds onder het gezag van de Brabantse hertog vielen, maar vermelden ook het conflict in het naburige prinsbisdom van Luik (1345-1347) en verschillende onrusten in het graafschap van Vlaanderen: de Brugse Metten (18 mei 1302), de Guldensporenslag (11 juli 1302), de opstand van Kust-Vlaanderen (1323-1328) en de rebelse periode gekenmerkt door het beleid van Jacob van Artevelde (1337/1338-1345).35

John Watts stelt dat laatmiddeleeuwse rebellen in opstand kwamen wanneer bestuurders er niet in slaagden hun taken uit te voeren, hun bevolking onderdrukten en de nodige geloofwaardigheid misten.36 De politieke situatie in de veertiende-eeuwse steden van de Lage Landen voldeed aan al deze voorwaarden. Sinds de twaalfde eeuw was de economische en politieke macht er in handen van enkele elitaire families (‘geslechten’ of ‘goede lieden’ in het Middelnederlands). Hun machtsmonopolie werd doorheen de dertiende en veertiende eeuw steeds vaker in vraag gesteld door groepen die van politieke deelname waren uitgesloten, zoals de gegoede middenklasse en corporatieve groeperingen. Ambachten beschuldigden bijvoorbeeld de schepenen van hun stad regelmatig van corruptie.37 Dergelijke spanningen bereikten een hoogtepunt in de veertiende eeuw, toen er een reeks stedelijke opstanden uitbrak in Brugge, Antwerpen, Mechelen, Luik en Brussel.38

Tot op heden weten historici niet hoe de macht in de laatstgenoemde stad precies was verdeeld, maar duidelijk is dat de Brusselse samenleving tijdens de eerste jaren van de veertiende eeuw onder hoogspanning stond. Niet alleen waren de elitaire families die de stad bestuurden intern sterk verdeeld, er sluimerden ook sociale spanningen. In 1303 hadden de ambachten ten gevolge van twee bestuurlijke hervormingen toegang gekregen tot zowel de stadsraad alsook tot de lakengilden. Om een voorstel voor een nieuwe belasting te laten goedkeuren, sloot de Brabantse hertog Jan II in 1306 echter een akkoord met een aantal families, die van hem het bestuursmonopolie opnieuw in handen kregen. Een paar maanden later kwamen de Brusselse ambachten, samen met enkele medestanders uit de ‘geslechten’, in opstand tegen hun elitair bestuur. Nadat ze een maand lang de schepenzetels bezetten, werden de opstandige Brusselaars verslagen door de hertogelijke troepen op 1 mei 1306 in de slag bij Vilvoorde. Tijdens de daarop volgende repressie werden niet alleen vele ambachtslieden verbannen, maar werd ook een aantal wevers en volders levend begraven.39

Niet alleen binnen de steden woedde er een machtsstrijd, ook in de vorstendommen kwamen de machtsverhoudingen onder druk te staan. Door hun toegenomen demografisch en economisch gewicht gingen steden steeds vaker in tegen de soevereiniteit van hun landsheer. In de loop van de veertiende eeuw zetten de Brabantse steden bijvoorbeeld het hertogelijke beleid regelmatig naar hun hand.40 Zo vaardigde Jan II (1275-1312), na een gezamenlijk optreden van de steden, in 1312 het charter van Kortenberg uit. In deze ordonnantie werden door steden eerder verkregen rechten bevestigd en uitgebreid tot het hele hertogdom, en werd de zogenaamde ‘raad van Kortenberg’ opgericht. Die moest de Brabantse onderdanen in staat stellen hun privileges te beschermen en op te treden tegen wantoestanden bij het landsbestuur.41 In 1314 voegde zijn minderjarige zoon en opvolger Jan III (1300-1355) hier de zogenaamde ‘Vlaamse en Waalse charters’ aan toe als reactie op de stedelijke onvrede over het beleid van zijn adellijke regenten. Deze charters gaven de steden niet alleen verregaande privileges, maar ook een grote controle op de hertogelijke schatkist en politiek. Eenmaal meerderjarig sloeg de hertog terug. Hoewel hij erin slaagde een deel van de vorstelijke macht te herstellen, was het politieke gewicht van de Brabantse steden te groot om hun macht te breken. De conflicten die het gevolg waren van Jan III’s soevereiniteitspolitiek draaiden dan ook vaak in het voordeel van de steden uit.42

De Honderdjarige Oorlog, die in 1337 een aanvang nam, vergrootte de bestaande spanningen. Dit internationale conflict tussen de Franse en Engelse koningen bracht het graafschap Vlaanderen in woelig vaarwater. Vlaanderen was voor zijn bevoorrading immers zowel van het Franse graan alsook van de Engelse wol afhankelijk. Toen graaf Lodewijk van Nevers (1304-1346) als leenman van de Franse koning de kant van Filips VI van Frankrijk (1293-1350) koos, verbood de Engelse koning Edward III (1312-1377) de uitvoer van wol naar Vlaanderen, wat een ramp was voor de Vlaamse steden en de voor hen zo essentiële lakennijverheid. Ook in Brabant liet dit conflict de gemoederen niet onberoerd. Na lang een tussenpositie te hebben ingenomen, koos hertog Jan III in juli 1337 voor het kamp van Edward III, die vanuit Antwerpen zijn eerste grote veroveringscampagne tegen Frankrijk in 1338-1339 voerde.43 Onder leiding van de Gentse wever Jacob Van Artevelde (1290-1345) leunde ook het Vlaamse graafschap steeds meer aan bij de Engelse koning. De officiële toetreding van het graafschap tot de Engelse coalitie werd bezegeld toen Vlaanderen op 3 december 1339 een verdrag sloot met Brabant, waarin beide landsheerlijkheden bezwoeren elkaar bij te staan in geval van een buitenlandse aanval.44 Door verder ook Edward III te erkennen als koning van Frankrijk onttrokken de Vlaamse steden zich volledig aan het gezag van hun graaf, die ondertussen naar Frankrijk was gevlucht. Pas in 1347 zou zijn opvolger, Lodewijk van Male (1330-1384), aan de herovering van het graafschap beginnen.45

Het literaire discours over opstanden

In een studie over de laatmiddeleeuwse Noord-Hollandse boerenopstanden stelt de Nederlandse historicus Peter Hoppenbrouwers dat kroniekschrijvers ‘opstandelingen steeds op een negatieve manier portretteerden, met de bedoeling hun domheid, onbetrouwbaarheid en gehechtheid aan gevaarlijke revolutionaire ideeën te beklemtonen’.46 Gelijkaardige veroordelingen van rebellen als kwaadaardige en gemakkelijk te verleiden woestelingen kwamen veel voor en kunnen bijvoorbeeld zowel in Vlaamse, Hollandse, Brabantse, Italiaanse alsook in Franse laatmiddeleeuwse kronieken teruggevonden worden.47 Tijdgenoten lijken alleen maar in negatieve zin over de opstanden te hebben bericht.

Ook in de hier bestudeerde Antwerpse teksten staat geen goed woord over de opstandelingen. De auteurs van de Brabantse Yeesten vergelijken de opstandige inwoners van Mechelen zelfs met de duivel: ‘[...] ende trocken ute, metter macht, bernede met sulphere viere, soe vreeselic ende so onghehiere oft die duvel uten hellen.’48 Het verzet van de Mechelse ambachten, dat in 1302 was losgebarsten, kon pas op 28 juni 1303, na een beleg van de stad door hertog Jan II, worden neergeslagen.49 Verder stelt de Yeesten de opstandelingen voor als geniepig, sluw en vals. Volgens deze kroniek vielen bijvoorbeeld de Mechelaars tijdens het beleg van hun stad de hertogelijke troepen uit Lier en Antwerpen aan op het moment dat zij dachten dat er vrede was bereikt.50 De domheid van de opstandige ambachtslieden blijkt volgens de auteurs van de Yeesten uit het gegeven dat ze zich gemakkelijk door onwaardige leiders lieten misleiden.51 Zo luisterden de Vlamingen naar de ‘knape, niet rike van haven’, Jacob van Artevelde; terwijl de Luikenaars in hun verzet tegen prins-bisschop Engelbert van der Mark (1304-1368) een molenaar tot hun hoofdman verkozen.52

Op deze miniatuur is te zien hoe de rebelse inwoners van Gent in september 1379 de weerloze Roger d’Auterive, de baljuw van de graaf van Vlaanderen, vermoordden. De moord van de baljuw van Gent, in: Chroniques de France ou de St Denis, na 1380. © British Library, ms. Royal 20 C VII, f. 212r, Londen.

De Brabantse Yeesten staat hierin niet alleen. Ook de didactisch-moraliserende Der Leken Spieghel, Jans Teesteye, Melibeus en het Boec vander Wrake Gods bestempelen de rebellen als irrationele bruten die niet zonder een elitair bestuur konden. Na de vlucht van graaf Lodewijk van Nevers in 1339 verloren de Vlamingen volgens de auteurs van het Boec vander Wrake Gods de controle over zichzelf: ‘Doen die ghemeente wart gheware dat si buten bedwanghe waren ende en ghenen here ontsaghen, ghinghen si elc ander jaghen ende vermorden ende verraden [...].’53

Overmoed is de karaktereigenschap die de opstandelingen, in navolging van het destijds heersende elitaire discours, het meest krijgen toebedeeld.54 Volgens Der Leken Spieghel werd tijdens de slag bij Kassel op 23 augustus 1328, die een einde maakte aan de opstand van Kust-Vlaanderen, vooral ‘[…] der Vlaminghe overmoet gheworpen wort onder voet [...].’55 De auteurs van de Brabantse Yeesten karakteriseren de daden van de ambachten van Brussel en Mechelen ook als ‘overdaet’.56 Deze term duidt in het Middelnederlands zowel op grensoverschrijdende, gewelddadige, ongepaste en misdadige handelingen of uitspraken alsook op overmoed en overdaad.57 De Antwerpse teksten benadrukken tot slot dat opstanden altijd mislukken. Zo schrijven de auteurs van de Brabantse Yeesten: ‘[...] maer, hoe hoghe si climmen, int deinde vielen si neder met groter sceinde.’58 In Melibeus wordt dit idee bevestigd, zij het vanuit een heel andere context. Prudentia vertelt aan haar echtgenoot dat conflicten het best vermeden worden. Wanneer een machtige man een twist begint met zijn sociaal mindere is dit oneerzaam, als iemand een conflict met zijn gelijke begint, is de uitkomst onzeker en wie ruzie zoekt met iemand die machtiger is, weet op voorhand dat de strijd tevergeefs is.59

Opstanden als illegitieme en overbodige daden

Vanuit een democratische samenleving waarin de overheid een monopolie heeft op de uitoefening van legitiem geweld, zijn we vandaag geneigd om opstanden – in navolging van het laatmiddeleeuws discours – te beoordelen als gewelddadige en chaotische gebeurtenissen. Door naast het feitelijke verloop ook de ideologische en oorzakelijke aspecten van laatmiddeleeuwse opstanden in rekenschap te nemen, heeft recent onderzoek evenwel laten zien dat rebellen met hun verzet heel concrete bestuursveranderingen wilden laten doorvoeren.60 Opstandelingen waren geen wildemannen en het was nooit hun bedoeling om de bestaande structuren omver te werpen. Wel eisten ze, onder andere, een transparant politiek bestuur, bestuurders die verantwoording aflegden voor hun beleid, gezonde financiën en het behoud van bestaande stedelijke privileges. Vooraleer ze overgingen tot geweld waren rebellen bovendien vaak bereid tot overleg.61 Met hun negatieve interpretaties van de gebeurtenissen bestempelden de auteurs van de Antwerpse werken eigentijdse opstanden als illegitiem. Door bovendien een tweedeling te creëren tussen de door instincten gedreven opstandelingen enerzijds en de rationele bestuurders anderzijds, benadrukten deze auteurs bovendien dat eerstgenoemde groep de nodige vaardigheden miste om goed te kunnen besturen.

In het politiek debat over de legitimiteit van het verzet kiezen de Antwerpse auteurs de kant van de macht. Rebelleren is volgens hen onder alle omstandigheden een ongeoorloofde manier om aan politiek te doen. Niet iedereen was echter deze mening toegedaan. De invloedrijke filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1255-1274) stelde bijvoorbeeld dat het afzetten van tirannieke bestuurders die alleen hun eigen belangen en niet dat van het gemeen dienden, geen verraad is: ‘Een dergelijk regime omverwerpen is strikt genomen geen opstand.’62 Thomas van Aquino’s geschriften boden desondanks weinig steun aan rebellen. Verzet was volgens hem slechts rechtvaardig wanneer de onrust en de uitkomst van de opstand voor minder schade en wanorde zorgden dan een voortzetting van het tirannieke bestuur. In zijn invloedrijke commentaar op de Politika van Aristoteles gaat de Franse filosoof Peter van Auvergne (1240-1304) een stap verder. Hij betoogde dat onderdanen het recht hebben om te rebelleren. Wanneer er een rechtvaardige reden is om in opstand te komen, en men over voldoende middelen en kracht beschikt, is het volgens hem zelfs zondig dit niet te doen.63

Door politiek verzet af te keuren wijken de Antwerpse werken af van de in het hertogdom van Brabant gangbare weerstandsclausule. Deze formulering werd toegevoegd aan bepaalde hertogelijke ordonnanties, zoals het hier bestudeerde charter van Kortenberg, en gaf de Brabanders het recht op passief verzet tegen hun landsheer wanneer die inging tegen de in de charters opgenomen bepalingen. Concreet stelde de clausule dat onderdanen de hertog niet langer ‘dienst’ noch ‘hulpen’ hoefden te bieden, en dat ze hem niet langer ‘onderdanech’ hoefden te zijn in zo’n geval.64 Het ging hier dus geenszins om een oproep om de wapens op te nemen. Maar terwijl de weerstandsclausule de onderdanen het recht gaf te reageren (of beter gezegd, niet te reageren) op wanbestuur, riepen de auteurs van Jans Teesteye de ambachten op toch vooral geduldig te zijn:

Du volre, wever, coepman, schoenmaker, cledermaker, stierman, ende alle die arbeyds pleghen, die hier vanden minsten sijn gheweghen ende met pinen wint u brodeijn, ghi selt ghinder vanden meesten sijn, ende vele meerre, dat wetic wale, dan deken, prelate ofte officiale, die u versmaden ofte verdruken, ende u goedeken hier afplucken […]. Sijt verduldech […], God sal u harde wel wreken ghinder in deewelike vier.65

De hier onderzochte teksten maakten niet alleen duidelijk dat opstanden onwettig waren, maar ook dat rebellen het vermogen misten om goed te kunnen besturen. In de late middeleeuwen heerste de consensus dat de sociale opdeling van de samenleving in verschillende niveaus rechtvaardig en zelfs ‘natuurlijk’ was. Meer nog: de ongelijkheid werd gezien als een door God opgelegd gevolg van de zondeval.66 Als iedereen zijn plek op de sociale ladder aanvaardde en de taken uitvoerde die bij zijn positie hoorden, dan profiteerde uiteindelijk de hele samenleving daarvan.67 Besturen was niet de taak van rebellen, maar van vorsten, aldus Der Leken Spieghel:

Grote heren die arbeiden, om hare liede te bescheiden, ende ooc om menigherhande oorbaer van haren lande, [...] dese, dat si u becant, arbeiden harde nuttelike. Ende liede die niet en sijn rike, die arbeiden om broot ofte om anders dies si hebben noot, dat is een salich arbeit, alse David inden souter seit.68

In plaats van te rebelleren konden opstandelingen zich beter bezighouden met de taken die bij hun sociale positie hoorden.69 Zoals Jelle Haemers en Jan Dumolyn aantonen, verwoordden ook de latere vijftiende-eeuwse rederijkers dit idee.70 Al toonden ze begrip voor de oneerlijke sociale situatie, toch gingen de rederijkers ervan uit dat het beter was als ‘Elc doe sijn neringhe ende swijch al stille.’71 Net als in de vijftiende eeuw beschouwden de Antwerpse auteurs opstanden dus als onwettige en zinloze acties van minderwaardige woestelingen.

Wie veroorzaakte opstanden, bestuurders of de massa?

Welke sociale groeperingen lagen volgens de Antwerpse werken aan de basis van het politieke verzet? En wie kon of moest er bijgevolg een einde aan maken? In haar studie van de Gentse memorieboeken stelt Anne-Laure Van Bruaene dat veertiende-eeuwse auteurs zich zeer beknopt uitlieten over de opstanden en politieke conflicten in hun stad. Ze suggereerden eigenlijk alleen dat er een conflict was. Verklaringen voor de onrusten gaven de schrijvers niet en slechts zelden vermeldden ze een directe aanleiding. Ondanks hun onderhuidse kritiek op het beleid gaven de auteurs van de Gentse memorieboeken bestuurders nooit openlijk de schuld voor de opstanden.72 In lijn met Van Bruaenes bevindingen constateren ook andere historici dat laatmiddeleeuwse auteurs uit verscheidene streken de motieven van rebellen steeds karakteriseren als redeloos, dwaas, naïef, simplistisch en ongegrond. In plaats van de onrusten te verklaren vanuit een economische en politieke context, wezen schrijvers vooral op monocausale of toevallige oorzaken en persoonlijke conflicten, of benadrukten ze de kwaadaardige gevolgen van illegitieme vergaderingen en geruchten.73

Deze bevindingen gelden grotendeels ook voor de Brabantse Yeesten, waarin de ‘ghemene lieden’ van de stad de schuld kregen voor de onrusten. Deze lieden bestaan volgens de auteurs vooral uit ambachtslieden: ‘Scoenmakere, volre, wevere, ziedere, vleschoudere, backere, briedere, hen moesten wiken alle heren.’74 Waarom deze ‘ghemene lieden’ rebelleren, bespreken de auteurs van de Yeesten slechts zeer beknopt. Niet de jaren van sociale spanningen of het machtsmonopolie van de elite, maar één enkele gewonde knecht zou de opstand in Brussel hebben veroorzaakt.75 Voor de Brugse Metten, de Guldensporenslag, de opstanden in Luik en Mechelen en het beleid van Jacob van Artevelde hadden de rebellen volgens de auteurs zelfs helemaal geen reden. Opstandelingen zouden vooral: ‘[...] al die haerthede, die men hen noit mesdede, willen si dan al wreken.’76 Door te benadrukken dat er geen dieperliggende oorzaken bestonden voor de opstanden, lijken de auteurs van de Yeesten – in overeenstemming met de bevindingen van het historiografische debat – vooral de macht van de heersende bestuurselites te hebben willen legitimeren. In hun weergave van het beleg van Mechelen gaven zij echter toe dat de Mechelaars terecht vreesden: ‘[…] dat die hertoghe, in erren moede, te haestelike mochte rechten gaen (als hi te voren hadde ghedaen tAntwerpen, daermen liede nam tleven, dat beter ware achter bleven) […].’77 Deze subtiele kritiek laat zien dat de auteurs van de Yeesten ook andere bedoelingen hadden dan louter het verzet veroordelen.

In dit schilderij zien we hoe de Duivel zeven schepenen, die op het punt staan recht te spreken, probeert om te kopen. Het achterwege laten van een rechtvaardig vonnis in ruil voor omkoopsommen was een corrupte praktijk die ook de auteurs van het Boec vander Wrake Gods aankloegen. Detail Jan van Brussel, Tweevoudige gerechtigheid, c. 1475-1476. ©Gemeente Maastricht, Maastricht.

Een blik op de didactisch-moraliserende teksten uit Antwerpen bevestigt dit vermoeden. In tegenstelling tot wat hedendaagse historici vaststelden voor geschiedkundige werken gaan deze teksten wel dieper in op de oorzaken van laatmiddeleeuwse conflicten. Bovendien legden ze de verantwoordelijkheid voor de opstanden niet bij de rebellen, maar bij de heersende stedelijke en landsheerlijke bestuurders die in de werken regelmatig beschuldigd werden van corruptie, zoals bijvoorbeeld in Der Leken Spieghel: ‘O vule edelhede, diemen in menigher steden hantiert onder die vorste, die altoos van dorste gapen na den schat […]; ende scamelheid ende gherechtigheit, eersaemheit ende ontfermicheit laten varen in allen zinnen, om dat sire scat an moghen winnen. Sine zijn niet heren noch prelate, mar sijn meest Pylate, die gode [cruuste] als enen dief […].’78

Dat zulke vormen van wanbestuur opstanden veroorzaakten, wordt ook bevestigd in het Boec vander Wrake Gods. Volgens de auteurs waren stedelijke opstanden een gevolg van corrupte praktijken, zoals bestuurders die geld uit de schatkist ontvreemdden. De inwoners van een stad wisten maar al te goed dat bestuurders de fondsen van de stad aan de algemene noden hoorden te besteden. Als iemand de stedelingen vertelde dat dit niet het geval was, duurde het niet lang vooraleer ze dit onrecht al revolterend wreken.79

De auteurs sloegen de nagel op de kop. Rond 1300 was het een algemeen patroon dat voor een groot deel van de Europese stadsbevolking financiële corruptie niet meer door de beugel kon.80 Stedelingen waren ervan overtuigd dat gezonde stadsfinanciën een basisprincipe waren van goed bestuur. Over het gehele continent speelden verdenkingen van corruptie een rol in opstanden.81 Ook in het veertiende-eeuwse Brabant eisten stedelingen dat inkomsten uit belastingen de gehele stad ten goede dienden te komen. In Leuven was het bijvoorbeeld één van de vier centrale punten die de verenigde ambachten eisten in de twee rekwesten die ze in maart en juli 1378 aan de hertog en het stadsbestuur overhandigden. Naast ‘wittege rekenighe’, waarin het stadsbestuur verantwoording aflegde voor de gemaakte uitgaven, stonden ook een gezond schuldbeleid en een institutionele betrokkenheid bij het fiscale beleid op de verlanglijst van de ambachten.82 Het mislopen van de onderhandelingen in 1378 en het niet onderschrijven van deze financiële verzoeken leidden later dat jaar tot de bestorming van het Leuvense stadshuis waarbij zestien schepenen uit het raam werden geworpen.83 De auteurs van de didactisch-moraliserende werken erkenden niet alleen de politieke verzuchtingen van de ambachten, maar stelden de bestuurders die er geen gehoor aan gaven ook indirect verantwoordelijk voor het geweld dat in de stad plaatsvond.

Opstanden tegen het landsheerlijke bestuur verklaarden de auteurs met de redenering dat vorsten niet langer in het belang van hun onderdanen handelden. De auteurs van het Boec vander Wrake Gods beschreven de vlucht van graaf Lodewijk van Nevers als volgt: ‘[...] daer sie oec haren here verjaghet hebben tsire onnere om dat hi niet en dede also behoerde tsire heerhede [...] so wart dare doen in roeren die ghemeente, also dat hi uten lande vloe daer bi.’84 Lodewijk van Nevers was volgens het Boec geen heer meer, omdat hij zich niet langer gedroeg als een ridder, hoogmoedig was en zijn beloftes verbrak.85 In een beschrijving van de opstand van Luik vermeldden deze auteurs ook dat opstanden uitbraken wanneer een landsheer geen eerlijke vonnissen velde en zich niet hield aan de charters van zijn onderdanen.86 De opstand van de Luikenaars brak in 1345 uit en werd op 21 juli 1347 te Waleffe neergeslagen, met de hulp van, onder anderen, de Brabantse hertog Jan III.87 Ook gierigheid van vorsten lokte opstanden uit. Zo verklaarden de auteurs van Der Leken Spieghel de Brugse Metten, de Guldensporenslag en de opstand van Kust-Vlaanderen door te wijzen op de hebzucht van de Franse landvoogd, Jacques de Châtillon (1256-1302).88 Het ridderideaal, de eis van rechtvaardigheid en vrijgevigheid, de afkeer van hoogmoed en de verplichting om de privileges van onderdanen te respecteren, waren stuk voor stuk bestuurlijke richtlijnen waarvan tijdens de late middeleeuwen verwacht werd dat landsheren ze opvolgden.

Samen maken de Antwerpse teksten duidelijk dat eigentijdse opstandelingen wel degelijk redenen hadden om te rebelleren. Opstanden waren volgens deze werken immers reacties op de excessen van beleidsvoerders. Toch bestempelen de teksten het gebruik van geweld als illegitiem. Hoe kunnen we deze op het eerste gezicht paradoxale standpunten met elkaar verenigen? Door enerzijds het illegitieme en gewelddadige karakter van opstanden te benadrukken en anderzijds wanbestuur te koppelen aan het uitbreken van politiek verzet, trachten de auteurs van de Antwerpse teksten om bestuurders tot beleidsveranderingen aan te sporen. Wanneer zij over de opstand in Luik vertelden, waarschuwden de auteurs van het Boec vander Wrake Gods vermoedelijk hertog Jan III, aan wie de tweede versie van dit werk werd opgedragen. Net als de Luikse prins-bisschop overtrad deze hertog tijdens zijn soevereiniteitspolitiek regelmatig de privileges van zijn onderdanen, met als bekendste voorbeeld het charter van Kortenberg.89 Wilde Jan III een opstand tegen zijn gezag vermijden, zo luidde de boodschap, dan kon hij zijn beleid maar beter aanpassen.

Aangezien bestuurders opstanden met hun wanbeleid in de hand werkten, was het hun verantwoordelijkheid een einde te maken aan de onrust. Hoe moesten zij dit doen? Stedelijke bestuurders kregen de raad om vooral een einde te maken aan hun corrupte praktijken, zoals landsheren vrijgevig de belangen van hun onderdanen moesten dienen. De vermeldingen van opstanden tonen vooral de noodzaak van deze hervormingen aan. Zoals de Antwerpse auteurs duidelijk maken, richtten opstanden niet alleen veel schade aan, maar brachten ze ook het machtsmonopolie van de stadsbestuurders in gevaar. De heersende bestuurlijke elites konden dit doemscenario voorkomen indien ze hun beleid aanpasten. Voor wie naast de basis van zijn macht nog meer motivatie nodig had, vermeldden de auteurs van het Boec vander Wrake Gods en de Brabantse Yeesten dat opstandelingen zich vooral richtten tegen de rijke elites, wier goederen en levens ze wilden afnemen, zoals bijvoorbeeld in de Yeesten ‘[...] soe setten al sinen toren op rike liede ende wel gheboren: die willen si ontliven of des lants verdrieven [...]. Selke willen haer huuse breken [...]; sie willent al hebben doot.’90 Ook in latere tijden trachtten stedelingen om bestuurders aan te sporen hun beleid te wijzigen door hen angst in te boezemen. In Vlaamse en Brabantse steden hingen de inwoners bijvoorbeeld op symbolische plaatsen, zoals het stadhuis of het belfort, pamfletten met een duidelijke waarschuwing voor het bestuur op.91

Afsluitend kunnen we stellen dat vermeldingen van opstanden in literaire werken fungeerden als politieke instrumenten om bestuursverandering te bewerkstelligen. Laatmiddeleeuwse auteurs opteerden evenwel voor ‘conservatieve’ veranderingen of veranderingen om behoud mogelijk te maken. Selectieve hervormingen konden in hun ogen opstanden vermijden en er zo voor zorgen dat de bestuurselites hun macht konden bestendigen.

Besluit

Toen de auteurs van de Brabantse Yeesten zich verbaasden over ‘Hoe haer die ghemeente sette jeghen die heren […]’, hadden zij wel degelijk een hervormingsgezinde agenda in het achterhoofd.92 De vergelijkende analyse van de Yeesten en didactisch-moraliserende werken laat zien dat verhalen over opstanden een opvallende tegenstrijdigheid bevatten. Ook al noemden auteurs opstanden illegitiem en gevaarlijk, toch stelden ze dat het wanbestuur van de stedelijke elite de opstandelingen een goede reden gaf om te protesteren. Op die manier fungeerden deze teksten als een spiegel waarin de bestuurlijke elites de risico’s van hun beleid zagen opdoemen. Het publiek kreeg een verhaal te horen waarin zich onaantastbaar wanende bestuurders het onderspit dreigden te delven in een strijd die niet geheel onrechtmatig was.

Naast de rechtvaardiging van de macht van de stedelijke elite hadden auteurs dus ook minder behoudsgezinde doelen voor ogen, namelijk het bewerkstelligen van bestuurshervormingen. De enige manier waarop gezagsdragers hun machtsmonopolie en zelfs hun leven konden behouden, was immers het voorkomen van opstanden door middel van een beter bestuur. Ze moesten bovendien verantwoording afleggen aan de inwoners van de stad. Zo vervulden verhalen over opstanden zowel in de didactisch-moraliserende alsook in geschiedkundige teksten een gelijkaardige functie als de beschrijvingen die Fletcher onderzocht in discursieve literatuur uit Engeland en Frankrijk. Door niet alleen een moreel reveil, maar ook concrete beleidsveranderingen te verbinden met het horrorscenario van rebellie, gingen de Antwerpse auteurs nog een stap verder. Door de bestuurders angst aan te jagen werden die er niet alleen toe aangezet zich nieuwe politieke zeden eigen te maken, maar werden ze ook gestimuleerd om concrete bestuurshervormingen door te voeren. In de eerste helft van de veertiende eeuw gebruikten de auteurs van de Antwerpse teksten opstanden als een argument om niet alleen machtsmisbruik aan te kaarten, maar ook een alternatieve bestuurlijke realiteit voor te schrijven. Ze streefden hierbij echter geenszins een democratisering na. Integendeel, ze wilden terug naar een maatschappelijke balans die vooral de heersende elite in de kaart zou spelen. Vanuit dit oogpunt kon politieke verandering de elites helpen hun positie te consolideren.

Door het discours van didactisch-moraliserende en historiografische werken te confronteren met dat van contemporaine petities en een hertogelijk charter, zet dit artikel tot slot de eerste stappen naar een ruimere vergelijking van verscheidene bronsoorten. Een dergelijk comparatief perspectief biedt een belangrijke meerwaarde voor toekomstig onderzoek naar politieke opvattingen in het bijzonder, en bij uitbreiding, naar de veranderende politieke cultuur van de laatmiddeleeuwse samenleving in het algemeen.