In Tussen Lenin en Lucebert. Mathilde Visser, kunstcritica (1900-1985) vertelt de oud-Vrij Nederland journalist Igor Cornelissen over het veelbewogen leven van deze kunstcritica. Vissers jarenlange kunst-kritische activiteit, eerst voor De Waarheid, daarna voor Het Financieele Dagblad, vormt echter niet de rode draad in Cornelissens biografie. Hem gaat het vooral om Vissers complexe positie binnen naoorlogs communistisch Nederland. Visser was begin jaren dertig communiste geworden. Haar bewondering voor Stalin bleek onwankelbaar, ook toen medio jaren vijftig onthullingen over de terreur veel West-Europese communisten de schellen van de ogen deden vallen. De communistische zaak vond in haar een even toegewijde als onwaarschijnlijke voorvechtster: Visser sprak bekakt, ging onberispelijk gekleed en hing aan de luxe van sterrenrestaurants, chique hotels en snelle auto’s (waarmee ze door haar roekeloze rijstijl herhaaldelijk brokken maakte). Haar bezoekers ontving ze in haar lommerrijk gelegen villa in Laren met champagne en kaviaar.

Die hang naar het goede leven was een relict van een opvoeding die ze in ideologisch opzicht had afgeschud. Visser was opgegroeid in een liberaal Joods milieu in Den Haag. Haar vader was de gerenommeerde jurist en laatste vooroorlogse voorzitter van de Hoge Raad, Mr. Lodewijk Ernst Visser. Het niet onaanzienlijke familiekapitaal stelde Mathilde in staat haar eigen weg te gaan. Na een mislukt huwelijk vestigde ze zich eerst in Berlijn en in 1931 in Parijs. De banen die ze ambieerde, vond ze niet. Met des te meer energie stortte ze zich in het avant-garde milieu van beeldend kunstenaars, schrijvers en filmmakers. In Berlijn leerde ze onder anderen de schilder en filmer Hans Richter en de toneelschrijver Bertolt Brecht kennen; in Parijs Max Ernst, Salvador Dalí en Pablo Picasso. In Parijs ontmoette ze ook de Joegoslavische communist Zdenko Reich, met wie ze trouwde. Ondanks hun latere scheiding bleef hij de liefde van haar leven. Na de bezetting van Frankrijk in 1939 vluchtte Visser met de eveneens Joodse Reich naar het neutrale Zwitserland. Van daaruit verleenden ze journalistieke hand- en spandiensten aan het Joegoslavische communistische verzet. Na de oorlog vestigde het paar zich in Belgrado. De relatieve rust van een huiselijk leven hield stand tot 1948, toen Visser scheidde van de overspelige Reich en zich in Joegoslavië onmogelijk maakte door na de breuk tussen Tito en Stalin demonstratief de kant van Moskou te kiezen.

Nog niet eens halverwege het boek komt met Vissers terugkeer naar Nederland een abrupt einde aan haar Europese omzwervingen. Voor haar naoorlogse leven in Nederland trekt Cornelissen meer ruimte uit. Hier raakt het boek de kern van zijn belangstelling. Cornelissen plaatst Visser in het gezelschap van de zogenaamde goudvinken rond de Communistische Partij Nederland (CPN), een gezelschap gefortuneerde sympathisanten met vaak vooraanstaande maatschappelijke posities. Zij steunden de partij financieel, maar deden dat heimelijk om hun goede naam niet op het spel te zetten. Een goudvink in eigenlijke zin, erkent Cornelissen, was Visser niet. Anders dan andere geldschieters droeg zij haar communistische hart immers op de tong. Ondanks haar ruimhartige financiële steun bleek het niet eenvoudig het vertrouwen van de partijtop te winnen. De immer noodlijdende CPN nam graag haar geld aan, maar stond gereserveerd tegenover deze libertijnse bourgeoise, wier handel en wandel in Joegoslavië wat schimmig waren gebleven. Cornelissen roept een claustrofobisch beeld op van de naoorlogse CPN onder de theoretisch begaafde, maar paranoïde partijleider Paul de Groot. Als in een te hechte familie hield men elkaar nauwlettend in het oog, voortdurend verdacht op vermeende klassenvijanden in eigen gelederen. Hier, op eigen terrein, is Cornelissen, die eerder een biografie van De Groot schreef, op zijn best. Trefzeker en met vaart schrijft hij over de dynamische betrekkingen tussen Visser, de inner circle van de CPN, al dan niet geroyeerde partijleden en fellow travellers, tegen het decor van ontwikkelingen op het politieke wereldtoneel: van de Sovjet-infiltratie van titoïstisch Joegoslavië in 1948 en de onderdrukking van de Hongaarde opstand in 1956 tot de ideologiestrijd tussen de Sovjet Unie en Maoïstisch China in de jaren zestig. Die laatste zou ook communistisch Nederland ernstig verdelen en de immer Moskou-getrouwe Visser vervreemden van de CPN-partijtop, die in die jaren een autonome koers voer.

Tussen Lenin en Lucebert is daarom ook een schets van de kleine, gesloten communistische zuil in naoorlogs Nederland. In Vissers betrekkingen tot de partij vond Cornelissen een geschikte aanleiding om het milieu en de netwerken erbinnen in kaart te brengen. Vissers poging om zich in de partij in te kopen maakt haar geval echter te specifiek om te kunnen fungeren als pars pro toto voor de ‘goudvinken’. Niettemin, wie wil weten hoe de CPN in de jaren veertig, vijftig en zestig van de vorige eeuw in een overwegend vijandig maatschappelijk klimaat overeind bleef, vindt in dit boek veel lezenswaardigs. Ook de andere milieus waarin Visser verkeerde roept Cornelissen aan de hand van haar verschillende relaties tot leven. Haar politieke rechtlijnigheid en scherpe tong brachten Visser met menigeen in conflict. Tegelijkertijd maakten haar extraverte karakter en intuïtie om daar te zijn waar ‘het gebeurde’ dat ze iedereen die ertoe deed leek te kennen: het personenregister van Tussen Lenin en Lucebert telt maar liefst negen pagina’s. Jammer is wel dat Cornelissen aan een analyse van de aard en weging van de betekenis van die vele relaties amper toekomt. Het boek is rijk aan anekdotes, overgenomen van dagboekaantekeningen van de hoofdpersoon of opgetekend uit de mond van intimi die danig onder de indruk blijken van Vissers kleurrijke persoonlijkheid. Maar liever dan een petite histoire over het vooroorlogse Parijse kunstenaarsmilieu en Vissers venijnige karakterschetsen van haar onwelvallige tijdgenoten zou je willen lezen tot welke inzichten Vissers contacten met Max Ernst, Pablo Picasso en Tristan Tzara haar brachten. Hoe kwamen die tot uiting in haar visie op kunst en maatschappij? En als we ons beperken tot Visser als kunstcritica: in de recente elfdelige bloemlezingenreeks Kunstkritiek in Nederland, die pretendeert een canon van de twintigste-eeuwse kunstkritiek in ons land te formuleren, is Visser slechts een voetnoot. Is dat terecht? Zelfs als Vissers kunstkritieken ons vandaag weinig meer zouden zeggen, blijft de vraag wat ze in de context van toen betekenden. Als ooggetuige van de vooroorlogse avant-garde genoot Visser onmiskenbaar gezag in de Nederlandse kunstwereld. Maar hoe werkte haar gezag en kennis door in de beeldvorming van die kunst in communistische kring, waar experimentele kunst vaak gold als manifestatie van burgerlijke decadentie? Dergelijke vragen worden in deze met leesbaar plezier geschreven biografie helaas niet gesteld, laat staan beantwoord.