De musical ‘Soldaat van Oranje’ trekt al jaren volle zalen, al is het hier toepasselijker om te spreken van een volle hangar. Deze musical, naar de autobiografie van student en verzetsstrijder Erik Hazelhoff Roelzema, draait om keuzes maken. Wat te doen als een buitenlandse mogendheid het land bezet? In verzet gaan? Zo goed en zo kwaad doorgaan met het normale leven? De kant van de bezetter kiezen?

Dit waren in grote lijnen de keuzes waarvoor de Nederlandse bevolking na de meidagen van 1940 werd gesteld. Het overgrote merendeel van hen koos er – begrijpelijkerwijze – voor de draad al snel weer op te pakken, wat door wetenschappers wel ‘accommodatie’ is genoemd. Historicus Hein Klemann heeft het treffend als volgt omschreven: ‘Na de meidagen van 1940 droogden de meeste Nederlanders hun tranen en gingen weer aan de slag. Ze wilden niets liever dan het gewone leven voortzetten. Duitsland had gewonnen [...]. Aanpassen aan het ongewenste leek de enige mogelijkheid’.1

Hoe gingen Nederlandse studenten om met de dilemma’s waarvoor zij zich geplaatst zagen? Lang heeft zowel in de historiografie alsook onder het grote publiek, zeker in de eerste naoorlogse jaren, het beeld geheerst dat studenten tot de voorhoede van het Nederlandse verzet behoorden en over het algemeen de juiste keuzes maakten. Jeroen Kemperman verwoordt het in zijn vlot geschreven en zeer toegankelijke Oorlog in de collegebanken. Studenten in verzet 1940-1945 als volgt: ‘Een gehavende samenleving [had] dringend behoefte aan verhalen die een zeker herstel van zelfrespect zouden kunnen bewerkstelligen, aan verhalen van standvastigheid en strijdbaarheid als tegenwicht tegen de vernedering van vijf jaar bezetting’ (16). Studenten stonden er, om het populair te zeggen, ‘goed op’, bijvoorbeeld door spontane stakingen in Leiden en Delft, een beeld dat lang robuust is gebleken.

Maar in hoeverre klopt dit beeld? Kemperman onderzoekt op uitstekende wijze of studenten inderdaad zo massaal in verzet kwamen. Hij heeft daarbij steeds een helder oog voor de omstandigheden waaronder studenten hun keuzes moesten maken. Waar eerdere studies zich beperkten tot individuele universiteiten of hogescholen en weinig vergelijkend van aard waren, is juist de vergelijking tussen de verschillende hoger onderwijsinstellingen een van de grote bijdragen van Kempermans boek. De auteur gebruikt daarbij veel mooi primair materiaal en voorziet in een uitputtend overzicht van het studentenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. En dat alles in iets minder dan 300 pagina’s.

De Duitse bezetter stond uiterst wantrouwend tegenover de studenten. In de woorden van Kemperman: ‘Zelfs zeer gematigde vormen van collectief optreden door een deel van de studenten en hoogleraren wekten kennelijk onmiddellijk wantrouwen bij de bezettingsautoriteiten’ (44). Zoals de meeste Nederlanders weer aan de slag gingen, pakten ook de studenten na de capitulatie in mei 1940 weer gewoon hun studie op. Ook het sociëteits- en clubleven werd voortgezet.

Toch vonden al in november 1940 de eerste studentenstakingen plaats als reactie op de door de Duitsers afgekondigde anti-Joodse maatregelen, zoals de ontheffing en later het ontslag van Joodse personeelsleden aan de universiteiten. In Delft en Leiden leidde dit tot openlijke proteststakingen, maar andere universiteitssteden volgden dit voorbeeld niet. Kemperman wijst er hier op dat het besluit om te staken niet zo zwart-wit was als door voorstanders van staking werd voorgesteld. Vooral universiteitsbesturen en hoogleraren waren actieschuw uit bezorgdheid over de continuïteit van het hoger onderwijs. Dit bracht ook studentenorganisaties aan het twijfelen: ‘Het in stand houden van het hoger onderwijs, bij voorkeur met, maar desnoods zonder Joods personeel, was voor hen een doel op zich’ (54).

Kemperman onderscheidt in de geschiedenis van de universiteiten en het studentenleven tijdens de Tweede Wereldoorlog twee duidelijke periodes, die goed passen in de algemene bezettingsgeschiedenis van Nederland. De eerste periode beslaat de beginjaren, waarin de bezetter zich aanvankelijk nog terughoudend opstelde, de vervolging van de Nederlandse Joden uitgezonderd. Tot grofweg eind 1942 ging het voor de studenten en de universiteiten en hogescholen vooral om de vraag hoe zij zich op moesten stellen ten opzichte van bijvoorbeeld anti-Joodse maatregelen, zoals hierboven beschreven. In veel opzichten konden de niet-Joodse studenten en hogere onderwijsinstellingen relatief normaal doorgaan met hun werk. In hun bestaan werden ze in deze periode niet direct geraakt. In de woorden van Kemperman: ‘Het duurde tot in 1943 voordat het in brede kring doordrong dat met traditionele, gematigde en bovengrondse vormen van verzet weinig te bereiken viel’ (273).

Zoals gold voor het algemene verzet in Nederland was ook voor de studenten en hun organisaties 1943 het grote keerpunt. Speelde voor het grootste deel van de mannelijke Nederlandse bevolking gedwongen tewerkstelling in Duitsland in het kader van de Arbeitseinsatz een sleutelrol, voor de studenten was dat de loyaliteitsverklaring van maart-april 1943. Daarin moesten de studenten beloven dat ze zich zouden onthouden van handelingen tegen het Derde Rijk. De overgrote meerderheid van de studenten weigerde dat. Ook hier toont Kemperman op heldere wijze aan dat de redenen daarvoor zeer uiteen liepen. Het is onmiskenbaar dat ‘veel studenten tijdens de tekenkwestie een zeer principieel standpunt hebben ingenomen’ (163) en dat kun je slechts bewonderen. Er waren echter ook heel andere redenen om te weigeren, zoals de angst om als paria te worden beschouwd als je wel tekende. Niet tekenen bracht nogal wat consequenties met zich mee: ‘[het] betekende dat met de studie gestopt moest worden en dat het hele toekomstperspectief, waar al jaren naartoe gewerkt en veel in geïnvesteerd was, overhoop werd gehaald’ (171). Historici hebben verschillend geoordeeld over het niet tekenen van de loyaliteitsverklaring, van zeer lovend tot stellen dat dit eerder een Pyrrusoverwinning was. Kemperman laat zich er niet expliciet over uit, maar toont steeds de nuance, ook wat de Duitse kant betreft. Hij komt tot de conclusie dat het universitaire studentenverzet ‘in hoge mate reactief en incidentgericht was; de thema’s waar dit verzet zich op richtte werden in beginsel door het ritme van de beleidsmaatregelen van de het Duitse bezettingsregime bepaald’ (275).

Het studentenverzet speelt ook een bescheiden rol in het door Leen Dorsman e.a. geredigeerde De Utrechtse student. 1945 tot nu. Armand Heijnen stelt in zijn bijdrage het volgende: ‘Als de Utrechtse universiteit in die vijf zwarte oorlogsjaren ergens karakter heeft getoond, dan was het in het studentenverzet’ (45). In Utrecht zorgde het uitsluiten van Joods personeel voor grote verontwaardiging, al riep de rector magnificus Hugo R. Kruyt de studenten op om van onbezonnen acties af te zien. Wat betreft de loyaliteitsverklaring liepen de Utrechtse studenten in de pas met de rest van Nederland: nog geen 13 procent tekende. Volgens Heijnen was dat ‘mede te danken aan het verbranden van de studentenadministratie. Veel studenten kozen ervoor om onder te duiken en met de studie te stoppen. Het universitaire leven hield daarmee de facto op te bestaan’ (48).

Na de oorlog veranderden de universiteit en de studenten ingrijpend. In De Utrechtse student wordt helder uiteengezet hoe dit proces verliep. Was de Alma Mater lange tijd een nogal gesloten, elitair mannenbolwerk geweest, in de loop van de tijd veranderde dat. Voorspelden de Utrechtse curatoren in 1952 nog, zoals Wouter Marchand hen in een prachtig hoofdstuk over de veranderingen binnen de studentenpopulatie citeert, dat ‘de vrouwenemancipatie, althans de daaruit voortvloeiende aantallen studerende vrouwen, op het totaalgebied van het hoger onderwijs geen groeifactor van betekenis meer is’ (135), tegenwoordig is de meerderheid van de studenten in Utrecht vrouw.

De Utrechtse student is prachtig geïllustreerd en staat vol mooie details. Zo vertelt Leen Dorsman dat de studenten lange tijd veel oorspronkelijk materiaal uit de negentiende eeuw gewoon mee naar huis konden nemen: ‘Dat duurde tot zo ongeveer de eeuwwisseling toen het besluit viel dat alleen materiaal van na 1901 nog mee mocht worden genomen’ (66). Ruben Schalk schrijft in een mooi hoofdstuk over de opkomst van de werkstudent (welke student heeft er tegenwoordig geen bijbaan?), dat studenten, zolang er nog geen studenten-OV bestond, kosten probeerden te ontlopen ‘door strippenkaarten met lijm in te smeren. Op die manier was het stempel later te verwijderen’ (201).

Hoewel de titel van de bundel enigszins misleidend is – de Hogeschool komt nauwelijks aan bod – passeert hierin een breed palet aan onderwerpen de revue: van bijbanen tot studentenverenigingen en van het leven op kamers tot politiek en maatschappelijk engagement. Hoewel het activisme van de jaren zestig en zeventig soms wat naïef aandoet, zou een grotere actiebereid onder de huidige studenten zeker geen overbodige luxe zijn, al zijn er de laatste jaren wel een aantal opvallende studentenacties geweest, zoals in 2015.

De enorme verscheidenheid aan actiegroepen in de jaren zestig en zeventig had volgens Annelies Noordhof-Hoorn (ze zet een flink aantal op een rijtje op pagina 299) lange tijd één gemene deler: ‘Ze hadden allemaal tot doel de maatschappij te veranderen, de wereld te verbeteren. Studenten speelden (wereldwijd) bij dit activisme een voortrekkersrol’ (266). Utrecht, waar evenals elders de politisering in de jaren zestig en zeventig sterk doorzette, vormde daarop geen uitzondering. Een voorbeeld daarvan was het breed gedragen protest in de jaren tachtig tegen de aanleg van de A27 door Amelisweerd, waarbij studenten een belangrijke rol speelden.

De Utrechtse student is een feest van herkenning voor hen die aan de UU hebben gestudeerd of dat nog steeds doen. Want twee uur zitten op die banken in de Pniëlkerk: dat was inderdaad niet te doen, zo herinnert deze recensent zich nog levendig.