‘Het heeft iets parmantigs om één enkel jaar uit te roepen tot het keerpunt van de geschiedenis,’ schrijft oud-journalist Roel Janssen in de inleiding van zijn boek over 1968 (19). Dit is precies het probleem van veel verhandelingen over dit vermeende revolutiejaar. Helaas maakt Jansen zich er zelf ook schuldig aan. Enerzijds plaatst hij de gebeurtenissen uit 1968 in een breder perspectief en stelt hij dat het nodig is aandacht te besteden aan de hele jaren zestig, in het bijzonder aan het tijdvak 1966-1970. Anderzijds roept hij 1968 uit tot jaar van ‘individuele bevrijding en collectieve strijd’ en maakt hij zelfs een vergelijking met 1917, 1945 en 1989, de ‘iconische kantelpunten van de twintigste eeuw’ (19). In het jargon van de jaren zestig schrijft hij: ‘De gevestigde orde wordt overrompeld door het jongerenprotest dat in 1968 als een golf over de wereld spoelt. De maatschappelijke status quo wankelt’ (39). Wie de literatuur erop naslaat beseft echter dat dit nogal overtrokken is.

Dit blijkt ook uit de resterende hoofdstukken. Janssen heeft gekozen voor een landen-specifieke aanpak, waarbij hij ‘de gebeurtenissen niet chronologisch door het jaar heen, maar geografisch [heeft] gerangschikt, als in een journalistieke wereldreis langs de hotspots van het revolutiejaar’ (22). Deze invalshoek levert inderdaad fraaie journalistieke reportages op, maar brengt 1968 als grensoverschrijdend revolutiejaar of kantelpunt niet dichterbij. De hoofdstukken zijn opzichzelfstaande verhalen geworden, waartussen het verband niet expliciet wordt gelegd. Achtereenvolgens behandelt Janssen de opstanden in Parijs, de ‘Praagse Lente’, de oorlog in Vietnam, de politieke en maatschappelijke onrust in de Verenigde Staten, de neergeslagen studentenopstand in Mexico en ten slotte de ontwikkelingen in Amsterdam als ‘Magies Sentrum’.

In alle hoofdstukken maakt Janssen uitstapjes waarvan de relevantie twijfelachtig is, maar het laatste hoofdstuk over Amsterdam is als geheel een vreemde eend in de bijt. Vergeleken met landen als Frankrijk, West-Duitsland en Italië bleef het in Nederland in 1968 vrij rustig. Er waren wel studentenprotesten, zoals tegen het verbod op de leuze ‘Johnson oorlogsmisdadiger’ (de Nederlandse overheid beschouwde dit als beledigend voor een bevriend staatshoofd), maar die noemt Janssen niet. In plaats daarvan gaat hij in op de opkomst van Provo (1965-1967) en enkele andere gebeurtenissen die weliswaar in 1968 plaatsvonden, maar met het verondersteld revolutiejaar weinig te maken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de opening van poppodium Paradiso en de oprichting van de Politieke Partij Radicalen. Hetzelfde zien we in het hoofdstuk over de oorlog in Vietnam, in het bijzonder de passages over het door het Amerikaanse leger aangerichte bloedbad in het dorpje My Lai. Dit vond inderdaad in 1968 plaats, maar werd pas in 1969 wereldkundig. De vraag is wat deze tragedie precies te maken heeft met het jongerenprotest dat de wereld zou hebben overrompeld.

Een probleem van Janssens benadering is dus dat hij van alles in verband brengt met 1968 en het jaar daardoor groter maakt dan het in werkelijkheid was. In plaats van de mythevorming rond dit jaar aan de kaak te stellen of op zijn minst te bevragen, schetst hij het beeld dat we al lang kennen, zij het hier en daar aangevuld met boeiende en vermakelijke anekdotes en wetenswaardigheden. Na vijf decennia is meer afstand tot en reflectie op de jaren zestig wel gewenst. Nog een bezwaar tegen zijn aanpak is dat hij nauwelijks stilstaat bij de contacten tussen studenten en activisten van over de hele wereld. Recent onderzoek van onder meer de Duitser Martin Klimke (van wie Janssen in zijn literatuurlijst wel enkele publicaties noemt), laat zien dat deze transnationale verbindingen een belangrijke verklaring vormen voor de gelijktijdigheid en heftigheid van het maatschappelijk protest. De betrokkenen correspondeerden met elkaar, gingen bij elkaar op bezoek (althans die uit westerse landen) en lieten zich door elkaars ideeën, acties en repertoires inspireren en motiveren. Ook is aangetoond dat een deel van hen zich tot protestacties liet aansporen door diplomatieke vertegenwoordigers uit de ‘Derde Wereld’, zoals uit Cuba en Noord-Vietnam, die in het Westen actief op zoek waren naar steun voor hun zaak. Janssen signaleert de onderlinge contacten soms wel (zo vermeldt hij een bezoek van studentenleider Daniel Cohn-Bendit aan Nederland), maar vanwege zijn landen-specifieke benadering doet hij daar inhoudelijk niets mee. Daarmee negeert hij minstens tien jaar aan nieuw onderzoek. Dat is jammer, vooral omdat Janssen de kracht van de transnationale dimensie van de jaren zestig aan den lijve heeft ondervonden. Als twintigjarige student sociologie reed hij met een stel medestudenten in zijn Peugeot 203 naar de studentenopstanden in Parijs van mei 1968. Hij kreeg er klappen van de Franse politie en vond een veilig onderkomen in een slagerij. ‘De adrenaline pompte door mijn lijf, opwinding en opluchting tegelijk,’ schrijft hij (16). Een analyse van de grensoverschrijdende persoonlijke netwerken is misschien minder aantrekkelijk dan de moord op Martin Luther King of die op Robert Kennedy waarop Janssen uitvoerig ingaat, maar minstens zo belangrijk om te begrijpen waarom studenten en activisten 1968 als zo bijzonder hebben ervaren.

Hoewel dit boek prettig wegleest, bevat het een groot aantal onjuistheden of net-niet-juistheden. Hoe zwaar moeten we daaraan tillen? Is het niet fantastisch dat een ervaren oud-correspondent en veelgeprezen thrillerauteur de moeite neemt de geschiedenis voor niet-historici tot leven te wekken? Ja, dat is prachtig, maar op den duur beginnen de zevenmijlslaarzen tegen te staan. Zo maakt Janssen van Ho Chi Minh een karikatuur door hem te introduceren als ‘opgeleid in Parijs als banketbakker en al jong lid van de Vietnamese Communistische Partij’ (130). Ho behoorde nota bene tot de oprichters van de Franse Communistische Partij en vertrok begin jaren twintig naar Moskou om jarenlang voor de Komintern te gaan werken. Hij was bovendien al veertig toen hij in 1930 samen met anderen het initiatief tot de oprichting van de Vietnamese Communistische Partij nam. Banketbakker schijnt hij wel te zijn geweest, maar niet in Parijs. Een ander voorbeeld is Janssens vaststelling dat het Franse koloniale leger na de nederlaag bij Dien Bien Phu in 1954 was ‘uitgeput’ (130). Politiek gezien was het behoud van Indo-China onmogelijk geworden, maar de troepenverhouding was na de verloren slag nog steeds in het voordeel van de Fransen. Bovendien keek de Vietminh net zo goed reikhalzend uit naar een bestand. Merkwaardig is ook Janssens bewering dat er ‘100.000 Zuid-Vietnamezen’ na de val van Saigon in 1975 werden geëxecuteerd (152). De communistische overname was desastreus voor veel Zuid-Vietnamezen en op de vlucht voor het nieuwe regime zijn duizenden gestorven, maar massale executies hebben niet plaatsgevonden.

Boeken over de dynamische jaren zestig zijn altijd welkom, maar 1968 ‘You say you want a revolution’ biedt te weinig nieuws. Hier is sprake van een gemiste kans. Juist met zijn journalistieke achtergrond en vlotte pen moet het voor Janssen toch mogelijk zijn geweest voorbij het gangbare beeld van 1968 te kijken en recente wetenschappelijke inzichten aansprekend te verwerken.