In 2013 organiseerde het Spoorwegmuseum in Utrecht in het kader van 300 jaar Vrede van Utrecht de tentoonstelling ‘Sporen naar het front. De rol van de trein in oorlogstijd’. Spoorweghistoricus Guus Veenendaal schreef een begeleidend boek Sporen naar het front. Spoorwegen en oorlog, dat in een lacune bleek te voorzien. Een dergelijk overzichtswerk bestond namelijk nog niet. Voor de in 2017 verschenen en op een internationaal publiek gerichte Engelstalige versie van het boek zocht Veenendaal de medewerking van een bevriende Amerikaanse spoorweghistoricus, H. Roger Grant, die vooral de oorlogservaringen van de spoorwegen in de Verenigde Staten verder uitdiepte.

Het resultaat van deze samenwerking is een rijk geïllustreerd boekwerk dat een goed leesbaar overzicht biedt van de grote rol die spoorwegen in de loop van de negentiende eeuw voor de oorlogvoering zijn gaan spelen en die een hoogtepunt bereikte tijdens de beide wereldoorlogen in de twintigste eeuw. De nadruk van het boek ligt op Europa en de Verenigde Staten, maar de auteurs maken diverse uitstapjes naar andere delen van de wereld. Een voorbeeld daarvan is de aandacht voor de ‘Salpeteroorlog’ tussen Chili, Peru en Bolivia (1879-1884). Hoewel de auteurs in de betreffende paragraaf duidelijk maken dat de spoorwegen onmisbaar waren voor de exploitatie van de nitraatmijnen in het ontoegankelijke Zuid-Amerikaanse binnenland, gaan zij op de rol die het spoorwegvervoer tijdens het conflict zelf speelde echter nauwelijks in. Zij beperken zich wat dit betreft tot een algemene opmerking dat de betrokken legers voor het vervoer van hun troepen en goederen van het spoor afhankelijk waren (113). Ook op enkele andere plaatsen in het boek is de balans tussen onderwerp en context wat scheef komen te liggen, maar dat komt de leesbaarheid van de tekst toch vaak wel ten goede. Omdat de auteurs van Rails to the Front zich op een breed publiek richten, kan dit niet als een belangrijk kritiekpunt worden beschouwd.

Rails to the Front is geschreven vanuit de invalshoek van de geschiedenis van de spoorwegen. Daar liggen de expertise en de primaire belangstelling van de beide auteurs. De minder met dat vakgebied bekende lezer zal enkele specifieke spoorwegtermen wellicht moeten opzoeken, maar een groot bezwaar is dit niet. Waar de aandacht in het algemeen uitgaat naar het vervoer van militair personeel en militaire goederen over het spoor, is het hoofdstuk ‘Armor and Artillery on the Rails’ van bijzonder belang. Hierin komen namelijk pantser- en geschutstreinen aan de orde, die een daadwerkelijke gevechtsfunctie hadden. Dit onderwerp had zich wellicht voor een wat uitvoeriger behandeling geleend.

Het moet helaas ook worden gezegd dat de tekst in militair-historisch opzicht af en toe tekortschiet. Een tweetal op Nederland betrekking hebbende voorbeelden mogen dat verduidelijken. Op pagina 85 staat dat de Duitse pantsertrein die op 10 mei 1940 de spoorbrug over de Maas bij Gennep passeerde en diep in Noord-Brabant doordrong, ‘no role in the fighting’ speelde. De trein zelf nam weliswaar niet aan gevechten deel, maar het meegevoerde infanteriebataljon dat achter de Nederlandse linies uitsteeg, deed dat wél. Verder valt op pagina 189 te lezen dat de Spoorwegstaking van 17 september 1944 een einde maakte aan de terughoudendheid van het Nederlandse verzet om aanslagen tegen het spoorvervoer te plegen en van de geallieerde luchtmacht om treinen uit de lucht aan te vallen. Van een dergelijke terughoudendheid is echter geen sprake geweest. Ook vóór de Spoorwegstaking waren de Nederlandse spoorwegen vaak het doelwit van sabotage en bombardementen, waarbij vele tientallen Nederlanders om het leven kwamen.

Vanuit hun gedrevenheid het onmiskenbaar grote militaire belang van de spoorwegen voor het voetlicht te brengen, besteden de auteurs wat meer aandacht aan de sterke dan aan de zwakke punten van het spoorwegvervoer, zoals de ten opzichte van andere vervoersmiddelen grotere kwetsbaarheid voor aanvallen vanuit de lucht. Wellicht heeft deze gedrevenheid er ook toe geleid dat de periode na 1945 onderbelicht blijft. In welgeteld zes pagina’s geven de auteurs in het hoofdstuk ‘Railways and War after 1945’ een zeer kort overzicht van het belang dat de spoorwegen ook na de Tweede Wereldoorlog voor militaire doeleinden behielden, ondanks de grotere concurrentie van andere, vaak flexibelere vervoersmiddelen. Hier komt onder meer de afhankelijkheid van NAVO-landen als Nederland van het transport per spoor van tanks en andere pantservoertuigen aan bod, maar het was welkom geweest als voor de recentere geschiedenis wat meer plaats was ingeruimd.

Gezien de populairwetenschappelijke opzet van Rails to the Front is de keuze geen annotatie op te nemen begrijpelijk. Het boek is wel van een bibliografie voorzien, zodat geïnteresseerde lezers de weg naar al dan niet wetenschappelijke detailstudies kunnen vinden. Voor wetenschappelijke doeleinden is het gemis aan rechtstreekse verwijzingen naar literatuur of primaire bronnen niettemin een gemis. De uitgave oogt verder in alle opzichten goed verzorgd. Slechts enkele kleine inhoudelijke en redactionele foutjes zijn aan de aandacht ontsnapt, maar die ontsieren het geheel niet. Een opmerkelijke inhoudelijke uitglijder is te vinden op pagina 141, waar de auteurs schrijven dat onder de circa honderdduizend Belgische vluchtelingen die in 1914 op de vlucht voor de Duitse legers de oversteek naar Engeland maakten ‘a famous one’ wordt opgevoerd: Hercule Poirot. Kennelijk waren de auteurs zich er niet van bewust dat schrijfster Agatha Christie de Belgische detective niet alleen beroemd heeft gemaakt, maar ook heeft verzonnen.

Deze en enkele andere kritische kanttekeningen daargelaten, is het de verdienste van de beide auteurs dat zij de militaire betekenis van de spoorwegen voor een breed publiek toegankelijk hebben gemaakt.