De boeken van de Britse historicus Antony Beevor (1946) halen steevast internationaal miljoenenoplagen. Beevor behoort hiermee tot een selecte groep Angelsaksische historici die op een gedegen manier en voor een groot publiek met name episoden uit de Tweede Wereldoorlog presenteren. Tot dit gezelschap kunnen we ook auteurs als Max Hastings (1945) en de in 2002 overleden Steven Ambrose rekenen. Beevor, the number one bestselling historian in Britain, zoals hij zich op zijn eigen website noemt, heeft inmiddels, nadat hij in 1982 zijn debuut als geschiedschrijver maakte met een boek over de Spaanse Burgeroorlog, een groot aantal van de belangrijke slagen uit de Tweede Wereldoorlog in Europa te boek gesteld. Vanaf 1991 verschenen werken van hem over de Duitse aanval op Kreta, de bevrijding van Parijs, de gevechten om Stalingrad, de Russische opmars naar Berlijn, D-Day in Normandië, het Ardennenoffensief en nu dan de slag om Arnhem van september 1944. Een indrukwekkende rij bestsellers, die meestal verschenen in of kort voor de lustrumjaren van de respectieve gebeurtenissen. Beevor schrijft een meeslepend en aantrekkelijk proza volgens een ijzersterk concept. Hij verweeft door het verhaal niet alleen de belevenissen en ervaringen van ‘gewone participanten’, maar hij geeft ook met korte, rake schetsen de karaktertrekken en achtergronden van de leidinggevende actoren van het drama weer. Bovendien slaagt hij erin een fraaie compositie te maken van wat in werkelijkheid chronologisch en geografisch gecompliceerde reeksen van gebeurtenissen zijn. De lezer raakt bij hem de weg niet kwijt en anders ondersteunen duidelijke kaartjes de tekst wel. Beevor kan bij de onderwerpen die hij kiest bovendien steunen op overvloedige militairhistorische literatuur.

Beevor past, met het combineren van ‘het grote verhaal’ met persoonlijke getuigenissen, in een rijke Britse traditie van populariserende militair-historische publicaties. Aan de wieg hiervan stonden twee zeer succesvolle auteurs, die hun onderwerpen ontlenen uit de onuitputtelijke Britse ervaring van twee wereldoorlogen: Martin Middlebrook (1932) en Lyn MacDonald (1934). De eerste is een oud-militair en oud-pluimveehouder die in 1971 debuteerde met het nu klassieke The First Day on the Somme; de tweede was een medewerkster van de BBC-radio, die in 1978 They Called It Passchendale uitbracht. Beiden lieten nadien een indrukwekkende reeks zeer succesvolle militaire historische studies het licht zien, waarin dagboekfragmenten, brieven, memoires en interviews met veteranen de basis vormden voor het weergeven van de oorlogshandelingen. Dat door deze benadering juist de emotionele kanten van het oorlogsbedrijf naar voren komen, waarvoor militaire voorkennis niet vereist is, kan in elk geval voor een deel het grote succes van deze boeken verklaren. Bovendien paste het zoeken naar de belevenissen van ‘de gewone soldaat’ goed in de new military history-benadering, die in de jaren zeventig tot bloei kwam. In de academische wereld torent Face of Battle (1976) van John Keegan (1934-2012), in leven docent aan de Britse officiersopleiding Sandhurst, in dit genre boven alle andere uit. Beevor is aan hen allen zeker schatplichtig.

Die schatplichtigheid wordt des te duidelijker wanneer we Middlebrooks boek Arnhem 1944 naast Beevors De slag om Arnhem leggen. Middlebrook publiceerde zijn studie over de gevechten in Arnhem ter gelegenheid van de vijftigjarige herdenking ervan in 1994. Hij koos de voor hem vertrouwde opzet van een beschrijving van de gevechten from below op basis van zeer divers, veelal primair bronnenmateriaal. Hij maakte daarbij de keuze zich tot alleen Arnhem en Oosterbeek te beperken, waardoor zijn boek compositorisch minder uitdagend was dan Beevors werk. Beevor koos ervoor bij de 75-jarige herdenking de volledige operatie Market Garden weer te geven, van de Belgische Kempen tot de Rijnbruggen, maar dan onder de titel Arnhem. The Battle of the Bridges, 1944, vertaald als De slag om Arnhem. Vermoedelijk zullen vooral commerciële redenen tot de prominente plaats van de Gelderse hoofdstad op de cover van de Nederlandse editie hebben geleid. Beevor begint zijn relaas eind augustus 1944, als de uitbraak uit het Normandische bruggenhoofd een feit is en de geallieerde legers hun snelle opmars door Frankrijk en België beginnen. Al snel kiest hij positie in de kwestie van de oorzaak voor het falen van Montgomery’s poging een snelle Rijnoversteek bij Arnhem te bewerkstellingen: ‘Het was van meet af aan en van boven af gewoon een heel slecht plan’ (57), een bewering die weliswaar niet verrassend is, maar die Beevor op geen enkele wijze onderbouwt. Hij analyseert noch de rijke historiografie over deze kwestie, noch gaat hij in op het geallieerde besluitvormingsproces en de interne geallieerde verhoudingen die ten grondslag lagen aan Montgomery’s opvallende beslissing deze riskante operatie door te zetten. Beevors interesse ligt vooral bij de mensen die de operatie daadwerkelijk uitvoerden of die er direct de gevolgen van ondervonden. Bovendien besteedt hij veel aandacht aan Nederland en de rol van Nederlanders. Opvallend bijvoorbeeld is de ruime aandacht voor de Nederlandse inlichtingenofficieren die met de geallieerde troepen mee sprongen, met name Arie Bestebreurtje (1916-1983). Beevor noemt de recente publicatie hierover van Jelle Hooiveld, Operatie Jedburgh (2014), echter niet.

De beschrijving van de militaire operaties, die zich bijna gelijktijdig over een strook van tachtig kilometer afspeelden, is knap vorm gegeven, zodat de lezer goed bij de les blijft. Dat is de belangrijkste verdienste van Beevor. Op militair gebied blijft het boek echter steken in een beschrijving. Analyses van mogelijke alternatieven of van achterliggende motieven blijven achterwege. Beevor volgt het algemeen geaccepteerde beeld en de daarbij behorende kritiekpunten die we eigenlijk al lang kennen, bijvoorbeeld dankzij Geoffrey Powells The Devil’s Birthday (1984) en Robert Kershaws It Never Snows in September (1990). Jack Didden heeft in recente publicaties de gevechten in Noord-Brabant van september 1944 gedetailleerd geanalyseerd, maar Beevor noemt van Didden alleen ouder werk. Beevors conclusie dat de operatie faalde, omdat de geallieerden de kracht van het Duitse leger schromelijk onderschatten (394), is al eerder door vele auteurs getrokken. Militair brengt Beevors boek ons dus weinig verder. Beevors insteek is de persoonlijke beleving van de oorlogsgruwelen, met veel aandacht voor de verzorging van gewonden, de inrichting van de noodhospitalen en de hartverscheurende taferelen die daar plaatsvonden, en voor de ‘zwarte’ kant van de geallieerden: schendingen van het oorlogsrecht (140) en plunderingen, de ‘souvenirjacht’ en zwarte handel door geallieerde soldaten. In het bijeenbrengen van nieuwe bronnen die getuigen van de verschikkingen van de oorlog is Beevor zeker geslaagd en hij spreidt zijn bronnen evenwichtig over de deelnemende nationaliteiten. Het boek vindt zijn kracht dus in inlevingsvermogen, maar in militair en technisch opzicht of wat besluitvorming betreft, leert het ons weinig nieuws.