Wat een goed idee om alle passages die Loe de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog heeft gewijd aan de Jodenvervolging in twee nieuwe banden uit te geven. Dit past ook goed in het fonds van Uitgeverij Verbum dat studies, memoires en bronteksten over de Shoah omvat. Jodenvervolging in Nederland 1940–1945 brengt Het Koninkrijk van de schappen van De Slegte terug in de huiskamer. Dat was al de verdienste van de digitale versie op de site van het NIOD, maar een papieren boek levert naast de illustraties, die in de digitale versie ontbreken, een andere leeservaring op. De grote vraag is wel hoe deze compilatie van Het Koninkrijk anno 2018 gelezen moet worden.

Loe de Jong. Jodenvervolging in Nederland 1940–1945 II omvat ruim 2700 pagina’s verdeeld over twee delen. Deel één bevat een chronologisch overzicht van de stapsgewijze uitsluiting, beroving en deportatie van de Joodse bevolking; in deel twee komen de gevangenneming en de massamoord in de diverse concentratie- en vernietingskampen aan bod, aangevuld met de onderduikgeschiedenis en de naoorlogse nasleep. Het tweede deel is grotendeels gebaseerd op deel 8 van Het Koninkrijk, aangevuld met hoofdstukken uit 9, 10a, 10b en 12 (de epiloog). Deel één is fragmentarischer en bevat hoofdstukken uit de delen 1 tot en met 7 (met uitzondering van deel 2).

Volgens mijn eerste lezing getuigt het werk van de monumentale omgang met de oorlog in naoorlogs Nederland. Het Koninkrijk is in deze lezing niet alleen een inhoudelijk verslag van de oorlogsjaren, maar was ook in vorm en omvang bedoeld als een papieren gedenkteken. De tweedelige reeks doet geen afstand van deze monumentale status. De nieuwe uitgave brengt De Jong terug in de publieke aandacht, maar een uitgave met inleidingen van Boudewijn Smits, de in 2018 overleden Conny Kristel en Frank van Vree, en voorzien van een smetteloos witte omslag, versterkt onbedoeld het gevoel dat we hier eerder met een monument van doen hebben dan met een geschrift dat een heruitgave verdient vanwege de bijdrage die het levert aan het hedendaagse historische debat.

Volgens Smits is Het Koninkrijk een magnum opus en een meesterwerk. Dit zijn problematische kwalificaties. ‘Magnum opus’ is een cliché en is misschien te gebruiken om een werk te plaatsen binnen het oeuvre van een auteur, maar hier dient het vooral als een loftuiting tout court. De kwalificatie ‘een meesterwerk’ is een soortgelijke glimmende rode strik, waartegen geen verweer mogelijk is. Smits meent dat Johan Huizinga ‘op eenzame hoogte als de beste’ staat, waarmee hij impliceert dat De Jong een eervolle tweede is. In Van Vrees’ inleiding is de grootste held eerder Raul Hilberg, de historicus die wel op succesvolle wijze bronnenonderzoek met een analytisch perspectief combineerde en zo de internationale onderzoekagenda blijvend beïnvloedde inzake het besluitvormingstraject en aangaande de posities van daders tegenover die van ‘medeplichtigen’ en ‘omstanders’. Jammer genoeg heeft Van Vrees’ bevlogen analyse van de internationale historiografie geen parallel in de summiere schets van de Nederlandse geschiedschrijving sinds De Jongs Het Koninkrijk waarin bovendien te veel wordt vertrouwd op historiografische artikelen.

Een tweede lezing zie ik opdoemen in Smits typering van Het Koninkrijk als een levenswerk. Daar zit natuurlijk wel wat in als iemand 35 jaar lang en tot ver na de pensioengerechtigde leeftijd gestaag en onverstoorbaar doorwerkt aan opeenvolgende delen. Maar Smits schrijft ook dat De Jongs wetenschappelijke geschiedschrijving ‘tevens een persoonlijk verhaal [is] verweven met zijn achtergrond als Joods overlevende’. Is Het Koninkrijk in deze betekenis een levenswerk? Dat lijkt moeilijk te betwisten. Toch valt juist op – het is al vaker opgemerkt – dat De Jong, anders dan Presser, zijn eigen persona zo veel mogelijk buiten zijn relaas liet. Kristel stelt in haar lucide inleiding dat De Jong de subjectpositie van de overlevende het zwijgen had opgelegd, zelfs zo dat het hier en daar ging wringen. Die afwezigheid van De Jong als getuige en als direct door de oorlog getroffene zorgt ervoor dat je opschrikt wanneer de historicus de lezer niet slechts gezaghebbend aanspreekt. Ronduit curieus is dat De Jong het militaire regiem in kamp Dachau illustreert aan de hand van een anekdote over hoe hij op een wandeltocht door de Eiffel bij het opmaken van zijn bed door de jeugdherbergouders werd ‘gekoeioneerd’ (1571). Dramatisch is daarentegen het relaas over zijn eigen vluchtpoging via IJmuiden in mei 1940 (259). Hoe interessant zou het zijn geweest als De Jong zich in zijn epiloog niet alleen had opgesteld als chroniqueur van de naoorlogse geschiedenis van moeizame opvang, rechtsvervolging en herinnering, maar ook had laten zien welke plaats hij zelf in die naoorlogse geschiedenis had vervuld. Dat was een enorme narratieve stap geweest.

Het is algemeen bekend dat De Jong, hoewel hij een wetenschappelijke maatstaf zei te hanteren, in zijn schrijven niettemin een breed publiek voor ogen had, dat hij aan zich had gebonden door middel van zijn televisieoptredens en publicaties in de eerste naoorlogse decennia. Toen in 1967 het eerste deel van Het Koninkrijk van de pers rolde, werden daarvan maar liefst 200.000 exemplaren verkocht. Dit is een aantal waarvan de gemiddelde historicus niet eens durft te dromen. De Jongs vlotte pen en voornamelijk politiek interpreterende stijl, met bijvoorbeeld in deel 1 talrijke biografietjes van spilfiguren als professor David Cohen en Hans Calmeyer, maar ook Ferdinand aus der Fünten en Willy Lages, zorgen ervoor dat de duizenden pagina’s gemakkelijk leesbaar zijn. Prettig is de soms lichte, spottende of cynische toon. In een inleidende paragraaf over de Joodse emancipatie en de bestendigheid van het antisemitisme in Europa, noteert De Jong, tongue in cheek: ‘Inderdaad, het antisemitisme in Nederland was gering. Het was er wel’ (480). Hierna volgen twaalf pagina’s waarin haarfijn alle verhulde vormen van antisemitisme worden blootgelegd (waarmee ook de groei van het antisemitisme tijdens de bezetting in perspectief wordt geplaatst [1312 e.v.]). De vele citaten uit dagboeken en memoires of uit een door een getuige direct naar het NIOD gestuurde brief wisselen de stortvloed aan getallen en percentages goed af. Tegenover deze stilistische mix staan wel weer veel passages in het Duits, Frans (een vijfregelig citaat van Voltaire!) of Latijn.

Om nog eenmaal op Smits’ inleiding terug te komen: hierin wordt met optimisme gesproken over de actualiteit van Het Koninkrijk. Het zal volgens Smits gelezen blijven worden ‘als bron’. Daarmee bedoelt hij waarschijnlijk dat de delen bruikbaar zijn vanwege de opgenomen gegevens. Het geheel is overzichtelijk, zo veel mogelijk onderbouwd met getallen en nauwkeurig, in deel twee, in de kenmerken van de verschillende concentratiekampen. De kracht is gelegen in het Nederlandse perspectief, waardoor Het Koninkrijk gelezen kan worden naast internationale studies. Zo volgt De Jong in deel twee van deze uitgave nauwgezet de sporen van gedeporteerde Nederlanders. Met betrekking tot Sobibor, waarover relatief weinig bekend is, laat zijn relaas zien hoe de verschillende routes naar de onvermijdelijke dood leidden en hoe dit verder te onderzoeken.

In stilistische zin is het interessant na te gaan hoe De Jong verschillende verhaallijnen achter elkaar heeft gezet. Hij koos er zeker niet voor om alleen een chronologische lijn aan te houden. In deel 2 – het oude deel 8 – valt op hoe verschillende narratieve structuren naast elkaar functioneren: eerst een chronologie van het kampsysteem en het concentratiekamp als systeem, vervolgens uiteenzettingen van een reguliere kampdag en een typering van de kapo. Tot slot volgen geschiedenissen van de verschillende kampen, eerst in Nederland, dan in de rest van Europa. Ook daar is de volgorde niet chronologisch, maar naar wat Nikolaus Wachsmann in KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen (2015) ‘gradaties van lijden’ heeft genoemd. De gelaagde opbouw van dit deel zorgt er overigens voor dat vele honderden pagina’s zijn gewijd aan het lot van niet-Joodse gevangenen. Hier schijnt de oude structuur van Het Koninkrijk door – met op zijn hoogst een door de hele reeks verspreide aandacht voor de Jodenvervolging.

De Jongs werk is, met andere woorden, meer dan een bron. De twee delen tonen een visie op de Jodenvervolging; een narratief raamwerk, waarin 1940–1945 niet in de eerste plaats als de bezetting van Nederlands grondgebied wordt behandeld, maar als een grensoverschrijdend Europees moorddadig oorlogsdrama. Loe de Jong schreef het hoofdstuk over de bezetting van Nederland in 2700 pagina’s en bracht het begrijpelijkerwijs niet meer op om dit in een vergelijkend perspectief te plaatsen.