Internationaal is de berechting van Duitse oorlogsmisdadigers uitgegroeid tot een belangrijk onderdeel van het onderzoek naar Transitional Justice na de Tweede Wereldoorlog. Een goed hulpmiddel hierbij is de publicatie van Duitse vonnissen betreffende oorlogsmisdaden onder redactie van onder andere Dick de Mildt (online beschikbaar op http://www.junsv.nl/). In Duitsland verschenen de afgelopen twee decennia verschillende proefschriften over de berechting van oorlogsmisdadigers. Hierin ging in het bijzonder aandacht uit naar de jaren zestig, toen op initiatief van de Zentrale Stelle der Landesjustizverwaltungen zur Aufklärung nationalsozialistischer Verbrechen eerder aan de rechtsgang ontkomen oorlogsmisdadigers in hoog tempo in het vizier kwamen van justitie. Door politieke onwil en juridische obstakels bleek het echter vaak moeilijk deze misdadigers ook daadwerkelijk al dan niet zwaar te bestraffen.

Deze fascinerende clash tussen het streven naar gerechtigheid enerzijds en het politieke en maatschappelijke verlangen het verleden te laten rusten anderzijds, spreekt ook niet-Duitse historici aan. Een aantal van hen heeft zich gebogen over mediagenieke, invloedrijke of juist onbekende processen tegen oorlogsmisdadigers, zoals de zogenaamde ‘vervolgprocessen’ van Neurenberg en de Auschwitzprocessen. Zelfs in de populaire cultuur duikt de berechting van oorlogsmisdadigers op. Denk aan speelfilms als Im Labyrinth des Schweigens en Der Staat gegen Fritz Bauer, en aan Philippe Sands non-fictie bestseller East West Street over de juristen die vormgaven aan de tijdens het eerste proces van Neurenberg gehanteerde definitie van misdrijven tegen de menselijkheid.

In Nederland is de historiografie over de bestraffing van Duitse oorlogsmisdadigers beperkter dan in Duitsland. Naast het werk van de jurist Frits Rüter en Hinke Piersma’s proefschrift over de Drie van Breda komt het thema vooral aan bod als epiloog van studies over de bezettingsperiode. Daardoor komt de bestraffing van Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland minder vaak in Nederlandse publicaties voor dan de bestraffing van Nederlandse collaborateurs, hoewel ook op dat gebied nog heel wat te ontdekken valt. De afgelopen jaren zijn de individuele strafdossiers van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) steeds meer gebruikt door academici, studenten, familieleden en andere geïnteresseerden. Opvallend is dat deze dossiers vooralsnog voornamelijk worden gebruikt om informatie in te winnen over de oorlogsperiode zelf. Dit is natuurlijk legitiem zolang voldoende bronnenkritiek wordt toegepast, maar eigenlijk zijn deze bronnen veel beter geschikt voor onderzoek naar de naoorlogse berechting van collaborateurs en oorlogsmisdadigers in Nederland. In het kader daarvan zijn de bronnen immers ontstaan en dit is waar ze primair over handelen.

De Mildt heeft in zijn boek De rechter en de deporteurs deze bronnen inderdaad gebruikt om de berechting van oorlogsmisdadigers in kaart te brengen. Op basis van onder andere deze CABR-dossiers laat hij zien hoe een aantal hoofdverantwoordelijken voor de Jodenvervolging in Nederland is berecht, waaronder hoofd van de Sicherheitspolizei in Den Haag en jurist Wilhelm Harster, die eind jaren veertig in Nederland en in de jaren zestig in Duitsland voor de rechter verscheen. De Mildt bekijkt beide rechtszaken en de manier waarop ze tot stand kwamen om erachter te komen hoe de Nederlandse en Duitse justitie omgingen met het misdrijf volkerenmoord en met alle ethische, juridische en morele problemen en vragen die de bestraffing daarvan met zich meebrachten, aangezien genocide als juridische term pas in de jaren veertig van de vorige eeuw werd gemunt.

Een vraag die bij de rechtszaak tegen Harster in Nederland opkwam en al een rol speelde bij de berechting van andere Duitse kopstukken, was wat de verdachte wist van het lot van de mensen die gedeporteerd werden. Deze vraag raakt aan de discussie naar aanleiding van Bart van der Booms boek Wij weten niets van hun lot over wat ‘gewone’ Nederlands wisten of hadden kunnen weten van de uiteindelijke bedoeling van de Jodenvervolging. De Mildt voegt hier een nieuw element aan toe: hoe dacht de naoorlogse rechtbank over de vraag naar de kennis van de organisatoren van de Jodenvervolging? En welke invloed had dat op de strafmaat? Aanleiding voor deze vragen is natuurlijk het gegeven dat de verdachten ontkenden dat ze op de hoogte waren geweest van het lot van de gedeporteerden. Harster bijvoorbeeld beweerde dat hij na de bevrijding voor het eerst hoorde dat Joden in Auschwitz vergast waren. De rechtbank trok die verklaring niet in twijfel en de rechter veroordeelde Harster tot een gevangenisstraf van twaalf jaar.

Volgens De Mildt was deze milde straf het gevolg van zowel het algemene oordeel over Schreibtischmörder als ook van aan de verdachte zelf verbonden factoren. De rechters wisten zich niet goed raad met de door hoge ambtenaren gepleegde ‘structuurcriminaliteit’, waar de Jodenvervolging onder viel. De journalist Theo Gerritse wees er recentelijk in zijn proefschrift over Hanns Albin Rauter op dat het verschil in publiek profiel tussen de voor de bevolking weinig zichtbare organisator Harster en de tijdens de bezetting veel bekendere en alom gevreesde Rauter waarschijnlijk verklaart waarom de twee oorlogsmisdadigers op verschillende wijze berecht werden. Waar Harster er met een gevangenisstraf vanaf kwam, kreeg Rauter de doodstraf en werd geëxecuteerd. De Mildt voegt daaraan toe dat niet-strafrechtelijke overwegingen ook op andere vlakken een rol speelden in de berechting van Harster. Niet alleen werd de verdachte door procureur-fiscaal J. Zaaijer, een van de topstukken binnen de Bijzondere Rechtspleging, beschouwd als een ‘fatsoenlijk man’, De Mildt suggereert ook dat Harsters kennis over collaboratie van de Nederlandse overheid de integriteit van het teruggekeerde bestuurlijke establishment in gevaar kon brengen en dat Harster daarom niet hard werd aangepakt.

Interessant is dat het oordeel over Harster binnen de rechterlijke macht werd betwist. In zijn pleidooi tegen Harsters medewerker Willy Lages ging C. van Rij, de dienstdoende procureur-fiscaal (de openbare aanklager binnen de Bijzondere Rechtspleging), tekeer tegen het vonnis tegen Harster. Zulke openlijke kritiek op een vonnis in een andere zaak zegt niet alleen veel over de complexiteit, de gevoeligheid en het gebrek aan uniformiteit in de Bijzondere Rechtspleging, maar ook over de habitus van de betrokken juristen. In principe lieten de professionele gedragsregels het niet toe de uitspraak van een collega te bekritiseren, maar de coulante bestraffing van Harster vormde hierop volgens de procureur-fiscaal een uitzondering vanwege de ‘schending van de aan de bevolking gedane beloften’ van gestrengheid ten opzichte van oorlogsmisdadigers. De Mildt besteedt terecht uitgebreid aandacht aan deze interne kritiek en geeft zo een bijzonder kijkje in de hoofden van de bij de Bijzondere Rechtspleging betrokken juristen.

Tijdens de Duitse rechtszaak tegen Harster en twee van zijn medewerkers gaf de eerste in 1967 wél toe al tijdens de bezetting te hebben geweten dat de meeste gedeporteerde Joden werden vermoord. Deze schuldbelijdenis werd beloond met een minder zware aanklacht. Uiteindelijk werd Harster in München veroordeeld tot vijftien jaar tuchthuis. Dit was een relatief zware straf, maar voor een deel werd de schuld van de Jodenvervolging, zoals vaker, naar boven afgeschoven. Mensen als Harster hadden gehoorzaam de opdrachten uitgevoerd van de allerhoogste verantwoordelijken: Hitler en Himmler.

De Mildt heeft met dit boek een belangrijke bijdrage geleverd aan het nog verder te ontwikkelen onderzoek naar de berechting van oorlogsmisdadigers in Nederland. Hij stelt tal van interessante vragen die soms de strafrechtelijke procedure overstijgen, zoals wanneer hij zich afvraagt of het überhaupt mogelijk is tot een bevredigend en ‘rechtvaardig’ oordeel te komen in de berechting van iemand die medeverantwoordelijk is voor de dood van duizenden mensen. In meer algemene zin nodigt dit beknopte boek uit tot een bredere reflectie op rechtszaken die behalve juridische duidelijk ook politieke en ethische aspecten hebben.