Wie denkt aan tijdgenoten van Karel de Grote zal niet snel denken aan mannen die liefde, zorg voor elkaar en rechtvaardigheid hoog in het vaandel hadden staan, maar eerder aan ruwe krijgsheren voor wie geweld de basis van hun macht was. Andrew Romig, hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van New York, schetst in zijn eerste boek echter een ander beeld. In Be a Perfect Man. Christian Masculinity and the Carolingian Aristocracy wil hij laten zien dat naastenliefde en rechtvaardigheid kernpunten waren in het mannelijkheidsideaal van de Karolingische elite.

De kern van Romigs goed gestructureerde betoog is dat de Karolingers een deel van hun mannelijk gezag baseerden op het idee dat zij zich door het tonen van naastenliefde en rechtvaardigheid symbolisch konden verbinden met het goddelijke, ondanks hun seculiere levenswijze. Vanaf de zesde eeuw zou dit concept in navolging van paus Gregorius de Grote gebruikt worden ter legitimatie van het christelijk gezag van leken. Bovendien konden aristocratische mannen zich beter dan niet-aristocraten richten op de naastenliefde; door oog te hebben voor de medemens konden zij Gods wil volgen en werden zij daarbij niet afgeleid door aardse verleidingen. Daarom zou God de Karolingers goed gezind zijn en zou Hij voor voorspoed in het Karolingische Rijk zorgen. Romig legt uit dat vooral Karel de Grote van dit idee profiteerde, omdat het een middel was om de elite in zijn grote diverse rijk een christelijke samenhang te geven. Nadat het ideaal van naastenliefde tijdens de regeringstijd van Karels zoon Lodewijk de Vrome een korte opleving had doorgemaakt, verdween het na de oorlog tussen de kleinkinderen van Karel de Grote. Het christelijke mannelijkheidsideaal van zorg en naastenliefde kon vanwege deze machtsstrijd niet door de edelen in praktijk worden gebracht, waardoor er definitief een scheiding kwam tussen de aristocratische elite en de kerkelijke elite, met daarbij behorende, gescheiden taken.

Romig heeft zijn studie op heldere wijze in de bestaande historiografie over het gewenste gedrag van de Karolingische adel geplaatst. Volgens Romig wordt het huidige onderzoek naar het Karolingische mannelijkheidsideaal gekarakteriseerd door de veronderstelde spanning tussen het christelijk ideaal van naastenliefde en rechtvaardigheid enerzijds en de masculiene krijgerscultuur van de Franken anderzijds. Dit komt, zo stelt hij, doordat historici als Thomas F.X. Noble en Rachel Stone vooral gekeken hebben naar de gedragskenmerken van de adel zoals die in vroegmiddeleeuwse bronnen worden beschreven. Romig daarentegen meent dat er vooral naar het ideologische proces achter het mannelijkheidsideaal gekeken moet worden om de spanning tussen het ideaal en de cultuur op te lossen. Hij doet dit door vooral te kijken naar geschriften van christelijke denkers als Paulinus van Aquilea, Alcuinus van York en Godschalk van Orbais. Deze geestelijken wilden het christelijk mannelijkheidsideaal vormgeven en beïnvloeden door middel van hun geschriften. Dat lijkt ook de reden te zijn waarom de masculiene krijgerscultuur van de Franken in Romigs studie naar de achtergrond verdwijnt.

Vooral goed aan Be a Perfect Man is dat het boek op heldere wijze een overzicht geeft van toenmalige ideeën over goed mannelijk én christelijk gedrag. Romig lukt het daarbij bestaande aannames te weerleggen of te nuanceren. Zo maakt hij in het eerste hoofdstuk duidelijk dat het christelijke ideaal van een vroom leven goed samen kon gaan met wereldlijke zaken als seksualiteit of zelfs bepaalde vormen van geweld, zolang die maar in balans waren met daden waaruit naastenliefde en rechtvaardigheid bleek. Volgens veel vroegmiddeleeuwse christelijke auteurs waren goede christelijke mannen daarom zeker niet alleen monniken die in een afgelegen klooster een ascetisch leven leidden. Edelen konden net zo goed voldoen aan het ideaal van de christelijke auteurs, zolang zij voor hun naaste omgeving zorgden en geweld proportioneel en met terughoudendheid gebruikten.

Toch blijft het de vraag of Romig de spanning echt kan wegnemen tussen het christelijke ideaal en de masculiene krijgerscultuur van de Franken, een spanning die volgens hem steeds terugkomt in de bestaande historiografie. Dit probleem wordt deels veroorzaakt door het gebrek aan representativiteit van de bronnen, die vrijwel allemaal van de hand van geestelijken zijn. Hierdoor wordt slechts één kant van het christelijk ideaal belicht. Zo wordt Lodewijk de Vrome in de bronnen gepresenteerd als een voorbeeld van een christelijke koning, omdat hij rechtvaardig en vergevingsgezind zou zijn geweest. Toch gebruikte juist de aristocratische elite onder leiding van zijn zoons keer op keer geweld tegen Lodewijk de Vrome. De geestelijken die in de door Romig gebruikte bronnen voorkomen, merken op dat Lodewijk de Vrome misschien wel te vergevingsgezind was. Doordat Romig amper geschriften van niet-geestelijken in zijn onderzoek heeft betrokken, worden de motieven van de gewelddadige edelen niet toegelicht en wordt het niet duidelijk waarom zij het christelijk ideaal niet in praktijk brachten.

Bovendien krijgt de lezer het idee dat de spanning tussen ideaal en praktijk inherent is aan de burgeroorlog tussen de erfgenamen van Lodewijk de Vrome. Illustratief is het leven van Dhuoda van Septimania, de schrijfster van de Liber Manualis die door Romig als een van de weinige niet-geestelijke bronnen wordt gebruikt. Geïnspireerd door, onder andere, het werk van Alcuinus van York spoorde Dhuoda haar zoon aan zich als een man volgens het christelijk ideaal te gedragen. Haar zoon volgde echter het voorbeeld van zijn vader en gebruikte geweld om in opstand te komen tegen zijn eigen vorst, wat hem, net als zijn vader, het leven kostte. Het ideaal van naastenliefde en het spaarzaam gebruik van geweld lijken ook hier ver weg te zijn. Het is dan ook maar de vraag of de spanning tussen ideaal en praktijk opgeheven kan worden.

Romigs studie biedt enerzijds een interessant overzicht van de ideeën over hoe de Karolingische elite zich volgens de toenmalige geestelijkheid als goede christelijke mannen moesten gedragen. Aan de andere kant biedt Be a Perfect Man aanknopingspunten voor verder onderzoek, omdat de spanning tussen het christelijke ideaal en de praktijk van geweld onder de Franken door dit boek nog steeds niet is weggenomen.