De organisatie van gemeenschappen in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch kent vanaf de middeleeuwen tot het einde van het ancien régime een dynamische ontwikkeling. Deze ontwikkeling werd in het verleden doorgaans bestudeerd door historici die geïnteresseerd waren in lokale politieke en juridische instellingen. Hun onderzoeksresultaten leverden echter vaak slechts een beeld op van afzonderlijke gemeenschappen, vastgelegd in vele lokale dorps- en stadsgeschiedenissen, zoals die van Jean Coenen over verschillende Noord-Brabantse dorpsgemeenten en die van Adrianus Marinus Frenken over de stad Helmond. In Martien van Asseldonks in 2002 verschenen vergelijkende studie naar de instellingen in de Meierij wordt dit beeld al genuanceerd.

Ook Lia van Zalinge-Spooren wil nadrukkelijk uitstijgen boven het beperkte perspectief van lokale geschiedschrijving. Ze doet dat door middel van een vergelijking van de organisatie van verschillende gemeenschappen in Peelland, een van de kwartieren van de Meierij. In Gemeint en gemeenschap bestudeert ze de organisatie van gemeenschappen aan de hand van hun jaargeboden. Dit zijn regels die gemeenschappen in veel gevallen zelf op mochten stellen voor het beheer van hun gemene gronden (of gemeintes) en deze regels werden jaarlijks vernieuwd. De heer van deze gemene gronden, hetzij de hertog van Brabant of een lokale edelman, stelde wel de kaders op in een uitgiftebrief waarmee hij deze aan een of meerdere gemeenschappen had toegezegd. Al in de middeleeuwen bestonden gemene gronden niet alleen uit door de gemeenschap gedeelde gronden, maar ook uit percelen die particulier konden worden verbouwd en verkocht. Deze percelen moesten na de oogst wel open blijven liggen, zodat alle leden van de gemeenschap er vee konden weiden. Gedurende de zestiende en zeventiende eeuw veranderden de bezitsverhoudingen in de gemeintes, omdat de eigenaren van particuliere percelen deze steeds meer als hun eigendom gingen zien. Ook stelden gemeenschappen en bestuurders steeds meer regels op om de gemeintes zo profijtelijk mogelijk te gebruiken. Steeds zochten gemeenschappen een balans tussen vraag en aanbod. Zo mocht in 1499 in de Bakelse gemeint iedere rechthebbende nog heide maaien, maar was dit in 1627 alleen nog toegestaan aan veehouders (181). Andere bepalingen regelden hoeveel turf gebruikers mochten steken of hoeveel vee ze mochten weiden. Met haar vergelijkende studie van de jaargeboden zoekt de auteur naar verbanden tussen de ontwikkeling van de organisatie van de gemeintes, de organisatie van gemeenschappen en het ontstaan van lokaal bestuur.

De focus van de studie ligt op de zestiende en zeventiende eeuw, omdat de meeste jaargeboden pas bewaard zijn vanaf de zestiende eeuw. In het eerste deel van haar boek onderwerpt de auteur de overgeleverde jaargeboden aan een uitgebreide inhoudelijke vergelijking. Dit levert veel specifieke gegevens op over regels met betrekking tot het gebruik van particuliere percelen en publieke delen van de gemeintes (hoofdstuk 4) en de organisatie van de gemeenschappen (hoofdstuk 5). De belangrijkste conclusie die de auteur hier trekt is dat de gebruiksgemeenschappen van gemeintes in Peelland voornamelijk exclusieve groepen waren. Voor individuen die de gemene gronden wilden bewerken of gebruiken volstond het lidmaatschap van de gemeenschap immers niet, maar ze moesten ook aan bepaalde financiële voorwaarden voldoen (vooral: kunnen bijdragen aan de lasten van de gemeenschap). Dit sloot inwonende familieleden, personeelsleden en armen natuurlijk uit. Mensen van buiten de gemeenschap konden zich eveneens inkopen in de gemeintes, maar alleen ter verkrijging van beperkte gebruiksrechten. Opvallend is het gegeven dat ook regels die niets met het gebruik van de gemeintes te maken hadden hun weg naar de jaargeboden vonden. Dit zijn regels die op een andere manier relevant waren voor leden van de gemeenschap, bijvoorbeeld met betrekking tot handel, zondagsrust en de verspreiding van besmettelijke ziektes.

Het tweede deel van het boek volgt de verandering in organisatie van de jaargeboden (hoofdstuk 8), het ontstaan van bestuursstructuren in de Peellandse gemeenschappen (hoofdstuk 9) en de uitbreiding van het publieke domein (hoofdstuk 10). Het ontstaan van bestuursstructuren wordt door de auteur niet ingebed in een proces van staatsvorming en centralisering, maar gevolgd vanuit de interne organisatie van de gemeenschappen. Zowel in de organisatie van gemeenschappen als van de jaargeboden vond namelijk een verschuiving plaats van besluitvorming door belanghebbenden naar besluitvorming namens belanghebbenden. In de loop van de zeventiende eeuw (in de stad Helmond al vanaf eind veertiende eeuw) namen bestuurders steeds vaker het initiatief om regels op te stellen met een beroep op goede ‘politie’: ze ontleenden het recht regels op te stellen aan hun plicht om bij te dragen aan het welzijn van de samenleving. De auteur toont overtuigend aan hoe deze toenemende regelgeving vanuit colleges van bestuurders voldeed aan een behoefte die door de leden van de gemeenschappen zelf werd gevoeld.

De tussenliggende hoofdstukken (6 en 7) dienen om de kloof tussen de uitgifte van de gemene gronden vanaf ca. 1300 en de bewaarde jaargeboden vanaf ca. 1500 te dichten. Door de overgeleverde jaargeboden te vergelijken met de uitgiftebrieven van de gemene gronden, reconstrueert de auteur de laatmiddeleeuwse ontwikkeling van de jaargeboden. Aan de hand van een vergelijking van de jaargeboden met boetes in de Peellandse schoutsrekeningen uit de late vijftiende en zestiende eeuw maakt de auteur aannemelijk dat jaargeboden hebben bestaan in alle gemeenschappen die recht hadden op zelfstandig beheer van hun gemeint (hoofdstuk 7). De overlevering van jaargeboden was afhankelijk van het bestaan van een centrale archivering, met andere woorden: of een complex gemene gronden binnen de jurisdictie van één schepenbank viel die hiervoor zorg kon dragen.

Door zich niet te concentreren op de ontwikkelingen binnen een enkele gemeenschap weet de auteur uit te stijgen boven een strikt lokaal perspectief, zoals ze zich in de theoretische introductie expliciet voorneemt (63). Toch was een bredere geografische inkadering wenselijk geweest. De brongerichte benadering biedt veel inzicht in details over het leven en de organisatie ervan binnen de verschillende Peellandse gemeenschappen, maar hierdoor zijn vooral de hoofdstukken 4 tot en met 7 tamelijk descriptief van aard en laat de overkoepelende analyse daar op zich wachten tot de hoofdstukconclusies. De conclusies blijven veelal beperkt tot de Peellandse context en vergelijkingen met naburige regio’s of vorstendommen worden maar zelden getrokken, waardoor helaas niet duidelijk wordt hoe de situatie in Peelland zich verhield tot die in andere gebieden. Ook de theoretische discussie over middeleeuwse en vroegmoderne gemeenschappen dient vooral om de Peellandse situatie te duiden, terwijl de gezochte aansluiting bij het werk van Karl Siegfried Bader en de communalismetheorie van Peter Blickle (27–39) de basis had kunnen zijn voor een vergelijking met naburige regio’s.

Hier staat tegenover dat de keuze voor de diepte zeker haar vruchten afwerpt. Het boek biedt een afgerond verhaal en een vrij volledig beeld van de ontwikkeling van de jaargeboden, de organisatie van gemeenschappen en hun omgang met de gemeintes. Door niet te vertrekken vanuit de instituties maar vanuit de regels die gemeenschappen zelf opstelden, weet de auteur dicht te naderen tot wat leden van gemeenschappen bezighield. Hiermee biedt ze tegenwicht tegen meer traditionele studies die de organisatie van gemeenschappen bestuderen via instituties of in het kader van staatsvormingsprocessen. Dit alles maakt dat Gemeint en gemeenschap niet slechts een detailstudie is van de ontwikkeling van jaargeboden binnen een kwartier van een Brabants district, maar ook relevante onderzoeksperspectieven biedt voor andere regio’s en vorstendommen in de Nederlanden.