Wie ook maar enige kennis heeft van de geschiedenis van de Nederlandse sociaaldemocratie, kan Marinus van der Goes van Naters niet zijn ontgaan. In de recente decennia had dat vooral te maken met de hoge leeftijd van de man. Toen hij in 2005 als 104-jarige stierf, waren de honderdplussers zeldzamer dan nu. Zoals dat ook bij Willem Drees het geval was, werkte Van der Goes van Naters’ gevorderde leeftijd statusverhogend. Journalisten en jonge sociaaldemocraten vonden het interessant en een eer om bij de excentrieke Van der Goes op bezoek te gaan in zijn huis in Wassenaar. Onveranderlijk konden ze dan rekenen op gekruid commentaar op de politiek in het algemeen en die van de sociaaldemocraten in het bijzonder. Hij had inmiddels de status van icoon bereikt. En een icoon verdient een biografie. Aan de inmiddels indrukwekkende reeks levensbeschrijvingen van vooraanstaande Nederlandse sociaaldemocraten is nu een boek over ‘de rode jonker’ toegevoegd. Er bestonden al diverse artikelen over en audiovisuele portretten van Van der Goes, naast de in 2007 gepubliceerde, aan hem gerichte brieven van zijn vriend Herman Wiardi Beckman.

Historica Anne-Marie Mreijen onderzoekt in haar proefschrift waarop de status van Van der Goes is gebaseerd. Hij droeg tijdens zijn leven actief bij aan de opbouw van zijn imago. Mreijen analyseert die beeldvorming en gaat na in hoeverre die wordt gesteund door de inhoud van zijn activiteiten. Daartoe onderzocht ze zijn autobiografie Met en tegen de tijd (1980) en talloze andere bronnen die haar hoofdpersoon in een zorgvuldige selectie naliet, zoals interviews en briefwisselingen met diverse vrienden en collega’s. Het resultaat is een rijk boek dat leest als een intellectuele oefening, omdat Van der Goes vooral dat blijkt te zijn: een intellectueel in de politiek. Als aristocraat was hij een eenling in zijn partij, een positie waarover hij zich naar buiten toe ongemakkelijk betoonde, maar die hij bij nader onderzoek toch belangrijk vond. Vooral in zijn latere leven deed hij er veel aan om de familiegeschiedenis en de daaraan verbonden adellijkheid in ere te houden. Ondertussen bleef hij een vreemde eend in de rode bijt, iemand die zich bij de arbeiders niet op zijn gemak voelde en omgekeerd. Dit bleek op pijnlijke wijze toen hij in de vroege jaren dertig op verzoek van het bestuur van de SDAP een paar jaar in Heerlen verbleef om daar in dienst van de partij en de vakcentrale NVV te werken als advocaat, leidinggevende jurist en bestuurder bij scholingsinstanties. Hij had meer voeling met de rooms-katholieke elite dan met zijn eigen arbeidersachterban, niettegenstaande het antagonisme tussen de twee zuilen in het Limburgse.

Mreijen besteedt het leeuwendeel van haar boek aan de publieke verrichtingen van Van der Goes. Vermoedelijk liet het bronnenmateriaal ook niet veel anders toe. In Van der Goes’ autobiografie en andere gepubliceerde bronnen vond Mreijen informatie over zijn publieke activiteiten, en persoonlijke gegevens distilleerde ze uit de briefwisselingen van Van der Goes met naasten, onder wie zijn vrouw Anneke van der Plaats. Interessant is dat juist deze briefwisseling buiten het door hemzelf geconstrueerde archief bleef. Van der Goes en Van der Plaats waren zestig jaar met elkaar getrouwd tot Annekes dood in 1985 hen scheidde. Het huwelijk bracht vijf kinderen voort, van wie de oudste in 1929 op driejarige leeftijd overleed, wat voor beiden een traumatische ervaring was.

Van der Goes behoorde tot de selecte groep van sociaaldemocraten, tot wie ook het echtpaar Wibaut kan worden gerekend, die er vrijzinnige opvattingen over het huwelijk op na hield. Van der Goes vond eveneens dat buitenechtelijke relaties geoorloofd waren en praktiseerde dat ook zelf, zowel met enkele mannen als met vrouwen. Zijn vrouw stelde dit niet altijd op prijs. In het algemeen krijg je de indruk dat, zoals het bij linkse intellectuelen vaker het geval was, er in theorie gelijkheid tussen de seksen bestond, maar in de praktijk ‘’s mans haan toch koning kraaide’. Anneke van der Goes van Naters – van der Plaats was eveneens advocate en actief partijlid, maar het beroep van haar man kwam altijd op de eerste plaats, wat zij overigens onderschreef.

Door zijn hoge leeftijd heeft Van der Goes belangrijke gebeurtenissen van de twintigste eeuw ten volle meegemaakt en er ook een rol in gespeeld. Mreijen heeft dit uitputtend en kritisch te boek gesteld. Van der Goes hoorde bij de groep jonge intellectuelen binnen de sociaaldemocratie die in navolging van Hendrik de Man, Willem Banning en Koos Vorrink de beweging in de jaren dertig op het spoor van de vernieuwing zette, zodat de partij acceptabel werd als regeringspartner vlak voor en zeker na de Tweede Wereldoorlog. Zijn denkbeelden vormden in dit opzicht een opvallende constante: zowel in de SDAP als in de PvdA pleitte hij voor de zogenaamde functionele decentralisatie bij het bestuur van het land en van de samenleving; een vorm van corporatisme, waarbij het gemeenschapsbelang goed gewaarborgd diende te zijn. De mate van gemeenschapsbelang was tegelijk een geschilpunt met de rooms-katholieken. Maar de corporatieve gedachte op zich verenigde de beide stromingen en legde mede de basis voor de Rooms-Rode coalities in de jaren veertig en vijftig, waarvan Van der Goes een warm voorstander was. Zijn bijdrage in dit opzicht is waardevol te noemen.

Mreijen noemt Van der Goes ‘een politiek dier’ (276). Bij die kwalificatie kun je vraagtekens zetten, omdat het associaties oproept met iemand die het machtsspel beheerst. Dit was bij Van der Goes echter in onvoldoende mate het geval. Een goede politicus heeft geduld, weet op het juiste moment te zwijgen, kan tactisch en subtiel opereren en sluit de juiste bondgenootschappen. Dit waren allemaal vaardigheden waarin Van der Goes niet excelleerde. Hij hield van de politiek, maar was te eigenzinnig, te ijdel en te weinig empathisch om zich op hoog niveau te handhaven. Het duidelijkst bleek dit bij zijn gedrag betreffende de Indonesische kwestie, toen hij herhaalde malen voor de troepen uitliep en onhandige uitlatingen deed. Noodgedwongen moest hij aftreden als fractievoorzitter in de Tweede Kamer in 1951. De parlementaire journalisten gaven hem destijds de bijnaam ‘Van der Smoes van Flaters’ (198). Tot zijn verdediging kan worden aangevoerd dat deze kwestie een van de moeilijkste was uit de geschiedenis van de PvdA, die de partij tot op het bot verdeelde. Van der Goes heeft zeker ook successen geboekt als parlementariër. Op zijn initiatief in 1947 kwam er een parlementaire enquête naar het regeringsbeleid tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook slaagde hij erin om in de jaren 1948 en 1949 samen met Jos Serrarens, een collega van de KVP, drie moties aangenomen te krijgen waarin het parlement zich uitsprak voor een federatief, democratisch gecontroleerd Europa.

Van der Goes kwam het beste tot zijn recht als hij betrekkelijk solitair zijn gang kon gaan. Als afgevaardigde ging hij naar diverse Europese instituties en ontwikkelde hij zich in de jaren zestig tot een gewaardeerde Afrikaspecialist. Maar daar stond hij betrekkelijk alleen in. Hij was veel op reis en voelde zich dan in zijn element. De positieve kant van zijn eigenzinnigheid openbaarde zich in Van der Goes’ moed. Als Kamerlid nam hij in de late jaren dertig geen blad voor de mond als het erom ging de nazi’s te attaqueren en de vervolging van de Joden te kritiseren. Dit bleef bij de NSB niet onopgemerkt. Van der Goes werd dan ook samen met andere leidende intellectuelen en politici in diverse interneringscentra ondergebracht tijdens de oorlog.

Mreijen is erin geslaagd een boeiend en leesbaar profiel te schetsen van een politicus die de kwaliteiten miste om in de voorste gelederen overeind te blijven, maar die dankzij zijn verdiensten als intellectueel en jurist en door zijn moed toch een belangrijke bijdrage leverde aan de politiek en de sociaaldemocratie.