Al vroeg in zijn leven werd duidelijk dat Philippus Verbrugge (1750–1806) een opmerkelijke figuur was. Dat hij als dertiger vanwege allerlei conflicten uit zijn ambt als gereformeerd predikant werd gezet, tekende zijn verdere leven en loopbaan, waarin chantage, eigenbelang en onmatigheid centraal stonden. Met dit boek heeft Pieter van Wissing een reconstructie willen geven van het werk en leven van deze ‘even intrigerende als complexe en weerbarstige persoonlijkheid’. Van Wissing behandelt in acht hoofdstukken de hele levensloop van Verbrugge. Alle aspecten van Verbrugges leven komen gedetailleerd aan de orde, van zijn jeugdzonden en zijn werk als dominee tot zijn politieke ideeën en zijn leven in de gevangenis.

Verbrugge begon zijn werkende leven als dominee, maar hij ontpopte zich al gauw als broodschrijver. In de pennenstrijd met de patriotten schreef hij in dienst van de stadhouder Van Oranje-Nassau. Voor zijn werk aan het tijdschrift De Post naar den Neder-Rhijn kreeg hij als anonieme auteur een jaarlijks pensioen van het stadhouderlijk hof, maar het tijdschrift was geen lang leven beschoren. In 1783 werd Verbrugge gearresteerd voor het 81e nummer van De Post, waarin hij de stadhouder fel had verdedigd. Er kwam een verspreidingsverbod op De Post en Verbrugge werd gevangen gezet. Hij onderging zijn lot niet bepaald lijdzaam, maar verweerde zich verbeten. Verbrugges reputatie deed Van Oranje geen goed. Het stadhouderlijk hof besloot daarom zijn pensioen af te kopen, maar Verbrugge was het daar uiteraard niet mee eens. Zijn hele leven zou hij zich in allerlei bochten wringen om zijn gelijk te halen. Op zeker moment was ‘de zaak Verbrugge’, in de woorden van Van Wissing, overal bekend. De autoriteiten deden hun best hem in de gevangenis te krijgen en hem daar te houden. Zijn vurige karakter riep bij veel mensen weerstand op en kostte hem uiteindelijk zijn burgerrecht.

Voor literatuurhistoricus Pieter van Wissing is het einde van de achttiende eeuw bekend onderzoeksterrein. In deze politiek chaotische jaren verschenen tal van tijdschriften en kranten en werd er hevig gedebatteerd in pamfletten. Eerder publiceerde Van Wissing over het politiek satirische tijdschrift Janus en deed hij onderzoek naar de politieke pers rond 1800.1 Met deze biografie van Verbrugge wil Van Wissing de ‘donkere kant’ van de verlichting laten zien. Hiermee sluit hij aan bij eerder verschenen biografieën van gelijkgestemden als Elie Luzac, Willem Bilderdijk en Gijsbert Karel van Hogendorp.2 Het beeld dat uit deze biografieën naar voren komt, vormt een welkome aanvulling op het historische onderzoek naar deze periode dat zich nog altijd vooral op de patriotten en Bataven richt.3

De toegevoegde waarde van deze studie zit daarbij ook in het zeer brede en diepgravend archiefonderzoek dat Van Wissing heeft gedaan. Hij heeft niet alleen de historische context willen weergeven aan de hand van onder meer rechtbankverslagen, kerkenraadnotulen en getuigenissen, hij heeft ook veel minder bekende pamfletten en artikelen van Verbrugge geanalyseerd. Door de resultaten hiervan naast elkaar te zetten, wordt het contrast tussen het positieve zelfbeeld van Verbrugge en zijn publiekelijk falen goed weergegeven.

In zijn wens Verbrugge in cultuurhistorisch perspectief te plaatsen is Van Wissings boek beschrijvend en gedetailleerd. Wat dit betreft schiet Van Wissing soms zijn doel voorbij. Hij bewandelt veel zijpaden en bespreekt, in een poging een zo compleet mogelijk beeld van een tijdvak te geven, ook de werken van anderen uitgebreid. Door het teveel aan details verliest het betoog aan kracht en raakt de lezer de draad soms kwijt. Dit wordt versterkt door de vele lange citaten die in de tekst zijn opgenomen, zowel van Verbrugge zelf als van anderen in zijn omgeving. Het siert Van Wissing dat hij zijn bronnen wil laten spreken, maar een teveel van dergelijke citaten leidt de lezer van het betoog af.

Dit wordt goed gemaakt aan het einde van het boek, waar Van Wissing Verbrugge kort in de historische context van gelijkgestemden plaatst. Hier wordt duidelijk wat de betekenis is geweest van deze louche figuur, die zich weliswaar aan de onderkant van de samenleving bewoog, maar met zijn gedrag en zijn publicaties een groot publiek wist te bereiken. Van Wissing laat zien dat Verbrugge heeft bijgedragen aan het politieke debat en daardoor het orangisme meer diepgang heeft gegeven, ook al was het een ‘achterhoedegevecht’.

Van Wissing eindigt zijn boek vertwijfeld door zich af te vragen of Verbrugge wel een biografie verdient. Met het schrijven ervan heeft hij echter alle twijfel weggenomen. Verbrugge was een fascinerend man, die leefde in een even zo fascinerende periode in de Nederlandse geschiedenis. Van Wissing heeft een belangrijk boek geschreven dat niet alleen iets vertelt over de relatief onbekende Verbrugge, maar waarin ook een beeld wordt gegeven van de ‘andere achttiende eeuw’. In louche gezelschap is daarom een nuttige en boeiende toevoeging aan het historische debat over deze periode in de Nederlandse geschiedenis.