De Nederlandsche Bank is nog altijd een van de sfeervolste gebouwen aan het Kerkplein in Pretoria. Opgetrokken in baksteen in die typisch Nederlandse neorenaissancestijl, vormt het samen met de Ou Raadsaal en het Paleis van Justitie een negentiende-eeuws ensemble dat herinnert aan de tijd dat Pretoria de hoofdstad was van de Boerenrepubliek in Transvaal. In die periode bestond in Nederland grote sympathie voor het wel en wee van de ‘stamverwante’ Boeren. President Paul Kruger haalde Nederlandse juristen, onderwijzers en ondernemers naar Transvaal om zijn staat, die in 1881 onafhankelijk was geworden, te helpen opbouwen. Investeerders zagen mogelijkheden in de Zuid-Afrikaansche Republiek, zoals het land officieel heette. Met kapitaal uit Nederland werden diverse ondernemingen opgericht, waarvan de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Maatschappij (NZASM) de bekendste is, gevolgd door de Nederlandsche Bank voor Zuid-Afrika (NBVZA). Over de spoorwegmaatschappij is hier en daar al het nodige geschreven, onder meer door Martin Bossenbroek in zijn bestseller De Boerenoorlog (2013). Daarentegen bleef de bank tot nu toe onderbelicht. Piet A. Geljon maakt dit gebrek aan aandacht ruimschoots goed in Een Nederlandse overzeebank. De Nederlandsche Bank voor Zuid-Afrika 1888-1969.

De bank werd opgericht in 1888 door Nederlandse notabelen, bankiers en ondernemers en had haar hoofdzetel in Amsterdam. De motieven van de oprichters bestonden uit een mengeling van ondernemerszin en sympathie voor de Boerenzaak, die voortkwam uit Groot-Nederlandse sentimenten. De NBVZA kun je zien als een product van economisch en cultureel imperialisme. Dit klinkt groots en zo was het ongetwijfeld ook bedoeld, maar in de praktijk zou de bank slechts een bescheiden speler worden op de Zuid-Afrikaanse financiële markten. Dit kwam door haar eigen voorzichtige beleid (de bank waagde zich niet in de risicovolle, maar ook lucratieve wereld van de goud- en diamantwinning), door de grote Britse concurrentie én door een zekere weerzin van de Afrikaners tegenover al te veel Nederlandse inmenging. Zo voorkwam de regering dat Nederlanders een meerderheidsbelang kregen in de Nationale Bank van Transvaal.

Aanvankelijk verkozen veel Afrikaner spaarders en huizenbezitters de Nederlandse bank boven een Britse. Maar toen in de jaren 1930 het Afrikaner nationalisme groeide, ontstond de wens om op elk denkbaar gebied – cultureel, sociaal én economisch – eigen instituties te scheppen. Zo kwam in 1934 de Volkskas tot stand, die veel klanten afsnoepte van de Nederlandsche Bank. Bovendien streefde de Zuid-Afrikaanse tak na de Tweede Wereldoorlog naar onafhankelijkheid ten opzichte van het Nederlandse moederbedrijf. Dit leidde in 1951 tot de afsplitsing van een zelfstandige Nederlandse Bank van Suid-Afrika, die tegenwoordig bestaat onder de naam NedBank. Het kwam de directeuren in Amsterdam niet slecht uit dat de Afrikaners voor zichzelf begonnen, want als gevolg van de Apartheid en het verzet daartegen bracht het zakendoen in Zuid-Afrika steeds grotere risico’s met zich mee. In 1969 werden de laatste banden tussen het moederbedrijf en de bank in Zuid-Afrika verbroken. Toen was het Nederlandse bedrijf al via verschillende fusies opgegaan in de Bank Mees & Hope.

Dit is in het kort het verhaal van de Nederlandsche Bank voor Zuid-Afrika, zoals Geljon in zijn boek uit de doeken doet. Een Nederlandse overzeebank is een fraai uitgegeven en lijvig werk, waarin geen detail onbesproken blijft. Dit is echter ook de makke ervan. Het is absoluut een verdienste van de auteur dat hij de tamelijk schaarse bronnen uit een verscheidenheid van archieven heeft weten op te diepen. Dit soort werk is tijdrovend en het enthousiasme dat elke vondst in de onderzoeker heeft losgemaakt, is invoelbaar. Maar dit wil niet zeggen dat elk gevonden feitje het vermelden waard is. Zo had Geljon, die zelf uit de bancaire wereld komt, zijn betoog echt niet hoeven larderen met complete balanscijfers van de bank over verschillende jaren. Een korte samenvatting van de belangrijkste tendensen zou voor de gemiddelde, argeloze lezer meer dan genoeg zijn geweest.

Ook is helaas het nodige aan te merken op de compositie van het boek. Die is in één woord schools. Elk hoofdstuk begint met een vooruitblik waarin de inhoud alvast wordt samengevat. Daarna volgt nogmaals dezelfde inhoud, maar dan in detail en opgetuigd met citaten uit de bronnen. Waarop het hoofdstuk wordt afgesloten met nóg een samenvatting van het voorgaande. Natuurlijk wordt het gehele boek bovendien afgerond met een uitgebreide samenvatting van alle hoofdstukken samen. Voor de echte volhouders zijn er ten slotte nog een aantal bijlagen, waarin aan het hoofdonderwerp verwante thema’s worden behandeld. Nu hoeft niet elke historische studie te lezen als een roman, maar een kleine beetje consideratie met de lezer was in dit geval prettig geweest. Dat hiervan geen sprake lijkt, is niet alleen de auteur aan te rekenen, maar ook de uitgeverij. Een goede redacteur zou hebben ingegrepen. Nu lijkt het alsof de uitgever meer aandacht heeft besteed aan de verpakking dan aan de tekst.