‘Een biografie heb ik nooit geambieerd,’ schrijft Remieg Aerts, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, in het voorwoord van zijn kloeke Thorbecke-biografie. ‘Het idee om jaren van mijn leven aan dat van een ander te moeten wijden, het moeizame geploeter om een of andere datum te achterhalen, het sprak mij weinig aan. De biografie is de traagste vorm van geschiedschrijving, een wereld van details’ (10).

Het is een bijna terloopse, maar tegelijkertijd belangrijke bekentenis, zo aan het begin van een indrukwekkend portret van een man die door velen wordt gezien als ‘Neerlands’ grootste staatsman. De biografie is en blijft een lastig genre voor historici. Sommige biografen kiezen er daarom voor in een inleiding of proloog uitgebreid in te gaan op de problemen van het genre, ‘hun methode en keuzes’ te rechtvaardigen en een theoretisch raamwerk te schetsen. Aerts doet dit alles niet. In slechts twee bladzijden geeft hij rekenschap van zijn benadering en wat hij onder een biografie verstaat. Kort stipt hij aan wat biografen ook wel de ‘hermeneutische cirkel’ noemen; het onderzoeken en beschrijven van de wisselwerking tussen de persoon en zijn of haar tijd, met een biografie als eindproduct. Deze benadering leent zich zowel voor onbekende mannen en vrouwen uit het verleden alsook voor ‘grote’ historische figuren. De Britse biograaf Richard Holmes noemt dit een ‘handshake across time’. Aerts borduurt voort op deze aanpak. In plaats van Thorbeckes leven en daden vanuit de eigen tijd te bezien, stelt hij zich tot taak Thorbecke terug te brengen naar diens tijd: ‘Zoals wij belangrijke oude schilderijen restaureren en van verkleurde vernislagen moeten ontdoen, zo kan een vanuit het bronnenmateriaal geschreven nieuwe biografie historische personages hun heldere kleuren teruggeven en ondertekening en overgeschilderde partijen weer zichtbaar maken. Zo leren wij Thorbecke opnieuw kennen, in wie hij was, wat hij wilde en wat hij voor het heden wellicht nog betekent’ (12).

Een dergelijke benadering geeft de biograaf de mogelijkheid een ‘open’ biografie te schrijven, een levensschets waarin de auteur zich ‘in de tijd’ naast de hoofdpersoon plaatst en de lezer aan de hand neemt. In de Britse historiografie wordt deze methode vaak omschreven als Boswellian, naar de werkwijze van de achttiende-eeuwse Schotse schrijver James Boswell, die claimde dat de biograaf zich diende op te stellen als een ‘constant companion and observer’, min of meer onwetend over het verdere verloop van het leven dat hij of zij probeert te beschrijven. Een meer sophisticated variant van deze methode is de genealogische geschiedschrijving. Ook in deze benadering staat de toevallige en de geleidelijke ontwikkeling centraal – het worden – en niet de ontologische oorsprong van het ‘zijn en wezen’. Het accent ligt bij deze vorm van biografie niet op de vraag waarom de biografeerde een belangrijk historisch figuur werd – of meer specifiek, waarin hij of zij zich qua afkomst, talent of kunde onderscheidde van zijn of haar tijdgenoten – maar hoe hij of zij de status en positie van belangwekkend historisch figuur heeft verkregen. Een geslaagd voorbeeld van een dergelijke biografische aanpak is de Livingstone-biografie van Tim Jeal (2001). In plaats van Livingstone te portretteren als een typische ‘Victorian’, laat Jeal zien hoe ‘ongewoon’ Livingstone’s leven begon, en hoe klein de kans was dat de jonge Livingstone als spinner in de Blantyre Mills later een studie medicijnen zou afronden. Jeal beschrijft zowel de intellectuele ontwikkeling van ‘de buitenstaander’ Livingstone alsook diens uitzonderlijke fysieke Ausdauer als kind, jongvolwassene en later als missionaris in Afrika. Bij Jeal reizen de lezers met Livingstone mee door tijd en ruimte en voelen zij letterlijk het gewicht van diens existentie. Jeal houdt zich dan ook verre van stereotypering, determinisme of expliciete duiding; niet het bijzondere, maar het gewone heeft zijn focus, waardoor hij in staat is het uitzonderlijke te kunnen onderscheiden en van context te voorzien. Hoewel Thorbecke wil het een totaal andere biografie qua toon en stijl is, vertoont Aerts’ boek veel overeenkomsten met Jeals levensschets van Livingstone. Want hoe groot was nu de kans dat een talentvolle jongeman uit Zwolle, van bescheiden afkomst, lutheraan bovendien, het al op relatieve jonge leeftijd tot Gents en Leids hoogleraar zou schoppen, en iets later Nederland duurzaam grondwettelijk zou hervormen en vervolgens leiding zou geven aan drie kabinetten? Stap voor stap, zonder expliciet en dwingend verbanden te leggen met latere levensfasen, laat Aerts zien hoe Thorbecke gedurende zijn leven keuzes maakte, door wie, waar en wanneer hij werd beïnvloed, hoe zijn ambities zich ontwikkelden, wanneer zijn zendingsdrang veranderde in ongeduld of rancune, waar en waarom hij faalde en hoe hij successen boekte. Dit alles levert een fascinerende en geslaagde biografie op.

Prachtig is de beschrijving die Aerts geeft van Thorbeckes bewondering voor Friedrich von Schelling en diens ontmoeting met deze Duitse filosoof, na een lange voettocht door verschillende Duitse staten. De lezer voelt hier met de biograaf mee hoe jammer het is dat er geen verslag van het gesprek tussen de filosoof en jonge Thorbecke is overgeleverd. ‘Zijn wezen en gedrag heeft iets heerschends,’ schreef Thorbecke naderhand (89). Zou hij zelf tijdens het gesprek onderdanig zijn geweest, verlegen en geïntimideerd door de enorme kennis van Schelling? Hier niets dan lof voor Aerts benadering. In plaats van direct naar het hoogtepunt te gaan – Thorbeckes Schelling-bedevaart – beschrijft hij uitvoerig diens pelgrimsgang; de bezoeken aan kunstgalerijen in Kassel, Frankfurt, Stuttgart, Heidelberg, Weimar en Dresden, zijn plotse verliefdheid op Adolphine Wilbrand en de vrolijke Wanderplauderei met de dichter Von Platen.

Dezelfde aandacht voor het betekenisvolle detail is terug te vinden in hoofdstuk 3 (De tevreden professor) en hoofdstuk 4 (De gelukkige professor). Veelzeggend is het laatste zinnetje van hoofdstuk 3: ‘Zo eindigden zijn jaren als zoon’ (203). In Thorbeckes onvoorwaardelijke liefde voor zijn vader en voor zijn vrouw en kinderen, stelt Aerts, leren we hem het intiemst kennen. Mooi is ook hoe Aerts vertelt hoe de ‘lachlust’ die Thorbecke met zijn ‘schrale figuur’ opwekte bij zijn studenten, veranderde in bewondering en respect. De passage waarin Aerts weergeeft hoe Thorbecke in alle rust ‘nauwkeurig en methodisch’ thee maakte terwijl de studenten toekeken, is bijna profetisch (219). Zouden de leden van de grondwetscommissie in 1848, of later de ministers, bij het opstellen van de Organieke wetten, ook hebben gedacht dat Thorbecke bezig was met het brouwen van ‘eene mysterieuse tooverdrank’? De uitspraak van Van Assen, ‘dat Luzac en De Kempenaer’ op 17 maart 1848 ‘den stuggen [...] Thorbecke’ met een rijtuig uit Leiden hadden gehaald om als ‘citroen’ te gebruiken, krijgt hierdoor een heel andere betekenis. Van twee staatshoofden, Willem II en Willem III, weten we immers dat ze de ‘professor’ nauwelijks konden peilen.

Aerts’ onderzoek is uitvoerig en nauwgezet, zowel in grote lijnen als in de details. Zijn biografie is gebaseerd op een jarenlange studie van primaire en secondaire bronnen. Aerts werd hierin geholpen door het vele werk dat al was gedaan door de bezorgers van Thorbeckes Briefwisseling, Johanna Brandt-van der Veen en Gerard Hooykaas, en door studies als die van Johannes Manger en Jan Drentje. Maar Aerts presenteert in zijn biografie ook veel nieuwe vondsten. Thorbecke en zijn tijdgenoten komen bovendien veelvuldig zelf aan het woord. De citaten zijn goed gekozen en de interpretatie is valide en goed onderbouwd. Aerts stelt zich op als een bescheiden biograaf, die elke vorm van hagiografie mijdt, streng is, maar tegelijkertijd niet oordeelt.

Slechts een enkele keer begeeft Aerts zich qua interpretatie op dun ijs en maakt hij zich kwetsbaar voor kritiek. In de passages waarin hij Thorbeckes persoonlijkheid probeert te begrijpen en te duiden, is hier en daar – onbedoeld? – sprake van voorzichtige psychologisering, althans zo kan het worden uitgelegd. Aerts schetst Thorbecke in deze alinea’s als een man met een groot ego, rancuneus en sociaal onhandig, ‘op het autistische af’. Vooral deze laatste typering kan als een ‘rode lap’ werken op theoretici van de biografie – in het debat over de theorievorming van de biografie is psychologisering immers een van de heetste hangijzers. Op deze ene controversiële duiding na, is de wijze waarop Aerts het innerlijke en het persoonlijke blootlegt verder voorbeeldig. Aerts psychologiseert soms impliciet, maar geeft de lezer veel context en ruimte om zelf een oordeel te vormen.

Is er verder dan helemaal geen kritische noot te kraken? Enige omissie, als we het al zo kunnen noemen, is dat Aerts in de hoofdstukken ‘Naleven’ en ‘Thorbecke, in terugblik’ zijn biografie ‘binnen de nationale grenzen’ afsluit. Een korte ‘biografische vergelijking’ met andere internationale liberale kopstukken en tijdgenoten was hier wellicht interessant geweest. Aerts gaat in zijn biografie uitgebreid in op de buitenlandse invloeden op Thorbecke, diens Duitse leerschool en de overeenkomsten met en beïnvloeding door Franse doctrinair liberalen, zoals Guizot, Royer-Collard en Tocqueville. ‘Thorbecke was groot in een klein land,’ zo vat Aerts de buitenlandse berichten over Thorbeckes overlijden samen (735). Maar waarom is zo’n talentvol, ambitieus, on-Nederlands en begaafd politiek denker als Thorbecke zo ‘nationaal’ qua focus en oriëntatie gebleven? Waarom heeft hij zijn vleugels niet uitgeslagen zoals Tocqueville dat deed, en studiereizen gemaakt naar Groot-Britannië en Amerika? En waarom heeft hij geen internationaal publiek gezocht voor zijn vorm van liberalisme? Thorbeckes zendingsdrang en ambitie lijken er groot genoeg voor te zijn geweest. Voor de hand ligt dat in de periode waarin hij zulke reizen had kunnen ondernemen hij er de middelen niet voor had, en dat hij later te veel in beslag werd genomen door zijn werk en ambities. Aerts biografie biedt genoeg aanknopingspunten om deze vragen te beantwoorden, maar toch was het interessant geweest om in de epiloog een korte vergelijking te maken met de levenswandel van andere politieke denkers uit de restauratie. Tocqueville ligt hier voor de hand, omdat van hem twee goede en moderne biografieën zijn geschreven (in 1988 door André Jardin en in 2007 door Hugh Brogan). Vooral een vergelijking met de laatste biografie zou interessant zijn, omdat Brogan evenals Aerts een Boswellian benadering gebruikt.

Hoe het ook zij, dit is kleingoed. Thorbecke wil het is een indrukwekkende biografie. Het boek is knap geschreven en overtuigt qua compositie, onderzoek en interpretatie. Aerts bedient met zijn biografie zowel de ‘kenner’ alsook het brede, in geschiedenis geïnteresseerde publiek. Knap is ook dat Aerts zich in zijn Thorbecke-portret niet heeft laten beïnvloeden door de bestaande Thorbecke-historiografie, zonder deze te negeren.

Zijn opzet – het schrijven van een biografie die iets heeft van het ‘restaureren’ van een oud schilderij door zich te ontdoen ‘van verkleurde vernislagen’ – is dan ook geslaagd. Onze blik op Thorbecke is dankzij Aerts scherper en veelkleuriger geworden.