De fraai vormgegeven en geïllustreerde monografie van Mart van Duijn is helemaal gewijd aan het eerste gedrukte boek in de Nederlandse taal dat exact gedateerd kan worden, de zogenaamde Delftse Bijbel. Deze Bijbeleditie verscheen in 1477 bij Jacob Jacobszoon van der Meer en Mauricius Yementszoon van Middelborch in Delft, de stad waaraan ze haar naam ontleent. De oorsprong van de tekst is echter niet (of toch niet volledig) Hollands, want grote delen ervan gaan terug op een vertaling opgesteld in het kartuizersklooster van Herne, ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuidwesten van Brussel. Niettemin beschouwt Van Duijn de Delftse Bijbel als een op zichzelf staande bewerking, eerder dan als een gedrukte versie van de Hernse Bijbelvertaling. In zijn boek, een herwerking van zijn proefschrift verdedigd aan de Universiteit van Groningen in 2014, stelt hij de vraag welke plaats de Delftse Bijbel innam binnen het emancipatieproces van de volkstalige Bijbel in de late middeleeuwen. Hij omschrijft zijn studie als een ‘sociale’ geschiedenis van de Delftse Bijbel, waarbij zowel de overgeleverde exemplaren als de personen en partijen betrokken bij de productie en receptie onderwerp van studie uitmaken.

Een eerste hoofdstuk biedt veel plaats voor methodologische en historiografische beschouwingen. De auteur keert daarbij eerst terug naar het befaamde boek dat Lucien Febvre en Henri-Jean Martin in 1958 publiceerden, L’apparition du livre, om daarna in te gaan op de recentere boekhistorische modellen van Robert Darnton (1982), Thomas Adams en Nicholas Barker (1993), Donald McKenzie (1985) en Robert Chartier (1987, 1994). Het model van Chartier, dat uitgaat van een driehoeksverhouding tussen inhoud, vorm en toe-eigening, acht van Duijn het meest geschikt voor de studie van de Delftse Bijbel. Geïnspireerd door de andere, eveneens zeer uitvoerig besproken modellen, koppelt hij aan het model van Chartier wel een grotere aandacht voor de cultuurhistorische context en de interactie tussen verschillende actoren (drukkers/uitgevers, bewerkers, lezers, gebruikers).

De daaropvolgende hoofdstukken behandelen achtereenvolgens de tekst, het concept, de productie, de receptie en het gebruik van de Delftse Bijbel. De basis is een nauwgezette beschrijving van 61 exemplaren bewaard in Europese en Noord-Amerikaanse bibliotheken, waarvan het merendeel niet is opgenomen in de Incunabula Short Title Catalogue. De exemplaarbeschrijvingen zijn als bijlage in het boek opgenomen en bevatten consequent gegevens over de samenstelling, collatie, rubricatie, initialen, afmetingen, band, provenance en eventuele handgeschreven annotaties. Het is zeer lovenswaardig dat de auteur het overgrote deel van deze exemplaren in fysieke vorm heeft geraadpleegd of, indien een bezoek aan een verafgelegen bibliotheek niet mogelijk was, gedetailleerde exemplaarinformatie heeft opgevraagd bij conservatoren. Precies de nauwgezette beschrijving van zo veel mogelijk nog bewaarde exemplaren blijkt immers de sleutel om verschillende onbeantwoorde vragen over de inhoud, vorm en receptie van een van de vroegste Nederlandstalige drukken op te lossen.

De studie van eigendomsinscripties en gebruikssporen levert bijvoorbeeld nieuwe gegevens op over de laatmiddeleeuwse leescultuur. Het is opvallend dat er zich onder de dertig geïdentificeerde bezitters geen leden van de seculiere clerus, maar wel religieuzen en vooral ook veel leken uit Hollandse steden bevinden. De meerderheid van de bekende bezitters was bovendien vrouw. De studie van de marginalia belicht dan weer de diverse functies die een boek als de Delftse Bijbel kon aannemen. De Bijbeleditie diende vanzelfsprekend een devotioneel doel en gold, zeker voor geleerden, als studiemateriaal. Maar uit de annotaties blijkt evengoed dat de Delftse Bijbel een centrale plaats kon verwerven binnen een laatmiddeleeuws huishouden, als leidraad voor het dagelijkse leven of zelfs als een soort notitieboek waarin allerhande informatie, die niet noodzakelijk verband hoefde te houden met de Bijbeltekst, kon worden neergeschreven en opgeslagen. De uitgebreide bespreking van vier bezitters in het laatste hoofdstuk illustreert deze uiteenlopende functies uitstekend.

De belangrijkste les van deze studie bevindt zich echter in het derde hoofdstuk, dat de Delftse Bijbel als ‘gedrukt boek’ benadert. Er is lange tijd verondersteld dat er twee versies van de Delftse Bijbel hebben gecirculeerd, een lange en een korte. Mart van Duijn weerlegt deze hypothese en toont aan dat de editie bestaat uit vijf compositie-eenheden, die afzonderlijk werden verkocht en op verschillende manieren en volgens de wensen van de koper konden worden samengesteld. Het is belangrijk om daarbij voor ogen te houden dat, in tegenstelling tot hedendaagse uitgaven van de Bijbel, vijftiende-eeuwse edities meestal niet alle Bijbelboeken opnamen. De analyse van de plaatsing van onder meer de incipits of colofons toont aan dat al tijdens het productieproces rekening werd gehouden met variërende samenstellingen. Vanuit de gedachte dat er toch een ideal copy moet hebben bestaan, hebben verzamelaars in de achttiende en negentiende eeuw delen van verschillende exemplaren samengevoegd. Maar ook onderzoekers hebben lange tijd niet opgemerkt dat exemplaren van de Delftse Bijbel minstens even gepersonaliseerd en uniek waren als handschriften, waarvan de productie tegelijkertijd piekte. Naast een herbevestiging van de evidente stelling dat gedrukte religieuze teksten koopwaar waren, krijgt de lezer in dit hoofdstuk vooral meer inzicht in de manier waarop in de incunabeltijd gedrukte boeken werden aangekocht en hoe het productieproces daarop was afgestemd. De Delftse Bijbel is een mooi voorbeeld van hoe incunabelen in veel gevallen en net zoals handschriften maatwerk bleven. Eenzelfde idee kwam recent ook naar voor in de tentoonstelling over de Brugse drukker Colard Mansion die in precies dezelfde jaren actief was, maar uitsluitend in het Frans en het Latijn drukte (‘Haute Lecture by Colard Mansion’, Groeningemuseum, Brugge, 1 maart tot 3 juni 2018).

Hoewel de historische context, die Van Duijn nochtans ziet als een essentieel onderdeel van zijn methode, te vaak alleen op het einde van een hoofdstuk wordt geschetst en er met eindnoten wordt gewerkt (in wat bezwaarlijk een publieksboek kan worden genoemd), is deze vlot geschreven studie aangename en intrigerende lectuur. Ze zal niet alleen boekhistorici, maar ook Bijbelwetenschappers en al wie zich toelegt op de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne devotie kunnen boeien.