Graag betuig ik om te beginnen mijn erkentelijkheid aan de redactie van BMGN, die mijn boek Nobel streven (hierna: ns) de behandeling heeft waardig gekeurd van een dubbelrecensie met repliek. Voor zover ik zoiets overzie, is vooruitgang in de wetenschap in hoge mate afhankelijk van de dialectiek tussen iemands stellingnames en andermans kritiek daarop, waarbij die laatste dikwijls de broodnodige nuance aanbrengt. Zo ook hier, en meer dan dat – en wat dat betreft blijven recensies in de vakpers, ook voor ns, belangrijker dan alle krantenstukken of andersoortige publiciteit.

Uiteraard heb ik mijn best gedaan met ns een veel breder dan louter vakmatig publiek te bereiken, en ik ben blij dat dit zich heeft gematerialiseerd. Maar bij al mijn werk ben ik de wetenschappelijke thuisbasis ervan als de essentie blijven beschouwen. Ik moet er niet aan denken dat lof in NRC Handelsblad gepaard zou gaan met verwerping in BMGN. Zo’n vaart lijkt het gelukkig niet te lopen, al worden in de twee reacties een paar fikse noten gekraakt. Bij sommige daarvan past ruiterlijke erkenning van vergissingen of soms pure onwetendheid mijnerzijds, bij andere ligt het genuanceerder en bij een enkele ben ik zo vrij aan eigen oordeel vast te houden.

Voordat ik tot mijn eigenlijke weerwoord kom, nog even met nadruk over een dimensie van ns waar geen van de recensenten ten principale aandacht aan besteedt: de website www.nobelstreven.nl. Ik ben bepaald geen kenner van de informatietechnologie en ook geen vendelzwaaier voor de digital humanities. Wel ben ik diep overtuigd van de immense voordelen van digitalisering op het web ten dienste van de wetenschappelijke communicatie, en daarmee ook voor de wetenschappelijke vooruitgang zelf. Want wat dat betreft zit er iets scheefs in het publiceren van een wetenschappelijk boek, want de vorm daarvan oogt en werkt veel definitiever dan de inhoud doorgaans aankan.

Wat een uitkomst is in dit verband een website zoals ik die voor ns heb kunnen maken, in de lucht kon brengen op de dag waarop het boek verscheen en sindsdien tracht bij te houden! Op genoemde site kan men, naast andere zaken, al een vracht aan correcties en aanvullingen vinden, veelal door oplettende lezers aangedragen. Uiteraard zal ik op de site ook deze bladzijden in BMGN vermelden en aldus, naar ik hoop, menige lezer van ns helpen behoeden voor het waanidee dat het gedrukte boek het laatste woord zou zijn. De laatste stand van denken (ook het mijne) over Jan van Brederode en zijn wereld vindt men inmiddels digitaal, niet op papier, en op termijn is het alleszins denkbaar dat de digitale vorm de gedrukte compleet gaat overvleugelen. Dan is het tijd om ns niet meer te herdrukken en ook dat zal dan vooruitgang zijn.1

Damen, Govaerts, Van Steensel

Met recht maken de recensenten werk van de betekenis van heraldiek in ns, al zou ik die geen ordenend principe noemen, maar zeker wel een rode draad. Met name het toch vrij opzichtige en generaties lange geschipper van de Brederodes met hun barensteel beschouw ik – niet als eerste – als een teken dat dit deel van hun familiewapen hun een doorn in het oog was. Nu is de heraldiek als bekend een buitengewoon lastig en vrij hermetisch superspecialisme, waar een neerlandicus zich niet dan met de grootste schroom aan moet bezondigen. Ik heb daartoe mijn best gedaan en advies van kenners ingewonnen, maar onvoldoende, zoals blijkt. Het interessante artikel van Henk Dragstra bijvoorbeeld was mij onbekend en over de schuinstaak en het breken heb ik bij gebrek aan expertise heen gelezen. Overigens heb ik de hele barensteel niet helemaal goed begrepen; zie inmiddels de aanvulling ‘Veel beter over de barensteel’ op de site van ns en het aldaar genoemde artikel van heraldicus Guus Breugel.

Met de relativering van chronologie als biografisch ordeningsprincipe, zoals recensenten die inbrengen, kan ik iets minder goed uit de voeten. Niet dat een biografie, laat staan zovele andere historische verhalen, per se chronologisch opgebouwd zou moeten zijn. Uiteraard kan zoiets ook thematisch, of in gemengde compositie. Wel meen ik dat in het geval van Jan van Brederode juist de chronologie het beste helpt verklaren waarom zijn leven op bepaalde momenten liep zoals het deed. Het duidelijkste voorbeeld is de wending naar het kloosterbestaan, waarbij ns enige religieuze roeping overigens niet uitsluit, al valt toch wel op dat Jan uittreedt zodra zijn gedroomde erfenis vrijvalt. Maar werkelijk doorslaggevend moeten hier, althans in mijn interpretatie, de chronologische omstandigheden zijn geweest: Jans inmiddels meer dan vijf jaar kinderloze huwelijk én de uitbrekende oorlog met Arkel voor letterlijk de eigen deur, met alle risico’s van dien dat Jan daarbij als heer het leven zou kunnen laten, zonder een opvolger in rechte lijn en dat bij een recht leen. Het is dus niet alleen omwille van hun ‘beter tot zijn recht komen’ dat ik de wendingen in Jans leven chronologisch heb geordend: het gaat mij heel uitdrukkelijk ook om de causaliteit ervan.

Jan van Brederode was van adel en natuurlijk laat het levensverhaal van zo iemand enig licht vallen op de middeleeuwse Hollandse adel in meer generieke zin. Maar ik heb ook willen waken voor de indruk als zou ns iets als een collectieve biografie beogen via het prisma van die ene edelman. Daarvoor zijn Jans leven en positie te uitzonderlijk en voel ik mij toch ook te veel neerlandicus (voor alle duidelijkheid: ik zou Jan van Brederode nooit tot onderwerp hebben gekozen als hij niet ook een interessante letterkundige tekst op zijn conto had). Maar dat de middeleeuwse adel velerlei schakering kent en dat het leven in die groep niet slechts door rationele overwegingen geleid werd en ook zijn toeval kende, lijkt mij evident. Neem nu alleen al, wederom, Jans wending naar het kloosterleven: iets wat bedoeld was als een oplossing – i.c. ruimte maken voor zijn jongere broer Walraven – verkeerde binnen enkele maanden in zijn totale tegendeel, toen Walraven gevangen raakte bij de Arkels, met de immense nieuwe schuldenlast van losgeld tot gevolg voor de familie.

Ten aanzien van Jans krijgsdienst speelt misschien eenzelfde verschil in optiek. Met mijn behandeling ervan heb ik in genen dele willen ontkennen dat betaalde militaire dienst een respectabel adellijk motief en rol kunnen zijn geweest gedurende de late middeleeuwen. Het ging mij ook hier om Jans persoon – en in dat leven bestaat toch een groot verschil tussen zijn vroege deelname aan feodale veldtochten in Drenthe en Friesland en zijn late (en uiteindelijk fatale) bestaan als ridderlijke huurling in den vreemde. Niet dat ik dat als wanhoopsdaad beschouw, maar wel – wederom – als een keuze die door de chronologie van Jans inmiddels danig mislukte levensloop werd ingegeven.2

Ten slotte over Huizinga, wie anders. Dat ns met hem eindigt is niet zozeer omdat ik het beeld van mijn boek nu zo verwant acht aan het grote Herfsttij. Het is immers veel minder exuberant en kent meer ‘Hollands realisme’ zou ik denken, en voor zover Jan van Brederode al in een droom leefde, was dat toch allerminst uit escapisme. Dit gezegd zijnde, lijkt mij onmiskenbaar dat een man als Jan van Brederode, vergeleken met tijdgenoten en wellicht persoonlijke bekenden als Dirc Potter en Willem Snickerieme, typisch een man van oude adel was en geen homo novus, zoals laatstgenoemden. Daarin overlapt ns dan wel weer met het grote Herfsttij, dat binnenkort honderd jaar oud wordt. Ook om die laatste (chronologische!) reden wilde ik graag een hommage brengen aan dat boek. Maar de hoofdreden om in deze sfeer af te sluiten was een geheel andere: de Leidse Maskerade van 1900, al dan niet door Huizinga bekeken. Mijn keuze voor dit slotakkoord werd ingegeven door de voor mijn gevoel haast dichterlijke symboliek van die vertoning. Uiteindelijk heeft alle geschiedbeoefening, zoals die van het Leidse corps in 1900, maar ook de mijne, iets van een maskerade die na verloop van tijd ietwat potsierlijk aandoet. Ofwel, met het citaat van Huizinga dat de recensenten releveren, dat ‘Geschiedenis altijd een vormgeving van het verleden [is], en niet [kan] pretendeerden, meer te zijn’. Dat ik dit niet zou inzien, is het enige kritiekpunt uit deze gewaardeerde recensie dat ik verre van mij werp.

Brinkman

Pure wetenschappelijke vooruitgang biedt het middenstuk van Herman Brinkmans drieluik, gewijd aan de hoeksteen, zoals hij het zelf noemt. Dat laatste is misschien wat veel gezegd, want zo bepalend is de connectie Jan van Brederode-Jan van IJsselstein in ns niet geworden, maar dat kwam bij schrijver dezes niet bepaald voort uit vrije wil. Om meer te achterhalen omtrent Jan van IJsselstein had ik mijn best gedaan en evenzo de jonge historicus die mij terzijde stond, maar evident niet goed genoeg.3 Overigens had historicus Ronald A. van der Spiegel mij reeds in februari 2018 in een persoonlijke email-met-bijlage geattendeerd op de mogelijkheid dat de Jan van IJsselstein – inderdaad geen heer – achter Des coninx summe de thans voorgestelde zoon van Gijsbrecht en broer van Herberen en Walraven zou zijn, traceerbaar in een schare stukken die ook Brinkman releveert. Zijn identificatie van Jan van IJsselstein is inmiddels in juli 2018 verschenen in De Nederlandsche Leeuw, tezamen met enkele andere waardevolle historische correcties op ns.

Hetgeen Brinkman rondom deze identificatie hier als eerste publiceert, is uiteraard eersterangs vorserswerk en een zoveelste bewijs dat deze neerlandicus als weinig anderen beschikt over talent, toewijding en volharding voor diepgravend onderzoek in de primaire bronnen. Met als de optimistisch stemmende uitkomst dat zulk onderzoek – althans in zijn geval – steevast iets nieuws en belangwekkends oplevert, ook voor historici. Dat lijkt mij een behartigenswaardige conclusie in ons soms zo feitenvrije tijdperk. Noeste arbeid loont en adelt.

Nu Jan van IJsselstein veel duidelijkere contouren heeft gekregen, wordt het ridderlijke web rond ridder Jan van Brederode enkel hechter en intrigerender, eens te meer met zijn connecties richting Alkemade erbij en dit allemaal met inbegrip van uitzicht – zij het onvermijdelijk nog schimmig – op gedeelde persoonlijke oorlogservaringen en daaruit voortvloeiend wapenbroederschap. Het lijkt mij dat wij deze door Brinkman gewezen lijn nog zouden mogen doortrekken naar de laatste fase van Jans leven, toen hij samen met Floris van Alkemade blijkt te zijn overgestoken naar Southampton om in dienst te komen bij het immense leger dat koning Henry V aldaar mobiliseerde voor de invasie van Frankrijk. Deze invasie zou culmineren in de slag bij Azincourt, door Floris meegemaakt en overleefd aan overwinnaarszijde, voor Jan zijn dood geworden aan de Franse kant, zoals ns heeft kunnen bewijzen.

Zo dicht op de huid als Brinkman Jan wil komen in dit persoonlijke netwerk, zoveel afstand neemt hij van een biografische duiding van diens eigen tekst. Natuurlijk moeten wij, neerlandici voorop, voorzichtig zijn met parallellen tussen literatuur en leven – menige schrijversbiografie heeft er de littekens van opgelopen. Maar in het singuliere geval van Jan van Brederode en Des coninx summe lijkt mij een biografische dimensie toch wel bij uitstek aangewezen. Die begint al met het feit dat deze hoogadellijke ridder ooit een schrijver is geworden, en dan nog wel van een moraaltheologische tekst. Dit feit valt enkel te begrijpen in de context van Jans tijdelijke bestaan als kloosterling. In dit bestaan moet hij – zo blijkt uit de kartuizer annalen – zo ongeveer tegen de kloostermuren op zijn gegaan; niet onbegrijpelijk, als men de extreme ascese daar in aanmerking neemt plus het gegeven – mijns inziens zelfs een grotere factor – dat al spoedig Jans complete achterliggende plan in duigen kwam te vallen, toen immers zijn opvolger als heer van Brederode, Walraven, in krijgsgevangenschap belandde en de familie dus alleen maar dieper in het moeras zonk. Om Jan in de kartuis tot kalmte te brengen, haalde de orde zelfs zijn broer Dirk uit Monnikhuizen en het lijkt mij alleszins waarschijnlijk dat ook het werken aan Des coninx summe naast een religieuze tevens een therapeutische werking heeft beoogd. Feit is in elk geval dat Jan van Brederode in uitwendige stilte, maar vol inwendige spanningen aan het schrijven is getogen.

Vergelijken wij vervolgens Des coninx summe met de Franse voorbeeldtekst waarnaar deze is vertaald – en die de exclusieve bron van Jans geschrift geweest moet zijn – dan vinden we talloze aanwijzingen van toegevoegde opwinding: over de kwellingen die de mens wachten in vagevuur en hel, en over alle wantoestanden in de wereld. ns beweert, en ik houd staande, dat dit alles te maken heeft met Jans persoonlijke temperament en met in elk geval zijn stemming in de tijd waarin hij werkte aan Des coninx summe, verbitterd als hij wel geweest moet zijn over tegenspoed en mislukkingen die hem toen al volop ten deel waren gevallen en mogelijk nog extra aangeblazen door de helse ervaringen van zijn reis naar Sint Patricius’ vagevuur.

De alternatieve verklaringsrichting voor dit onderwaterscherm die Brinkman daartegenover stelt, vind ik hiermee vergeleken eigenlijk een zwaktebod. Het zouden veeleer de conventies van het genre zijn die Jan tot deze stijl van bewerken hebben genoopt. In de eerste plaats is een beroep op genrekenmerken als verklaringsmodel voor middeleeuwse bewerkingstechniek al enige tijd op zijn retour.4 Ten tweede heeft de tekst waarop Des coninx summe als geen ander aansluit – het Franse voorbeeld van de Somme le roi – deze genrekenmerken niet. En ten derde is Brinkmans kroongetuige, de Nieuwe doctrinael van Jan de Weert, zover ik zie de enige Middelnederlandse tekst die hierin enkele uitgesproken parallellen vertoont met Des coninx summe. Naast sterke verschillen; zo heerst bij Jan de Weert een onverholen anticlericalisme waarvan we bij Jan van Brederode bar weinig merken. De berijmde tekst van Jan de Weert staat in de Middelnederlandse literatuurgeschiedenis niet zonder reden als een tamelijk uniek geval te boek. Naar echte genrestukjes moet men met een kaarsje zoeken.5

Misschien dat Blome der doechden van de Hollandse hofambtenaar Dirc Potter nog het best als Dritt’ im Bunde voor Des coninx summe en de Nieuwe doctrinael kan dienen, maar voor wie beter toeziet, blijft de overeenkomst in het genre (zonden en deugden) toch tamelijk oppervlakkig vergeleken met de pregnante verschillen. Zo kenmerkt Blome der doechden zich door een manifeste nieuwkomersmoraal, met Potters tirade tegen erfelijkheid van adeldom – gericht tegen families als de Brederodes?! – als meritocratisch kroonjuweel.6 Ook hier dus een duidelijk biografisch gevoede invulling van het generieke schema. Brinkman zelf heeft overtuigend laten zien hoezeer in de Nieuwe doctrinael van Jan de Weert de stem van de stad doorklinkt als vernieuwing van traditie; hier als een van de vroegste manifeste gevallen in de Middelnederlandse letterkunde en compleet in lijn met de specifieke positie van deze dichter als stadsarts in Ieper.7 Omtrent De Weerts leven weten wij verder niets, wie weet welk licht dat nog zou kunnen werpen op zijn nogal verbeten cynisme.

Kortom, de Middelnederlandse zondenspiegels hebben uiteraard de schering van hun genre gemeen, maar verweven met de individuele inslag van hun schrijver, die in een specifieke historische context zijn ganzenveer op perkament zette. Mij dunkt dat wij deze dimensie in de interpretatie moeten durven uitnutten – en al helemaal bij een auteur van wie wij zoveel weten als van Jan van Brederode – en niet wegwuiven. Wat dat betreft ben ik gelukkig met de mogelijkheid die Brinkman zelf aandraagt in dit spoor: dat ook Jans oorlogservaringen debet kunnen zijn geweest aan de getroubleerdheid in zijn tekst. Ik herinner mij dat ik, al schrijvende, aan deze zelfde hypothese heb gedacht, maar haar uiteindelijk onuitgesproken heb gelaten, als misschien te speculatief en vatbaar voor verwijt van biografische tunnelvisie.

Met het derde kritiekpunt dat Brinkman aan de orde stelt, de bijvangst betreffende het handschrift-Van Hulthem, voel ik mij enigszins verlegen. Zoals ns al aangeeft, vraagt deze hypothese om een separate publicatie, die nog in voorbereiding is. Zolang deze uitstaat, is het ter zake lastig debatteren en geef ik er de voorkeur aan deze discussie op te schorten totdat alle overwegingen ter tafel zijn gekomen. Om de lezers van deze BMGN toch niet compleet op hun honger te laten zitten, noem ik wel alvast één complicerende factor: het schrift van handschrift-Van Hulthem is, ofschoon altijd gedetermineerd als van één hand, allerminst uniform en consistent. Met andere woorden: subtiele verschillen met het Manboek van Gaasbeek en aanverwante documenten hoeven niet te per se te duiden op verschillende scribenten, maar horen er misschien gewoon bij. Het is een grilligheid die de bewijsvoering in deze – pro zowel als contra – uiteraard gevoelig compliceert en eens te meer een wissel trekt op kennersoog, ervaring en appreciatie. Waarbij de kennersoordelen op hun beurt kunnen verschillen, zoals blijkt, zodat een zekere subjectiviteit vooralsnog blijft ingebakken. Mijnerzijds had ik mijn eerste ingeving omtrent de identiteit der handen nooit durven publiceren zonder de contra-expertise van specialist Jos Biemans. Pas toen laatstgenoemde na eigen grondig onderzoek zijn zegen gaf aan deze identificatie, heb ik gewaagd haar op papier te zetten. Maar nogmaals: de nadere bewijslast ligt nog steeds bij ons. Een voordeel is dat wij de tegenstem in deze BMGN kunnen meenemen. Tot nader order prijkt de gemotiveerde afwijzing door Herman Brinkman hier als een mene tekel aan de wand.