Nobel streven (verder NS) is een fascinerend boek. Frits van Oostrom heeft met gedegen historische kennis, verrassend onderzoek en vooral een groot schrijftalent de middeleeuwse wereld bij een veel groter publiek tot leven weten te brengen dan een academisch getoonzette monografie ooit had kunnen doen. Het verhaal van Jan van Brederode heeft hij geweven tot een veelkleurig wandtapijt – in de ondertitel knipoogt Van Oostrom zelfs naar de avonturenroman. In zekere zin is het dat ook, met de auteur in de rol van een door bronnenschaarste gemankeerde alwetende verteller, die ingenieus rechercherend op zoek gaat naar de sporen van zijn hoofdpersonage. Uit heel Europa heeft hij historische documentatie vergaard, zodat we een man waarvan slechts ingewijden wel eens gehoord hadden, nu dicht op de huid kunnen volgen en hem leren kennen aan de hand van zijn achtergrond, zijn familiale verwikkelingen, geloofsovertuigingen, dadendrang en levenslot. In dit artikel zal ik op uitnodiging van de redactie enkele kanttekeningen plaatsen bij drie verschillende aspecten van het boek.2

Onderwaterscherm

Tot de zeldzame bronnen die ons inzicht verschaffen in Jan van Brederodes denkwereld behoren de aanpassingen en uitbreidingen die hij heeft toegevoegd aan Des coninx summe (verder DCS), zijn vertaling van de Somme le roi. Op basis van een inventarisatie van verschillen tussen de Franse tekst en Van Brederodes vertaling heeft Van Oostrom geprobeerd de persoonlijkheid te laten uitkomen van deze man-van-de-wereld, die in de periode van zijn vertaalarbeid lekenconvers was in een kartuizerklooster. Volgens Van Oostrom krijgen we zo een ‘unieke inkijk in Jans stemming’, die zich kenmerkt door ‘de kennelijke wrok die zijn toen reeds getroubleerd leven bij hem had opgewekt’ en door een obsessieve ‘vrees voor duivel en hel’ (283). De literatuurhistoricus heeft hier een gouden kans gekregen en gegrepen om een historisch verhaal te verdiepen door zijn licht te laten schijnen op de belevingswereld van zijn hoofdpersoon. En wat laat dat licht zien? Een zwartkijker.

De analyse van het schrijverstemperament van Jan van Brederode vormt boeiende lectuur. Waar officiële documentaire bronnen ons vrijwel altijd in het ongewisse laten over alledaagse aspecten van de persoonlijkheid van de mensen die we bestuderen, doorbreken literaire bronnen die starheid in de beeldvorming. Ineens horen we mensen met hun eigen stem. Dat is spannend, maar ook problematisch. Want hoe fris en schijnbaar ongefilterd ook deze stemmen tot ons spreken, we mogen nooit vergeten dat dat gebeurt binnen het raamwerk van een specifiek genre. In het geval van Jan van Brederode is dat het gedeelte van de Somme le roi dat we een ‘zondenspiegel’ noemen. Zulke systematisch opgezette inventarisaties van menselijk wangedrag stammen uit een Latijnse traditie, die allereerst gericht was op priesters die een handleiding behoefden bij het afnemen van de biecht. Bewerkingen voor een lekenpubliek in het Middelnederlands verschenen vanaf de veertiende eeuw, zowel in proza als op rijm. De casuïstische opzet van deze werken gaf vertalers en bewerkers de gelegenheid bij elk type en subtype uit de grote zondentrommel de voor hun lezers aansprekendste en herkenbaarste voorbeelden te kiezen. Wie zulke teksten van kaft tot kaft leest, mag een spervuur verwachten van falen, moedwil en misdaad, dat gemakkelijk een eenzijdige indruk van het wereldbeeld van de auteur kan achterlaten.

Laat ik dit illustreren met het oordeel van eerdere literatuurgeschiedschrijvers over een met DCS goed vergelijkbaar werk, Jan de Weerts Nieuwe doctrinael of Spieghel der sonden. Ook in dit werk volgt de auteur de traditionele Latijnse basisstructuur en breidt die uit met voorbeelden die deels aan eigen ervaringen lijken te zijn ontleend. Jan te Winkel bijvoorbeeld prijst ‘de scherpste berispingen, die bij zijne duidelijke, onverbloemde en levendige manier van spreken de Nieuwe Doctrinael tot het bitterste hekelschrift, maar ook tot het boeiendste leerdicht der Middeleeuwen bij ons maken’. Maar ook tekent hij aan: ‘Het hangt ons een zóó zwart tafereel op van de maatschappelijke toestanden, dat het ons bijna zou doen twijfelen aan den adel van het menschelijk geslacht.’ Hij speculeert bovendien dat Jan de Weerts tijdgenoot Jan van Boendale hem (Te Winkel) zou gelijkgeven ‘dat het ons van den maatschappelijken toestand der 14de eeuw een al te donker spiegelbeeld voorhoudt’.3 Zijn conclusie laat zich raden: Jan de Weert was een pessimist.4 Een volgende geschiedschrijver, Jozef van Mierlo, zag in het werk ‘telkens treffende staaltjes in concrete, uit de werkelijkheid afgekeken beelden’, maar besloot: ‘Toch is het geschrift weinig betrouwbaar: de dichter zag bepaald alles te zeer in ‘t zwart.’5

Nu dan Van Oostrom over DCS. Het werk getuigt van een ‘vitaal realisme dat zonder weerga is in Middelnederlandse bronnen’ maar ‘wie tussen de regels doorleest […] ziet een veel zwartere kijk doorschemeren op mens en wereld’ (152, 155). Het ‘schotelt een vrij bittere, om niet te zeggen cynische kijk op mens en wereld voor. Jans wereldbeeld verrijst als een stoet van zondaars, groot en klein, die zich niet alleen misdragen jegens God maar ook tegen hun medemens […]’ (155). ‘Zijn somberheid loopt als een rode draad door heel Des coninx summe […],’ en nog eens samenvattend: ‘het onderwaterscherm van Des coninx summe vertoont een negatieve visie op de wereld’ (152, 156).

De parallellen met de hiervoor geciteerde kwalificaties van de Nieuwe doctrinael zijn frappant en geven te denken. Mijns inziens zijn ze het gevolg van een benadering die te weinig rekening houdt met de inherente eigenschappen van werken in dit genre. Natuurlijk, de Somme le roi is ook zo’n werk en daarin vinden we de ‘zwarte’ accenten in mindere mate. Het gaat echter om de techniek van de actualiserende bewerkingstrategie die auteurs als Jan de Weert en Jan van Brederode bijna geen andere keus laat dan de amplificatie: het aandragen van voorbeelden die ze uit eigen ervaring of van horen zeggen – of lezen – kennen en die relevant zijn voor het beoogde publiek. Door de systematische, bijna encyclopedische structuur van dit type werken lijken die meer een reeks argumenten in een betoog over de slechtheid van de mens.

Van Oostroms analyse van DCS is bijzonder waardevol en leerzaam, ook voor degene die Jan van Brederode als persoon beter wil begrijpen. Maar wat we zien is een selectie uit Van Berderodes ervaringen met de wereld zoals hij die heeft leren kennen: op zijn slechtst. Al het goede, mooie en waardevolle mocht geen plaats krijgen in zijn boek. Als we pessimisme vervangen door realisme, komen we misschien tot een minder eenzijdig oordeel over Van Brederodes persoonlijkheid. En laten we wel wezen: alle voorbeelden die Van Brederode geeft, maken de indruk een hoog realiteitsgehalte te hebben. Jan had geen geschrift als De contemptu mundi nodig om te weten wat er fout was in de wereld. De door hem beschreven kant had de wereld van toen nu eenmaal.

Opvallend is overigens dat Van Oostrom in zijn poging tot verklaring van Jans veronderstelde pessimisme verzuimt te zoeken in de richting van de gevolgen van de recente oorlog voor de schrijver. De heftigheid van zijn oorlogservaringen kan Jan niet onberoerd hebben gelaten. Ik kom hier op terug bij de tweede kanttekening die ik bij het boek wil maken.

Hoeksteen

In Van Oostroms paragraaf over Jan van Brederodes enige literaire werk dat we kennen, komt de volgende zin voor: ‘Hij adresseert zijn geschrift primair aan heer Johan van IJsselstein, broeder in Christi, een edelman over wie helaas weinig bekend is’ (143-144). Meer staat er niet; wie niet oplet, leest er zo overheen. Dat is opmerkelijk, omdat Van Oostrom in de medioneerlandistiek de eerste is geweest die met nadruk, zelfs programmatisch, op het belang heeft gewezen van dit soort gegevens voor de sociaalhistorische positionering en daarmee de interpretatie van middeleeuwse letterkundige werken.6 Nu lijkt het in het geval van DCS niet zozeer om mecenaat te gaan, maar om een adressering, wat kan duiden op een minder hiërarchische relatie tussen de schrijver en degene tot wie hij zich richt. Of dat ook zo is, blijft vooralsnog onduidelijk. Voor een toelichting op die ene zin moeten we bij de aantekeningen zijn. Daar geeft Van Oostrom toe dat hij zich het belang van deze omissie realiseert:

[…] hier ontbreekt een mogelijke hoeksteen; zijn connectie met Des coninx summe blijft voorlopig schimmig. IJsselstein deelde met de Brederodes vijandschappen en deelname aan de Friese oorlog […]. Maar er waren ook conflicten tussen de families […]. Gerard van IJsselstein was in de periode 1408-1416 pastoor te Haarlem […]. De Jan van IJsselstein waar het in dit geval om gaat, is voor het eerst nader geportretteerd door Van der Vlist 2004, maar lijnen naar Jan van Brederode en diens boek ontbreken vooralsnog.7

Het is duidelijk dat het onderzoek op dit punt is blijven steken. Dat is jammer, maar dit kan gebeuren. Toch valt er wel wat aan te merken op de wijze waarop Van Oostrom hier omspringt met de weinige gegevens die er wel zijn. Ten eerste is zijn weergave van de adressering niet geheel juist. We vinden die compleet met eigennaam in slechts één handschrift (Parijs, Bibliothèque Nationale, néerl. 109). Op basis van de editie-Tinbergen, waar het handschrift de sigle Q draagt, luidt deze: ‘Sonderlinghe lieve ende seer gheminde neve ende broeder in cristo ihesu Johan van Yselstein.’8 Evenals in de andere bronnen wordt hier het woord neve gebruikt; de betiteling ‘heer’, die Van Oostrom hanteert, ontbreekt. Elders in NS verklaart Van Oostrom (terecht, op basis van de context) neve als ‘aanduiding voor beminde getrouwen’ (169). Toepasselijker lijkt hier de betekenis ‘bloedverwant, zonder aanduiding van een bepaalde graad’.9 Uit de proloog valt op te maken dat de aangesprokene een leek is. Dat het om een edelman zou gaan, blijkt niet uit de tekst – al wijst de geslachtsnaam daar wel op.

Voor wie dit verder wil onderzoeken, staan in de aantekeningen helaas enkele storende vergissingen. Zo blijken de familieconflicten (waarvoor wordt verwezen naar een monografie van Corien Glaudemans) niet te spelen tussen de Brederodes en de IJsselsteins, maar tussen de Brederodes en het geslacht Egmond, waarvan vanaf 1363 Jan I en zijn opvolgers heren waren van IJsselstein.10 En de nieuwsgierig makende, nadere portrettering van Jan van IJsselstein in het aangewezen boek van Van der Vlist is daar niet te vinden.11

Hoewel we met een telg uit het geslacht Van IJsselstein te doen hebben, is deze Jan van IJsselstein beslist geen heer. Hij was de middelste van twee broers, waarvan de oudste Herberen heette en de jongste Walraven. Na de dood van hun vader, Gijsbrecht van IJsselstein, volgde Herberen in 1397 hem op als heer Ten Bosch (bij Uitermeer).12 Naar dit bezit werden leden van de familie ook wel aangeduid als Van den Bossch(e). De broers hadden een zuster, Elisabeth, die ten minste reeds in 1396 gehuwd was met Filips van Spangen.13 Hun moeder was Johanna (Gerritsdr.) van Heemstede, zij stierf drie jaar na de dood van haar man.14

Via hun moeder waren de kinderen verwant met Jan van Brederode, al gaat het om een verre verwantschap. Johanna was namelijk een dochter van Gerrit van Heemstede (1320-1375) en Maria van Polanen (1323-1382), die op haar beurt een dochter was van Jan I van Polanen (ca. 1285-1342) en Catharina van Brederode. Catharina’s broer Willem was dan weer de vader van Jan van Brederodes grootvader Dirk III, heer van Brederode (ca. 1308-1354), de ‘geweldenaar’ aan wie Van Oostrom maar liefst dertien bladzijden wijdt (22-35). Deze connectie kan het woord neve in de adressering van DCS verklaren. Misschien gaat de band tussen beide geslachten al terug tot het midden van de veertiende eeuw, toen een Herman van den Bossche zich bij de Brederodes onsterfelijk moet hebben gemaakt als kastelein, tijdens de maandenlange verdediging van hun stamslot te Santpoort in 1351.15

Iets over Jan van IJsselstein te weten te komen is minder moeilijk dan vast te stellen of er tussen hem en Jan van Brederode meer bestond dan een gemeenschappelijk voorouderschap. Allereerst enkele feiten uit Van IJsselsteins leven. In 1400 blijkt hij gehuwd te zijn met Sofia (Kerstantsdr.) van Alkemade.16 Het jaar daarop dient hij met Floris van der Tol de jonge als meesterknaap van de kost aan het hof van hertog Alrecht en diens gemalin.17 Hij bezit dan een huis te Delft naast het Sint Agathaklooster.18 In 1403 is hij heemraad van Delfland.19 Tijdens de Arkelse oorlog ontvangt hij in 1405 en 1407 tot driemaal toe een oproep om in krijgsdienst te verschijnen, telkens naast broer Herberen en zwager Filips van der Spangen en/of neef Floris van Alkemade.20 De verkoop van grond in De Lier en Maasland in 1409 en 1411 kan hem de middelen hebben verschaft om in dat laatste jaar met Helmich van Doornik in Overflakkee stukken nog te bedijken nieuwland te kopen, genaamd Nataers en Bommenede, waar hij in 1412 mee wordt beleend.21 In 1413 is hij scheidsrechter in een kwestie rond een doodslag door Gillis van Kralingen.22 De verkoop van meer land, in Naaldwijk en Maasland (afkomstig van schoonvader Kerstant van Alkemade) volgt in 1415 en 1416.23 In 1422 is hij borg voor de heer van Egmond. Acht jaar later wijst de verbannen broer Herberen het familiegoed Ten Bosch aan hem toe.24 Jan overlijdt vóór 17 juli 1433.25

Directe aanknopingspunten tussen de levens van de hoofdpersoon van NS en Jan van IJsselstein zijn in dit overzicht niet te vinden. De kans dat hun paden zich hebben gekruist is echter groot, want De IJsselsteins, maar ook naaste verwanten, speelden tijdens de Friese oorlog een grote rol. Al bij de eerste tocht naar Friesland, waaraan ook Jan van Brederode deelnam, vocht Herberen van IJsselstein mee.26 Eveneens tijdens de daaropvolgende expeditie in juli 1398, waarbij Jan van Brederode aanwezig was, trok Herberen ten strijde met tien gewapende mannen. Na afloop daarvan ging Jan van Brederode ter bedevaart naar Ierland. Net vijf dagen terug van die reis werd hij alweer benoemd als kapitein van Staveren (17 juni 1399). Zoals Van Oostrom vermoedt, zal dit voor hem te vroeg zijn gekomen: in zijn plaats werd dan ook vanaf 14 juli een driemanschap benoemd dat zijn taken moest overnemen tot Brederode op 8 september zijn dienst weer kon gaan vervullen. Dat driemanschap bestond uit Dirk van Zwieten, Floris van Alkemade en aanvankelijk ook Herberen van IJsselstein. In de benoemingsakte werd Van Brederodes naam doorgestreept en vervangen door die van Dirk van Wassenaar en Gerard van Egmond.27 De tweede man, Floris van Alkemade, was een volle neef van Jan van IJsselsteins vrouw, Sofie van Alkemade.28 Ook Walraven van IJsselstein speelde in deze periode een rol in de oorlog: met een aantal gezellen onder zich regelde hij de proviandering van Staveren.29

Jan van Brederode droeg in maart 1400 het bevel over het garnizoen in Staveren over aan zijn broer Willem. Kort daarop trad die terug, waarna Hendrik van Naaldwijk als interim werd aangesteld tot de tijd dat Jan van Brederode of zijn broer het van hem zou overnemen.30 In juni daarop vertrok een nieuw leger naar Friesland, weer met Floris van Alkemade als een van de aanvoerders. Omdat de graaf Jan van Brederode bij nader inzien Jan van IJsselstein nodig had voor een diplomatieke missie naar Engeland, benoemde hij per november 1400 in diens plaats een drietal kapiteins – allen waren naaste verwanten van Jan van IJsselstein: de eerder genoemde Floris van Alkemade, Filips van Spangen en Jan van Heemstede junior.31 Deze laatste was via Jan van IJsselsteins moeder een volle neef.32 In de volgende jaren zouden deze drie nog herhaaldelijk aan het roer staan in Staveren, evenals Jan van IJsselsteins jongere broer Walraven in de periode 1406-1408.33

Deze oorlogsjaren eisten in beide families hun tol. In september 1399 werd Walraven van Brederode tijdens een uitval van de Hollanders door de Friezen zwaar gewond en gevangen genomen (NS 94). Nog altijd niet genezen van zijn verwondingen wist hij na vier maanden te ontsnappen, maar na anderhalf jaar raakte hij opnieuw, nu voor vele jaren, in gevangenschap. De IJsselsteins werden evenmin gespaard. Op 3 augustus 1400 liet de graaf van Oostervant een brief sturen aan de kapiteins van Staveren, ‘roerende dat sy aentasten alle die gene die Walraven vanden Bosch geslagen hadden, ende dat sy die gevangen hilden tot mijns heren behoif’, gevolgd door een brief die daar nog eens spoed achter zette.34 Jan van Brederodes directe betrokkenheid bij de oorlog liep toen juist ten einde. In juli 1401 kreeg hij, verblijvend in de Giessenburch, nog een oproep ter heervaart naar Enkhuizen, maar deze tocht werd afgeblazen.35 Vlak daarna vonden de eerste plundertochten vanuit Arkel plaats: de Giessenburch werd verwoest, waarmee Jan een van de eerste slachtoffers van dit nieuwe oorlogsfront was.

Jan van IJsselsteins naam is tot dusverre niet opgedoken in de literatuur over de Friese oorlogsjaren, maar het is bijna onvoorstelbaar dat hij zijn broers daarin niet dikwijls terzijde heeft gestaan.36 Buiten bloedverwantschap kan gemeenschappelijke oorlogservaring, wapenbroederschap misschien, de sleutel zijn tot de bijzondere relatie die Jan van Brederode met zijn adressaat heeft gehad. Bedenken we de instemming waarmee Van Oostrom Huub Jansen citeert, die het militair moeras in Friesland karakteriseerde als ‘een veertiende-eeuws Vietnam’ (99), dan lijkt het me mogelijk dat lotsverbondenheid en gedeelde oorlogstrauma’s, hoe anachronistisch dit ook moge klinken, de achtergrond kunnen zijn voor een verdieping van persoonlijke betrekkingen. Over de verschrikkingen van deze strijd is Van Oostrom helder: ‘Ze [de Friezen] maakten hun vijanden net zo lief ter plekke af. Daarbij schrokken zij er niet voor terug om deze te onthoofden en hun hoofden op palen te steken als uitdrukking van horror en triomf’ (65).

De oorlogsjaren voorafgaand aan Jan van Brederodes retraite en tijdens zijn vertaalarbeid hadden grote gevolgen voor hemzelf en zijn familie. Ook daarin kan de achtergrond liggen van de band tussen auteur en adressaat.

De vraag blijft niettemin: waarom richt Jan van Brederode zich in dit boek nu juist tot Jan van IJsselstein en niet, bijvoorbeeld, tot diens toch in hoger aanzien staande broer Herberen?37 Waarschijnlijk betreden we hier het gebied van de affectieve banden in het persoonlijke leven waarop we via administratieve bronnen vrijwel nooit vat krijgen.

Bijvangst

In NS verrast Van Oostrom de lezer met een ‘volkomen onverwachte bijvangst’ van zijn onderzoek: de anonieme en tot dusverre nog ongeïdentificeerde kopiist van het handschrift-Van Hulthem, de belangrijkste bron voor onze veertiende-eeuwse letterkunde, blijkt een klerk te zijn die in dienst was van Jacob van Gaasbeek, heer van Abcoude (182). Op gezag van codicoloog en paleograaf Jos Biemans identificeert Van Oostrom een van de schrijfhanden in het zogeheten Manboek van Gaasbeek, een te Utrecht bewaard tweedelig leenregister van bezittingen van genoemde Jacob (182-184), als de Hulthem-kopiist.38 Ook zouden archivalia in Den Haag door deze hand zijn geschreven, maar welke dat zijn meldt Van Oostrom niet. De verantwoording van de hypothese is in de aantekeningen op de website uiterst summier, waarschijnlijk vanwege het nog te verschijnen wetenschappelijke artikel waarmee deze claim zal worden onderbouwd. Het zou kunnen dat Van Oostrom daarin troeven uitspeelt die hij in zijn monografie nog tegen zijn borst houdt. In afwachting van dat artikel kan ik niet anders dan voorlopig enkele bedenkingen naar voren brengen bij wat de auteur schrijft in NS. Onder de ‘Aanvullingen & Correcties’ op de website van NS heeft hij, na commentaar van microbioloog Ron Boot op 13 november 2017, al wat gas teruggenomen op het punt van de zekerheid waarmee de identificatie wordt gepresenteerd. Deze wees hem op, in Van Oostroms woorden:

een subtiele en ietwat bedrieglijke discrepantie in de beschouwing over de identificatie van de schrijfhanden van Hulthem en het Manboek: op p. 184 is het ‘hoogstwaarschijnlijk’ van r. 1 een paar regels verderop als zekerheid gestileerd. Een iets genuanceerdere frasering zou gepast zijn: hoogstwaarschijnlijk lijken is nog geen onverbiddelijk blijken. Beter zou zijn, subtiel voorzichtiger, te spreken van ‘eenzelfde hand’ dan van ‘dezelfde hand’.39

Van Oostroms hypothese bestaat eigenlijk uit een samenstel van beweringen. De belangrijkste zijn: 1. de schrijfhand van de Gaasbeek-kopiist (verder Ga) is van dezelfde persoon als de hand van de Hulthem-kopiist (verder Hu); 2. Hu schreef in ca. 1405-1408 en Ga schreef in 1408 (NS 184); 3. het atelier waar Hulthem werd geschreven blijkt dus de kanselarij van Jacob van Gaasbeek te zijn geweest. De jonge Jacob van Gaasbeek wordt daarmee ‘verreweg de beste kandidaat als opdrachtgever achter het handschrift-Van Hulthem’. Van alle tot dusverre geopperde hypothesen is de waarschijnlijkste dat het handschrift-Van Hulthem ‘een repertoireboek [is] geweest van een voordrachtskunstenaar (tevens dramaturg!) uit de omgeving van Jacob van Gaasbeek’.

Voordat ik enige problemen bespreek rond de identificatie van de schrijfhanden, wil ik de vraag opwerpen die daaraan vooraf gaat en die betrekking heeft op de tweede bewering: was Ga in 1408 in dienst van Jacob van Gaasbeek? Een afbeelding van de bewuste hand op p. 183 van NS stelt ons in staat om op basis van de schriftkarakteristieken zijn aandeel in het Manboek in kaart te brengen.40 Het is daarbij van belang te weten dat beide delen weliswaar werden aangelegd in 1408, maar vervolgens tot 1450 bij overdracht van een leen telkens werden bijgewerkt door een klerk van de leenkamer. Ga was een van die klerken. Verspreid over de delen bestaat zijn aandeel uit ca. 35 akten, die blijkens de daarin voorkomende dateringen alle moeten zijn geschreven in de jaren 1432-1439. Buiten hetgeen hij in deze registers opnam, zijn er ook bijdragen op losse stroken papier bewaard gebleven, die hoogstwaarschijnlijk in de vouw waren gestoken bij de rubriek waarop zij betrekking hadden. Deze stroken zijn op een zeker ogenblik verwijderd en ondergebracht in een afzonderlijke map.41 In deze map bevinden zich zeven stroken en velletjes met akten (soms meer dan één) geschreven door Ga. Het gaat niet om doublures, deze akten ontbreken in de registerdelen.42 Ook deze stukken stammen uit de genoemde periode. Bijdragen van Ga in de leenregisters die voorafgaan en volgen op het Manboek heb ik niet kunnen vinden, zodat we wel mogen aannemen dat deze klerk alleen van 1432 tot en met 1439 in dienst van Jacob van Gaasbeek is geweest.

Uitgaande van de meest recente datering van het handschrift-Van Hulthem (ca. 1405-1408), is de werkzaamheid van Ga als klerk van Jacob van Gaasbeek ca. 24-27 tot 31-34 jaar, dus grofweg een kwart tot een derde van een eeuw na de totstandkoming van het handschrift-Van Hulthem te dateren. De mogelijkheid dat we met dezelfde kopiist te doen hebben is daarmee nog niet verdwenen, maar wel aanzienlijk kleiner geworden. Hoe dan ook, de conclusie kan al wel worden getrokken dat, zelfs als de handenidentificatie juist zou blijken te zijn, het handschrift-Van Hulthem niet afkomstig is uit een schrijfatelier van Jacob van Gaasbeek. Ook staat de stelling dat Van Hulthem in de Noordelijke Nederlanden tot stand zou zijn gekomen met dit alles geheel op losse schroeven: het is niet bekend waar zich de latere kopiist van de Manboekdelen in 1405-1408 ophield en al helemaal niet in wiens dienst hij in die periode was.

Het tijdsverschil zorgt bovendien voor een methodisch probleem bij de identificatie van Hu en Ga. Zouden beide handen bij vergelijking nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, dan was er geen vuiltje aan de lucht. Maar een eerste verkenning levert naast begrip voor de herkenning van bepaalde overeenkomsten ook tal van niet onbelangrijke verschillen op. Ik zal een daarvan zo als voorbeeld geven. Wat ik voorafgaand daarover wil zeggen is, dat die verschillen door dat tijdsverschil telkens op twee manieren kunnen worden verklaard: ofwel Hu heeft zich in de tussentijd zodanig ontwikkeld, dat schriftkenmerk x verdwenen is en schriftkenmerk y daarvoor in de plaats is gekomen, ofwel: we hebben juist een argument ter onderscheiding van beide handen. Als dit bij meer dan een paar schriftkenmerken gebeurt, dan bevindt degene die wil bewijzen dat Hu dezelfde kopiist is als Ga zich in een hoogst problematisch betoog.

Een volgend probleem betreft de vergelijkbaarheid. Van Hulthem is een net geschreven boek (in cursiva formata) met voor het overgrote deel literaire versteksten, geschreven in gelinieerde kolommen. Er staan geen administratieve stukken in. De leenregisters bevatten uitsluitend administratieve stukken en zijn veel slordiger van uitvoering. Hand Ga is daardoor veelvuldig informeler dan Hu.

Voorts is er het verschil in taal. Hoewel de taal Van Hulthem nog niet grondig onderzocht is, kan op basis van een voorlopige inventarisatie al wel een indicatie van de te verwachten problematiek gegeven worden. Enkele streekgebonden orthografische verschillen zijn zeer groot. Een paar voorbeelden: Hu schrijft 1805 keer zuidelijk met tegen een keer mit, 1717 keer zuidelijk es tegen dertien keer noordelijk is (waarvan tien keer in dezelfde tekst waarin is als rijmwoord voorkomt).43 Hetzelfde beeld zien we bij 178 keer zuidelijk sent(e) (‘heilige’) tegen eenmaal noordelijk sinte en nul keer noord- en noordoostelijk sunte. Van Hulthem mag dan teksten bevatten van recente Hollandse afkomst (NS 182), er is geen twijfel aan dat het boek in de zuidelijke Nederlanden door een Brabantse kopiist is geschreven.44 Omdat er nog geen transcripties van de door Ga geschreven akten zijn, moeten we het daar doen met een steekproef. In tien akten, geschreven in de jaren 1432-1439 telde ik nooit zuidelijk met, wel 18 keer noordelijk mit; nooit zuidelijk es, wel 17 keer noordelijk is; nul keer zuidelijk sente en negen keer noord- en noordoostelijk sunte. Een ander opvallend verschil is de voor Ga gebruikelijke spelling opp, die we bij Hu niet eenmaal aantreffen.

Helaas ontbreekt het mij aan ruimte om in te gaan op alle argumenten die Van Oostrom aandraagt. Maar ik wil nog wel wijzen op een significant paleografisch verschil tussen Hu en Ga. Hu schrijft de slot-s op een zeer karakteristieke manier: die letter is samengesteld uit drie haaltjes die samen nog het meeste weghebben van ons cijfer 6.45 Bij Ga zien we een gesloten vorm (ongeveer als een B). Daarbij komt dat Hu nooit een lange slot-s schrijft.46 Ga heeft echter de gewoonte het woord ons te laten eindigen op een lange s.47 Bedenken we dat de lange slot-s eerder archaïsch is dan modern, dan is een verklaring in de richting van een latere ontwikkeling (één hand, van Hu naar Ga) juist weer weinig voor de hand liggend.

Het is hier niet de plaats om beide handen systematisch te vergelijken; dat zal ongetwijfeld grondig gebeuren in het beloofde wetenschappelijke artikel. Op dit ogenblik lijkt het belangrijk vast te stellen dat het weliswaar in principe niet is uitgesloten dat Ga de hand is van een kopiist die veel eerder in zijn leven het handschrift-Van Hulthem schreef, maar dat echte bewijzen daarvoor nog wel moeten worden geleverd. Gezien de grenzen van de vergelijkbaarheid zal dat een lastige zaak worden.