De Hollandse ridder Jan van Brederode (1370/2-1415) leidde een kleurrijk leven, waarvan de pieken en dalen nu in detail bekend zijn dankzij Nobel streven. Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode, de biografie van Jan van Berderode door Frits van Oostrom. Hierin gaat de bekende medioneerlandicus als een historicus te werk, zoals hij in verschillende interviews aangeeft. Hij ziet het boek als een ‘ode aan het archiefonderzoek’.1 Van Oostrom is dan ook lyrisch over de bronnen die historici ter beschikking staan, zoals oorkonden, rekeningen en leenregisters. Natuurlijk gebruikte hij dergelijke bronnen al eerder bij het schrijven van zijn Woord van eer uit 1987.2 Op basis van grafelijke rekeningen in combinatie met een prachtig corpus aan literaire bronnen kon Van Oostrom de wereld van het Hollandse hof van Albrecht van Beieren rond 1400 op uitmuntende wijze schetsen. Toch paste Jan van Brederode niet in de hofwereld die hij destijds met fraaie pennenstreken schilderde.3 In zijn nieuwe boek, met ondersteunende website (www.nobelstreven.nl), plaatst Van Oostrom Van Brederode nu in het volle licht. Dat is zeker passend, gezien de bijzondere levensloop van deze Hollandse edelman.

Deze bespreking komt voort uit een historische lezing van het boek, met bijzondere aandacht voor de wijze waarop Van Oostrom de adel portretteert. De stevige uitspraken over deze sociale groep zijn voor ons aanleiding geweest om de bevindingen van deze historische studie tegen het licht te houden van het recente, multidisciplinaire onderzoek naar de adel in laatmiddeleeuws West-Europa, zonder dat we hier willen overkomen als bewakers van de historische ‘schutting’ (184).4 In deze bespreking van Van Oostroms rijke studie beperken we ons tot drie aspecten: de chronologie en de heraldiek die bepalend zijn voor de structuur van het boek, de rol van de adel in de samenleving en ten slotte het concept ‘huurling’ en de middeleeuwse krijgsdienst.

Chronologie en heraldiek

Van Oostrom valt in het eerste hoofdstuk met de deur in huis en begint – zonder de lezer te vermoeien met enige inleiding of vraagstelling – met de genealogie van het geslacht Brederode. De chronologie is de leidraad, niet alleen van dit eerste hoofdstuk, maar van het hele boek. Daar zegt de auteur specifiek wat over: ‘Voor het reconstrueren van deze historische waarheid bleek in dit geval chronologie cruciaal. [...] Juist in de tijd ontvouwt zich de logica. [...] De chronologie eenmaal op orde, was het vervolgens zaak door combineren en deduceren scherp te krijgen hoe alles in elkaar greep, en waar dat kon bij voorkeur in causaal verband’ (285-286). Het nauwlettend volgen van de chronologie hielp Van Oostrom bij het oplossen van verschillende raadsels en problemen. Chronologie is dus cruciaal, maar geschiedenis is meer dan het in een logische volgorde zetten van feiten. De betekenis van historische feiten is altijd voorlopig, enerzijds vanwege de temporaliteit, complexiteit en contingentie van historische gebeurtenissen, anderzijds omdat het contextualiseren en interpreteren daarvan samenhangt met beeldvorming door historici. Hoewel Van Oostrom erkent dat historische oorzakelijkheid heterogeen is, gaat de nadruk die hij legt op het blootleggen van de ‘historische waarheid’ voorbij aan Johan Huizinga’s vaststelling dat ‘Geschiedenis altijd een vormgeving aan het verleden [is], en niet [kan] pretendeeren, meer te zijn’.5

Chronologie is overigens een vaak gehanteerd ordeningsprincipe van biografieën: de levensloop wordt van geboorte tot sterftejaar verteld, waarbij zo veel mogelijk wordt getracht er een thematische beschouwing doorheen te borduren. Dit was het geval in het boek over Jan van Brederodes tijdgenote Jacoba van Beieren (1401-1436) van Antheun Janse, de recente adelsbiografie van Edward of Woodstock, bijgenaamd The Black Prince (1330-1376) en ook in de onuitputtelijke reeks koningsbiografieën die in Engeland het licht zien.6 Dat lijkt iets willekeurigs te hebben: alsof het leven van een persoon in gelijke hoofdstukken is in te delen. Toch doet de constructie in het geval van Nobel streven geen moment gekunsteld aan. Zeker omdat de levensloop van Jan van Brederode wordt voorafgegaan door een familiegeschiedenis (I: Een trots geslacht), onderbroken door een beschouwend hoofdstuk (VI: Feit en fictie) dat meer over het ambacht van de historicus gaat en een boeiend kijkje in de keuken van de wetenschapper geeft, en afgesloten door een ‘nageschiedenis’ (VII). Sterker nog, wij betwijfelen of een thematische benadering van Jans leven zijn grillige levensloop beter in kaart had kunnen brengen: nu komen de wendingen in Jans leven volledig tot zijn recht.

Het wapenbord van Reinoud van Brederode (1415-1473), de neef van Jan van Brederode, uit de Grote Kerk in Den Haag. Het oorspronkelijke wapenbord werd in 1456 vervaardigd toen het kapittel van de Orde van het Gulden Vlies in Den Haag bijeenkwam. Dit bord ging verloren bij een brand in 1539, maar kort daarna vervaardigde de Mechelse hofschilder van Karel V, Jan van Battel, het huidige wapenbord. Bij een recente restauratie bleken er onder de twee rode leeuwen in zilver (Valkenburg) rode leeuwen in goud verscholen te zitten, een foutje dat de schilder waarschijnlijk zelf rechtzette. Alle leeuwen zijn overigens rood, wat door invloeden van de tijd niet even goed zichtbaar is. Evenals op andere wapenborden uit de vijftiende eeuw, prijken er op het wapen van Brederode geen barenstelen (eerste en vierde kwartier). Foto: Stichting Grote Kerk Den Haag, met dank aan Marjolijn Kruip.

Een tweede ordenend principe van het boek is de heraldiek. Van Oostrom benadrukt terecht dat het gebruik van heraldiek een belangrijk element was in de sociale en politieke profilering van de Brederodes en hij schroomt niet dit technische aspect van de adelsgeschiedenis over het voetlicht te brengen. Diverse speciaal getekende illustraties zijn opgenomen in het boek om de heraldiek van het geslacht te verduidelijken en de veranderingen in het wapenschild weer te geven. De Brederodes voerden van oudsher als wapenschild een rode leeuw op een gouden veld, blauw getongd en geklauwd, gebroken met een barensteel (een horizontale balk over het schild met drie zogenoemde hangers). De chroniqueur Jan van Leiden (overleden in 1504), uitvoerig geciteerd door Van Oostrom (9-13), legt in de kroniek die hij schreef in opdracht van Yolanda van Lalaing, echtgenote van Reinoud II van Brederode (1415-1473), het verband tussen het wapen en de afstamming van de Brederodes van de koningen van Troje en het Hollandse gravenhuis die hetzelfde wapen voerden. Het breken van het wapen met een barensteel duidde er echter op dat de familie van een jongere zoon van het gravenhuis afstamde en was zeker niet ‘ontsierend’, zoals Van Oostrom stelt (11).7 Van Oostroms interpretatie van Van Leidens tekst (‘den leoen van Hollandt mit drye baeren stelen ghebroecken’) is bovendien dat het een ‘gebroken barensteel’ betrof ‘om te markeren dat zij niets met bastaardij uitstaande hadden’. Van Leiden gebruikte het woord ‘breken’ hier echter als een heraldische term. Niet de barensteel, maar de schuinstaak (een balk die schuin over het schild loopt van rechtsboven naar linksonder) was in Holland typisch om aan te geven dat het een bastaardtak betrof.8

Deze verwarring leidt later in het boek tot enkele onduidelijkheden. Zo zouden bij de toelating van Reinoud II van Brederode tot het Gulden Vlies – opnieuw volgens Jan van Leiden – de Kabeljauwen er bij Filips de Goede op hebben aangedrongen dat hij ‘zyn wapen zoude brecken mitten stock’. Het gaat hier duidelijk niet om een barensteel (334) maar om een schuinstaak.9 Reinoud III van Brederode (1492-1556), die het waagde het volle wapen van Holland te voeren zonder barensteel, werd in 1531 op zijn plaats gezet door Karel V. Toch leert een zorgvuldige analyse van het procesdossier door Henk Dragstra dat Reinoud III niet werd beschuldigd van majesteitsschennis of op het nippertje ontsnapte aan onthoofding (341). Die voorstelling is gebaseerd op een zeventiende-eeuwse interpretatie door geschiedschrijvers als Pontus Heuterus en Paulus Voet die in de historiografie voortleefde maar nu afdoende is weerlegd.10 Natuurlijk gebruikten vorsten en edelen heraldiek om aanspraak te maken op hetzij een bepaald grondgebied, hetzij een glorieuze afstamming. Ook in het geval van de Brederodes is dat duidelijk het geval. Zij wilden zich onderscheiden als leden van een roemrijk adellijk geslacht met grafelijke afstamming. Op deze manier plaatsten zij zich boven andere edelen die op hun beurt bezig waren zich te profileren aan het vorstelijke hof.

Jan van Brederode als edelman

In de engste zin is Van Oostroms boek een biografie van een edelman. Laten we het toegeven: dit is een boek dat wij, historici die zich bezighouden met de adel, graag zelf hadden geschreven. Dat hebben we nagelaten, ook al betekent dat natuurlijk niet dat we hebben stilgezeten. De bevlogen inzet van Antheun Janse, die veelvuldig door Van Oostrom wordt aangehaald, heeft in de afgelopen twee decennia geleid tot hernieuwde aandacht voor de adel in de laatmiddeleeuwse Nederlanden.11 In de publicaties die uit dit adelsonderzoek voortkwamen, staan niet biografieën van individuele edelen centraal, maar de positie van de adel als sociale groep in de samenleving.12 In deze collectieve biografieën wordt het landschap geschetst waartegen de levens van individuele edelen zich aftekenden. Dat is precies het omgekeerde van wat Van Oostrom wetenschappers verwijt die ‘individuele gevallen tot data’ bundelen waaruit een patroon of generalisaties voortkomen ‘die dan op hun beurt grif worden teruggeprojecteerd op individuele gevallen’ (295).

Het is knap dat Van Oostrom erin slaagt ingewikkelde sociale en historische processen te verduidelijken aan de hand van het leven van één edelman. De vraag is echter in hoeverre het ‘verre van doorsneeleven’ (291) van Jan van Brederode illustratief is voor dat van de laatmiddeleeuwse Hollandse adel, of zelfs van een segment daarvan. En hoe verhielden de strategieën van een individuele edelman zich tot die van de familie, of tot de ‘sociale reproductie’ van de adel als groep? Dit zijn geen concepten waarmee Van Oostrom zijn lezers lastigvalt, maar die wel uit het boek te destilleren zijn. De adel bestond vanzelfsprekend niet in de middeleeuwen, want zowel de idealen en de normen die adeldom definieerden als de samenstelling van het adellijke deel van de bevolking waren voortdurend aan verandering onderhevig. Er zijn geen lijsten van edelen overgeleverd, aan de hand waarvan we kunnen vaststellen wie tot de adel werd gerekend en wie niet.13 Nu is in het geval van iemand als Jan van Brederode wel duidelijk dat het om een edelman gaat, want hij kwam uit een eeuwenoud adellijk geslacht dat kon bogen op riddertitels en belangrijke bezittingen (heerlijkheden). Er was echter een vrij grote groep van edelen onder deze toplaag, van wie het sociale profiel veel minder geprononceerd was. Juist uit dit grote grijze midden kwamen voortdurend ‘nieuwe edelen’, zoals Dirk Potter (305-307), voort.

Adellijke families liepen altijd het risico van het toneel te verdwijnen als er geen mannelijke erfopvolger werd geboren. Het rad van fortuin bepaalde grotendeels het handelen van het hoofdpersonage in Van Oostroms boek: Jans intrede in het klooster als hij geen kinderen blijkt te kunnen krijgen en zijn uittrede wanneer er via zijn echtgenote een aanzienlijke erfenis verzilverd kan worden. De auteur reconstrueert in detail de wijze waarop de Brederodes hun macht, rijkdom en status probeerden te vergroten, maar ook vaak weer verspeelden. Hoewel Jan en zijn broers eensgezind lijken te zijn geweest in het veiligstellen van hun familiebelangen, is de nadruk die Van Oostrom legt op het ‘zeer bezonnen familieberaad’ en de overwegend ‘materialistische’ keuzes van de edelen (288-289) eenzijdig. Edelen schakelden emoties in hun beraadslagingen niet uit, want die maakten eerder een integraal bestanddeel uit van hun berekende beslissingen.14 Daarnaast kwamen conflicten over rechten en bezittingen tussen erfgenamen en potentiële erfgenamen of zelfs hele families veelvuldig voor.15 De zorg om het voortbestaan van het geslacht op de lange termijn was daarin niet altijd bepalend en hoeft daarom het handelen van de Brederodes niet in alle gevallen te verklaren (48, 304, 332). In de dagelijkse praktijk had verwantschap vooral een horizontale betekenis in de zin van de soms gespannen omgang met al dan niet aangetrouwde familieleden, zoals Jans moeizame relatie met zijn schoonvader Willem van Abcoude, die hem financieel uitkleedde (52), illustreert. Tot slot beschouwt Van Oostrom Jans intrede in het kartuizerklooster te Zelem in 1401 zuiver functionalistisch als de uitkomst van collectief beraad in plaats van persoonlijke overwegingen (104-106), al gaat daar wel een uitgebreide afweging van mogelijke andere motieven aan vooraf.

Miniatuur uit de L’arbre des batailles van Honoré Bonet (1386-1389), één van de meest invloedrijke militaire traktaten van de late middeleeuwen, vooral op het vlak van oorlogsrecht. Het rad van fortuin staat centraal, net zoals op de cover van Nobel streven, maar heeft een heel andere betekenis dan daar. Het toont de grote risico's verbonden aan oorlogsvoering, waarbij de overwinnaars van vandaag de verliezers van morgen kunnen zijn. Dit is precies wat Jan van Brederode te Azincourt overkwam.

De wijze waarop edelen hun positie probeerden te waarborgen laat patronen zien, maar hun strategieën waren niet altijd eenduidig en werden vaak doorkruist door het toeval. De politieke keuze van de Brederodes voor het Hoekse kamp was achteraf niet zo gelukkig, maar betekende evenmin dat de familie direct van het toneel verdween. In dit opzicht is de familie Van Brederode te vergelijken met de Van Haamstedes uit Zeeland, die zich als nakomelingen van Witte, een bastaardzoon van Floris V, generaties lang aansloten bij de Hoeken. Toevallig deed ook Jan, heer van Montignies (46, 124), als oudste zoon van de heer van Haamstede in 1410 zijn intrede in Zelem. Hij droeg net als Jan van Brederode zijn rechten over aan een jongere broer. Deze broer Floris steunde later als heer van Haamstede Jacoba van Beieren in haar strijd tegen de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467), al werd hij na een gevangenschap en het betalen van een hoge boete in genade aangenomen door de hertog. De heer van Haamstede kreeg zijn geconfisqueerde goederen terug, maar verloor deze door zijn eigengereide gedrag alsnog aan de hertog in 1455. In politiek en economisch opzicht was Floris toen al lang uitgespeeld. Hij stierf kort daarna kinderloos op hoge leeftijd.16 Zo’n einde bleef Jan van Brederode door zijn dood op het slagveld bespaard.

Adel en krijgsdienst

‘Adel heiβt grundsätzliche Gewaltbereitschaft,’ zo schreef Werner Paravicini kernachtig in 2006.17 Vorsten konden hun politieke ambities niet uitvoeren zonder het militair potentieel van de adel en zijn bereidheid om geweld te gebruiken. Militaire dienst vormt dan ook een cruciaal onderdeel van de biografie van Jan van Brederode. De reconstructie van de loopbaan van een middeleeuwse krijgsman is geen sinecure, maar Van Oostrom is erin geslaagd een aanzienlijk deel van zijn militaire exploten boven water te brengen. Zijn kadering van deze activiteiten in de middeleeuwse oorlogsvoering is echter problematisch. Nobel streven maakt een onderscheid tussen Jans militaire carrière in dienst van de graaf van Holland in de jaren 1390 en als een ‘ridderlijke huurling’ (261, 266) in 1412-1415. Op zich is er niets mis met de term ‘huurling’, maar door betaalde krijgsdienst af te schilderen als een ‘val op het rad van fortuin’ (waaraan de afbeelding op het omslag van Nobel streven refereert), creëert Van Oostrom een vertekend beeld van laatmiddeleeuwse oorlogsvoering. Niet alleen was militaire dienst voor de adel een raison d’être, maar werd vanaf de late dertiende eeuw het uitkeren van soldij zelfs de norm, ook wanneer een edelman voor zijn leenheer streed.18

De karakterisering van Jans oorlogservaring sluit nauw aan bij het beeld dat Johan Huizinga schetst in Herfsttij der Middeleeuwen. Huizinga gebruikt in dit boek de beroemde ‘Voeux du heron’ (de ‘Eden van de reiger’) als voorbeeld van het verdwijnen van ridderlijke idealen.19 Edward III van Engeland (1327-1377) zou door Robert III van Artesië (1287-1342) zijn aangezet oorlog te voeren tegen zijn zwager, Filips VI van Frankrijk (1293-1350), door hem een reiger aan te bieden, het lafste van alle dieren. Edward reageerde hierop door op de reiger te zweren dat hij tegen de Franse koning zou strijden, een eed die door de aanwezige edelen werd overgenomen. Jan van Beaumont (1288-1356), broer van graaf Willem III van Holland en Henegouwen, legde de eed eveneens af, maar verklaarde eerst dat hij zou vechten voor wie hem het beste zou betalen.20 Dit lijkt een typisch voorbeeld van de negatieve associatie met het concept ‘huurling’, zoals die in verhalende bronnen naar voren komt, maar toont vooral ook de complexe banden tussen al dan niet hoge edellieden en diverse vorstenhuizen aan. Tijdens de Honderdjarige Oorlog trachtten beide kampen edellieden uit de politiek gefragmenteerde regio’s tussen Noordzee en Rijn aan zich te binden.21 Dat Jan van Brederode in 1415 zijn diensten aan zowel de Engelse als de Franse koning aanbood, bevreemdt dus niet en weerspiegelt in de eerste plaats zijn uitgebreide internationale contacten.

Van Oostrom maakt in feite een onderscheid tussen ridderlijkheid en militaire professionalisering (245), terwijl historisch onderzoek juist op de nauwe banden tussen beide heeft gewezen.22 De auteur merkt zelf op dat leden van het geslacht van Brederode tot het uitsterven ervan in de zeventiende eeuw een vooraanstaande militaire rol bleven spelen (341-342). In de context van de moderne natiestaat heeft vreemde krijgsdienst een slechte reputatie gekregen, maar men kan dit negatieve beeld niet zomaar op de middeleeuwse situatie toepassen. Nobel streven is hier, zoals in de ‘Aantekeningen’ op de website wordt aangegeven, schatplichtig aan Terry Jones’ interpretatie van Chaucer’s The Knight’s Tale. Jones verklaarde in 1980 dat ‘the Knight’ uit de Canterbury Tales geen ideale ridder was, maar een ordinaire huurling.23 Jones’ visie heeft het academisch debat sterk gestimuleerd en is van blijvende waarde (zijn boek werd in 2017 weer herdrukt), maar het beeld dat hij presenteert is inmiddels overtuigend weerlegd. Maurice Keen en Werner Paravicini, om de voornaamste historici te noemen, hebben aangetoond dat deelname aan krijgshaftige ‘reizen’, waarbij men meestal soldij ontving, voor tijdgenoten juist een kernonderdeel was van ridderlijkheid.24 Een edelman bevestigde zijn status in de krijg en vocht als de gelegenheid daartoe zich voordeed. De lofdichten van de Heraut Gelre (ook geciteerd door Van Oostrom, 240) staan vol met verhalen over reizen naar buitenlandse strijdtonelen.25 Jan van Brederode was ongetwijfeld een man van actie, maar zijn keuze in het buitenland krijgsdienst te zoeken was zeker geen wanhoopsdaad van een ridder, zoals Van Oostrom stelt (248).

Boekomslag van Nobel streven (Amsterdam 2017).

Het is tekenend dat Van Oostrom zijn boek afsluit (361) met de jeugdervaring die Huizinga’s historische belangstelling aanwakkerde en hem tot het schrijven van Herfsttij der Middeleeuwen bracht. Nobel streven ademt het bekende beeld dat Huizinga nu bijna een eeuw geleden heeft neergezet. De laatmiddeleeuwse adel toont haar prachtigste kleuren aan het hof, op het slagveld en op het toernooi, maar was op weg naar de uitgang van de geschiedenis. De ‘dienstadel’ verdrong de ‘geboorteadel’, ‘aristocratie’ maakte plaats voor ‘meritocratie’ (233) en de ‘nieuwe tijd’ deed ook op het slagveld onverbiddelijk zijn intrede (334). Recent historisch onderzoek naar de adel heeft dit beeld echter herzien en duidelijk gemaakt dat de rol van de adel op het slagveld en in het bestuur zeker niet was uitgespeeld. Tijdgenoten schatten bovendien de betekenis van adeldom zeker niet te hoog in, zoals Huizinga stelt: het was een levensvorm met reële betekenis, waarnaar een specifiek deel van de samenleving streefde en dat hun handelen bepaalde.26 Edelen waren in de late middeleeuwen zeer goed in staat hun idealen en strategieën aan te passen aan de dynamiek die op gang werd gebracht door processen van staatsvorming, verstedelijking en commercialisering. Juist het leven van Jan van Brederode illustreert dat edelen niet wereldvreemd waren (289-290). Deze historische inzichten ontbreken helaas in het beeld dat Van Oostrom schetst van de Hollandse adel in de late middeleeuwen, waardoor het idee van een herfsttij nog wel even zal voortbestaan. Dit doet niets af aan deze puike biografie, maar had het kleurrijke leven van ridder Jan van Brederode wel in een ander historisch perspectief geplaatst.

Verder hebben wij genoten van Van Oostroms nauwkeurig speurwerk naar bronnen over Jans leven en de minutieuze lezing daarvan. Als geen andere mediëvist is hij in staat om administratieve, religieuze en literaire bronnen op te sporen en met elkaar te verbinden. Behalve van zijn expertise en enthousiasme kunnen historici leren van de stijl en het taalgebruik waarmee de auteur zijn lezers door de wereld van de late middeleeuwen voert en hun de uiteenlopende bronnen presenteert. Daarmee bereikt hij blijkbaar een groot lezerspubliek buiten de muren van de wetenschap om, want het boek gaat in grote aantallen over de toonbank en is bekroond met de Libris Geschiedenis Prijs.27 Ook dat is een grote verdienste.