In 2013 publiceerden Joop van den Berg en Jan Vis onder de hoofdtitel De eerste honderdvijftig jaar een overtuigend standaardwerk over de parlementaire geschiedenis van Nederland in de jaren 1796-1946. Oorspronkelijk was het de bedoeling de gehele geschiedenis tot in het heden in één band te beschrijven. Door het overlijden van Jan Vis kon het project echter niet als gepland worden voltooid en stopte de studie in 1946 bij de eerste Tweede Kamerverkiezingen na de Tweede Wereldoorlog. Nu is het vervolg over de naoorlogse decennia verschenen, met Bert van den Braak als tweede auteur. Vormde het eerste deel met bijna 800 pagina’s over 150 jaar parlementaire geschiedenis al een omvangrijk werk, het nu voorliggende tweede deel legt daar met ruim 950 bladzijden over 70 jaar nog een flinke schep bovenop. Daarmee is opnieuw een bewonderenswaardig breed overzicht en helder opgebouwd standaardwerk verschenen.

Positief is de periodisering van de beschreven naoorlogse decennia die tot de volgende hoofdstukindeling leidt: 1946-1959 (Terugkeer van het vooroorlogs bestel), 1959-1973 (Hoogtij en verval van de KVP), 1973-1982 (Polarisatie en ontnuchtering), 1982-2002 (Liberalisering onder Lubbers en Kok) en ten slotte 2002-2016 (Versplintering in onzekere tijden). Zeker, deze hoofdstukkenindeling is uit politiek-historisch gezichtspunt voor de hand liggend, maar een dergelijke periodisering biedt veel meer inzicht in (dis)continuïteitslijnen dan de in de parlementaire geschiedschrijving vaak gebruikelijke en ‘brave’ achtereenvolgende beschrijving van legislatuurperiodes en bijbehorende kabinetten. Door de gekozen indeling ontstaat thematisch per periode een goed overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen en vindt weinig tot geen verbrokkeling van de vele beschreven beleidsterreinen plaats. Zo geeft het eerste hoofdstuk goede analyses van legislatuurperiodes overstijgende thema’s als de dekolonisatie van Indonesië, sociaal-economische vraagstukken, veranderend buitenlands beleid en grondwetswijzigingen. Ook de daarop volgende hoofdstukken bieden steeds een geslaagde mengvorm van langere termijn ontwikkelingen op bepaalde beleidsterreinen en beschrijvingen van specifieke, tijdgebonden gebeurtenissen. Zo is het een goede keus om – zoals in het vierde hoofdstuk centraal staat – de regeringsperiodes van Ruud Lubbers en Wim Kok in één hoofdstuk te behandelen en veel aandacht te besteden aan de beleidscontinuïteit op sociaal-economisch gebied. Parlementaire geschiedenis wordt daarbij terecht ruim opgevat: steeds wordt aandacht besteed aan politiek-culturele ontwikkelingen, aan verkiezingen, kabinetsformaties, de economische situatie en aan de internationaal-politieke situatie, zodat de parlementaire besluitvorming voortdurend tegen een bredere achtergrond wordt gepresenteerd. Helder geformuleerd zijn voorts de samenvattingen waarmee aan het eind van ieder hoofdstuk op de behandelde periode wordt teruggeblikt (met uitzondering van de wel zeer summiere terugblik op de jaren 2002-2016, 912 e.v.). Wel moet worden vastgesteld dat het boek niet veel nieuwe, spannende of ‘onthullende’ passages levert, maar dat is ook niet het primaire doel van studies die vooral als overzichts- of naslagwerken geschreven zijn.

Kijkt men vanuit het huidige politieke landschap naar de gehele parlementaire naoorlogse geschiedenis, is men wellicht geneigd de verschillen met de periode van de verzuiling tot in de jaren zestig, de daarop volgende polarisatie, de ‘no-nonsense’-fase onder Lubbers en de ‘polder’-jaren van Kok als diepgaand en fundamenteel te beschouwen. Volgt men de beschrijvingen van Van den Braak en Van den Berg, dan valt op dat bij alle veranderingen die sinds de doorbraak van het populisme in 2002 in het parlement zichtbaar zijn geworden, de rust en stabiliteit van de daaraan voorafgaande decennia niet mag worden overdreven. De scherpe politieke tegenstellingen over de dekolonisatie van Indonesië, de vruchtbare maar ook vaak zeer moeizame samenwerking tussen Rooms en Rood in de jaren vijftig en de ook in deze jaren herhaaldelijk optredende kabinetscrises relativeren het soms nog bestaande beeld van de ‘consensus’-jaren vijftig nadrukkelijk. De totstandkoming van het kabinet-Rutte III in 2017 mag met 225 dagen een lengterecord zijn, bij Van den Braak en Van den Berg rijst terecht het beeld op dat kabinetsformaties in Nederland vrijwel steeds een uiterst moeizame aangelegenheid zijn. Ook valt op dat veel parlementaire besluiten sinds 1946 met een minimale meerderheid door de Staten-Generaal zijn gekomen en dat de heden ten dage veelal gevoelde spanning over kleine parlementaire meerderheden niet zo nieuw is als vaak wordt gedacht. Op beleidsgebied vallen eveneens meer continuïteitslijnen op dan vaak wordt vermoed, zoals terzake van de sinds de jaren zestig veelvuldig bediscussieerde politieke vernieuwing, discussies die overigens zelden tot daadwerkelijke veranderingen leidden. Op sociaal-economisch gebied valt op dat, hoe diep de politiek-culturele breuk van de Fortuyn-revolte van 2002 ook werd gevoeld, de beleidscontinuïteit tussen de jaren onder Lubbers en Kok enerzijds en die onder Balkenende anderzijds groter is dan vaak wordt aangenomen. Zo leest het boek van Van den Braak en Van den Berg steeds weer als een illustratie van Nederlands politiek en parlementair pragmatisme. De politieke tegenstellingen konden in alle onderscheiden periodes na 1945 groot zijn, de samenwerking verliep vaak moeizaam en weinig kabinetten haalden de eindstreep. Toch kwamen er besluiten tot stand, werd vooruitgang geboekt en overbrugde het pragmatisme veelvuldig politieke kloven. Of, zoals het in het boek zelf wordt gesteld, in de Nederlandse naoorlogse democratie eindigde ‘de wedstrijd zelden [...] in overwinning of verlies, maar meestal in breed aanvaarde remise’. Die remise mag niet worden verward met politiek-inhoudelijke consensus – daarvoor liepen de meningen steeds te ver uiteen – hooguit was er consensus dat in het verdeelde politieke landschap alleen door compromissen vooruitgang mogelijk was.

De grote prestatie van de auteurs en de uitstekende overzichten op veel beleidsterreinen betekenen niet dat er van kritiek geen sprake is. Zo valt het zeer te betreuren dat een bij dit omvangrijke werk passende conclusie ontbreekt. De slotbeschouwing telt niet meer dan vierenhalve bladzijdes en dat is een gemiste kans die niet wordt gecompenseerd door de de deelconclusies aan het eind van elk hoofdstuk. Hier hadden de auteurs de kans gehad historische lijnen te trekken, verklaringen te bieden en de Nederlandse parlementaire geschiedenis in een breder kader te presenteren. Daarin zou ook een analyse van de veranderende parlementaire cultuur een plaats hebben verdiend, veranderingen waarin de ontzuiling van de jaren zestig, de democratisering van politiek en maatschappij alsmede het populisme hun sporen nalieten. Kritisch is ook op te merken dat aan het slot van het boek het parlement wel erg op de achtergrond raakt: in de uitvoerige beschrijving over recente ontwikkelingen in Europa (886 e.v.) zoekt men tevergeefs naar parlementaire stellingnames. Enkele andere paragrafen betreffende de jaren van Rutte II maken een wat summiere en deels verbrokkelde indruk. Ten slotte is te kritiseren dat dit standaardwerk – evenals overigens het eerste deel – zonder notenapparaat is verschenen. De meeste lezers zullen dit boek niet van kaft tot kaft doornemen, maar doelgericht zoeken naar bepaalde thema’s, waarbij voor verder onderzoek concrete verwijzingen naar de Handelingen van de Staten-Generaal of literatuur zeer behulpzaam zouden zijn geweest. Aldus mist dit prachtige standaardwerk een zekere gebruikersvriendelijkheid.