Voor de historiografie van de moderne media zijn jubilea van groot belang. Vele boeken zijn geschreven met wat geld dat bij een jubileum blijkbaar eerder vrijkomt dan in normale tijden. Zo schreef de politicoloog Peter Bootsma, die tot nu toe vooral over Nederlandse politieke geschiedenis publiceerde, een boek bij het vijfenzeventigjarig bestaan van het dagblad Trouw in 2018. Natuurlijk dankzij de steun van een paar christelijke stichtingen, want Trouw wortelt diep in de protestantse wereld. Dat was al zo bij de oprichting begin 1943, toen een groep rond Gesina van der Molen, Siewert Bruins Slot en Wim Speelman besloot te breken met de verzetskrant Vrij Nederland, omdat die naar hun smaak te veel in socialistische richting opschoof. En dat is feitelijk nog steeds zo, nu Trouw een algemene nieuwskrant is geworden die verdieping en beschouwing vanuit christelijke filosofie of levensbeschouwing niet schuwt.

Dat is misschien opmerkelijker dan het lijkt, want als er één karakteristiek in de naoorlogse Nederlandse geschiedenis van politiek en media wordt aangewezen, dan is het de ontzuiling. De uitbundige historiografie laat zien dat vrijwel alle media sinds de jaren zestig de traditionele banden met de politiek hebben doorgesneden en onafhankelijk zijn geworden in hun dagelijkse berichtgeving en commentaar. Dat heeft hen soms dramatisch van karakter doen veranderen, zoals het meest uitgesproken te zien is bij de voormalig katholieke dagbladen, zoals de Volkskrant en De Tijd.

Bij veel media is echter de ontzuiling meer geleidelijk gegaan, doorgaans in een combinatie van het doorsnijden van directe banden met de politiek en een sterkere oriëntatie op de onafhankelijke journalistieke professionaliteit. De oorspronkelijke inspiratie werd daarbij niet ingeruild voor iets compleet nieuws, maar werd opnieuw geijkt in de veranderende maatschappelijke en culturele omstandigheden. Trouw is daarvan een sprekend voorbeeld, zoals nu in detail uit de studie van Bootsma naar voren komt. Zoals Peter Bak, de biograaf van Bruins Slot, eerder al aantoonde, kon Bruins Slot zijn politieke activiteit voor de ARP (een der voorlopers van het CDA) nog moeiteloos combineren met een zesentwintigjarig hoofdredacteurschap van Trouw. De nu ondenkbare combinatie van Kamerlid – en tussen 1956 en 1963 zelfs fractievoorzitter – met de leiding van de krant werd als vanzelfsprekend gezien. Zoiets kwam ook bij andere partijen voor en leidde tot grote herkenbaarheid van de krant voor de achterban en een duidelijk instrumentele functie in de gewenste vervlechting van politiek en het maatschappelijk-culturele veld. Bootsma typeert Trouw in deze periode dan ook terecht als ‘een zware krant’, die sterk leunde op de orthodox-christelijke lezer en alles dat de georganiseerde protestantse wereld te bieden had.

Dat bouwwerk ging schuiven vanwege de rationalisering in de perswereld aan de ene kant en de maatschappelijke gisting aan de andere. Fascinerend om te zien is hoezeer dit de krant in een permanente zoektocht naar nieuwe zingeving bracht. Bootsma werpt daarbij vooral licht op de organisatorische kant van dat proces. Minutieus brengt hij de onderhandeling in kaart die Trouw en haar eigenaar Stichting Christelijke Pers hebben gevoerd om de identiteit van de krant te bewaken binnen de onvermijdelijk steeds commerciëler wordende bedrijfsomgeving. Maar ook aan de vernieuwingen in de christelijke wereld – de deconfessionalisering, de vorming van het CDA, de veralgemenisering van cultuur – ging de krant niet ongemerkt voorbij.

Mooi om te zien is dat Trouw elke dag weer onverstoorbaar een poging deed om de wereld en het nieuws te duiden, terwijl de ingrijpendste organisatorische veranderingen plaatsvonden. Trouw heeft deel uitgemaakt van een combinatie van christelijke dagbladen, maar fuseerde ook samen met de Volkskrant en Het Parool in de Perscombinatie, een commercieel bedrijf op ideële grondslag. Daarbij hoorde in de jaren negentig ook NRC Handelsblad. Het machtige PCM-concern belandde echter in de grijpgrage klauwen van het Engelse investeringsfonds APAX, dat de Nederlandse kranten aan de rand van de financiële afgrond dreef. Daarna werd Trouw met een groot aantal andere Nederlandse kranten eigendom van het Belgische De Persgroep, die krachtig reorganiseerde, maar ook stabiliteit creëerde.

Al die wijzigingen hebben slechts deels een invloed op de inhoud van Trouw gehad. Helaas besteedt Bootsma aan dat aspect het minste aandacht (aan inhoudsanalyse bezondigt hij zich niet), maar wat hij opmerkt over de inhoud van de krant wijst toch wel op een voortdurende redactionele oriëntatie op de veranderende smaak van het publiek. Met daarbij een sterke drang om een eigen profiel overeind te houden; een profiel dat steeds minder uitgesproken christelijk wordt, maar verandert in ‘zingeving en verdieping’.

Het geprononceerdst komt dat balanceren tussen twee wensen naar voren in de zoektocht naar de ideale hoofdredacteur. Dat is feitelijk de hoofdmoot van deze studie geworden, wellicht omdat dit aspect in de archieven het best gedocumenteerd is gebleven. Dankbaar maakt Bootsma van al dat materiaal gebruik, waarbij hij er zelfs niet voor terugschrikt om volledige openheid te geven over alle kandidaten voor het hoofdredacteurschap, met name van degenen die het uiteindelijk niet werden. De vanzelfsprekendheid waarmee dat gebeurt (zelfs bij de meest recente benoemingen), suggereert dat de normen over privacybescherming in historisch onderzoek aan het schuiven zijn.

Een vast patroon is niet echt herkenbaar bij de benoeming van hoofdredacteuren na ellenlange procedures. De aanvankelijk door zijn orthodox-protestantse achtergrond voor de lezers zeer vertrouwde hoofdredacteur Jenze Tamminga (1972–1984) mislukte dramatisch, omdat hij de moderne krantenlezer en journalisten niet begreep. Succesvoller was de meer progressief-christelijke Jan Greven (1985–1997), maar ook de niet-christelijke hoofdredacteuren Frits van Exter (1997–2007) en Willem Schoonen (2007–2013) kunnen worden gezien als geslaagde hoofdredacteuren. Zij loodsten de krant door alle barre tijden en positioneerden Trouw tot wat het nu is: een landelijk kwaliteitsdagblad met een zingevingprofiel dat kan rekenen op een stabiele oplage van rond de 100.000 exemplaren, plus een sterk groeiend aantal digitale lezers.

Ook uit de studie van Bootsma blijkt maar weer eens hoezeer kranten zijn gericht op overleving in een voortdurend veranderende omgeving. Het is te hopen dat er op basis van het licht dat nu op de organisatie van de krant is geworpen studies zullen volgen die de inhoudelijke kant van Trouw belichten. In de organisatie schuilt slechts één kant van het overlevingsproces; om lezers vast te houden is het bovenal nodig dat de krant elke dag weer laat blijken dat ze een zinvol referentiekader biedt.