Afgaande op Hilde De Ridder-Symoens’ bespreking in dit tijdschrift van het eerste deel van Van Berkels trilogie over de Groningse universiteit is dit boek een absoluut waardige opvolger. De kwaliteiten zijn grotendeels dezelfde: de duidelijke rode draden in het verhaal, de situering van de Groningse instelling in haar nationale en internationale context naast het accentueren van haar specifieke situatie, de nadruk op mensen en niet op structuren, de rijke illustraties, het indrukwekkende arsenaal aan bronnenmateriaal en literatuur, en de vlotte schrijfstijl.1 Opnieuw wordt de universiteit als het ware terug tot leven gewekt. Het relaas over de brand in het academiegebouw in de zomer van 1906 (87–91) leest als een ooggetuigenverslag en via de bijhorende kadertekst leeft de lezer bijna lijfelijk mee met het persoonlijk drama dat de toenmalige hoogleraar zoölogie overkwam, die zijn gekoesterde collectie opgezette dieren in de vlammen zag opgaan, met uitzondering van een eekhoorntje (91). Ook talrijke sprekende details dragen hiertoe bij. Zo wordt het gevoel van een nakende dreiging aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog geïllustreerd aan de hand van de versterkte villa van de psycholoog Henri Brugmans (503–504), die zijn woning volledig liet onderkelderen met een onderaardse vluchtgang naar de tuin, naast andere beschermende maatregelen.

Van Berkels meesterschap schuilt vooral in de manier waarop hij er telkens weer in slaagt deze details in een ruimer narratief te plaatsen. Het leidmotief van het boek is de op- en neergang van de klassieke universiteit en de door haar belichaamde waarden, zoals de autonomie van de hoogleraren, de functionele afzondering van de universiteit ten opzichte van de maatschappij, de kritische reflectie op maatschappelijke fenomenen door de studenten en de hoge morele waarde van ‘de’ wetenschap. Zonder nostalgisch te worden, meent de auteur dat we deze waarden nog altijd moeten koesteren als inspirerend ideaal (9–10, 727–728). Vanuit deze overtuiging stelt hij al dan niet op subtiele wijze specifieke tendensen binnen de hedendaagse universiteit, vaak verbonden met de toenemende economisering, af en toe aan de kaak.

De discussies waarmee de universiteit in deze periode te maken kreeg, lijken vaak verrassend vertrouwd en waren zeker niet uniek voor de Groningse en Nederlandse situatie: hoeveel universiteiten heeft een land eigenlijk nodig (in het kader van een in toenemende mate genationaliseerd onderwijsbeleid) en staan deze in concurrentie met elkaar of is één grote gedifferentieerde instelling met verschillende vestigingsplaatsen te verkiezen? In hoeverre is het geoorloofd buitenlanders te benoemen ten nadele van inlandse kandidaat-hoogleraren, in dit geval in de context van de spanning tussen het internationale karakter van de wetenschap en het nationale gevoel op het einde van de negentiende eeuw (71–74)? Wat is het ideale evenwicht in het onderwijs tussen beroepsopleiding en wetenschappelijke scholing, vaststellende dat mede als gevolg van de ‘academic drift’ de universiteit vooral tijdens het interbellum steeds meer evolueerde naar een beroepsschool? Frappant is dat het wetenschappelijk vormingsideaal al heel gauw werd beschouwd als behorende tot het wezen van de universiteit (481–483), amper enkele decennia na de opkomst van dit ideaal, zoals wordt verduidelijkt in het eerste deel van het boek over de periode 1876–1914.

Beide delen omvatten respectievelijk drie en vier hoofdstukken die chronologisch de algemene ontwikkelingen schetsen, gevolgd door hoofdstukken over de bestuurlijke en materiële infrastructuur, de praktijken van onderwijs en onderzoek en de gemeenschappen van hoogleraren en studenten. Elk van deze delen en hoofdstukken richt zich op een eigen onderzoeksvraag met bijhorende stelling. Zo maakt het eerste deel zichtbaar wat de universiteit van Groningen heeft bijgedragen aan Nederlands Tweede Gouden Eeuw. Cruciale figuren waren onder meer de sterrenkundige Jacobus Kapteyn, de psycholoog Gerard Heymans, de natuurkundige Herman Haga, de hoogleraar interne geneeskunde Karel Wenckebach, de fysioloog Hartog Hamburger en de chemicus Frans Jaeger. Het overwicht aan vertegenwoordigers uit de natuurwetenschappen is allerminst toevallig, maar desondanks worden de geesteswetenschappen niet uit het oog verloren.

Onvermijdelijk is een dergelijke lijst caleidoscopisch. Dit is echter veel meer het geval in het equivalente hoofdstuk over de wetenschappelijke praktijk tijdens het interbellum, met als hoofdthema het streven naar een evenwicht tussen de oude analytische wetenschapsbenadering en een opnieuw meer synthetische aanpak. Van Berkel erkent dit ook, maar motiveert zijn keuzes op inzichtelijke wijze. Met betrekking tot de uitbouw van de materiële infrastructuur in deel 1 krijgt het boek wel iets van een naslagwerk. Door de soms erg uitgebreide beschrijving van elk nieuw instituut dreigt de centrale stelling (namelijk het verlies aan eenheid binnen de academische gemeenschap vanwege meer over de stad verspreide gebouwen) te worden ondergesneeuwd. Bovendien komen er redelijk wat herhalingen aan te pas in de overzichts- en de meer specifieke hoofdstukken, maar dit kan tegelijkertijd als dienstverlening aan de lezer worden beschouwd. Hoeveel lezers nemen een dergelijk volumineus boek immers door van het begin tot het einde? Is het trouwens ook door de omvang van het boek dat het proeflezen wat slordig is gebeurd met relatief veel foute zinsconstructies als gevolg? De gedetailleerde karakterisering van de gebouwen verschaft anderzijds een levendig inzicht in de zich wijzigende onderwijsmethoden wat het opsommende karakter van dit stuk weer compenseert.

Dit brengt ons direct bij het thema van de studenten. Al is het jammer dat door gebrek aan bronnenmateriaal de studenten die niet aangesloten waren bij het corps grotendeels buiten beeld blijven, trekt Van Berkel ook hier de specifieke discussies binnen het corps – in de jaren 1920 en 1930 tussen vernieuwers en traditionalisten – open tot een algemener niveau. Moeten de studenten zich buiten de maatschappij plaatsen (genietend van hun vrijheid) of veeleer als jonge leden binnen de maatschappij opereren (met hun eigen politieke of religieuze overtuiging)?

Vooral deze hoofstukken zijn iets meer toegespitst op de lokale situatie. Specifiek voor de Groningse klassieke universiteit was onder meer haar kleinschalig karakter, wat leidde tot de vorming van een homogene elite en een over het algemeen goede verstandhouding tussen de verschillende groepen binnen de academische en stedelijke gemeenschap. Van Berkel laat op duidelijke wijze zien hoe de regionale oriëntatie geleidelijk verschoof naar een nationaal en internationaal referentiekader, om in reactie op ‘tijden van crisis en depressie’ (685) opnieuw op zoek te gaan naar eenheid op nationaal en regionaal niveau (illustratief is de groeiende aandacht voor volkskunde in de jaren dertig van de twintigste eeuw), binnen de wetenschap en binnen de universitaire en studentengemeenschap. Het streven naar eenheid werd uitdrukkelijk op de proef gesteld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het laatste hoofdstuk is gebaseerd op Van Berkels vroeger onderzoek (waarbij hij er niet voor terugschrikt dit te corrigeren). Ook elders in het boek kan hij bogen op een sterke onderzoekstraditie, die hij voor een groot deel zelf in stand heeft gehouden.

Toch had de kadering binnen recente en niet zo internationale inzichten binnen de universiteitsgeschiedenis als onderzoeksdiscipline iets sterker gekund. Dan was bijvoorbeeld beter ingeschat dat het helemaal niet te verwachten was dat de hoogleraar godsdienstwijsbegeerte Isaäc van Dijk in zijn reflecties op de doelstellingen van het hoger onderwijs uit 1904 de Duitse filosoof en onderwijshervormer Wilhelm von Humboldt zou introduceren (214). Von Humboldts verdiensten op dit vlak werden pas erkend naar aanleiding van het eerste eeuwfeest van de universiteit van Berlijn in 1911. Een ander voorbeeld is het ontbreken van een verklaring waarom Groningen (en Nederland in zijn geheel) zo achteropliep bij de introductie van de academische lerarenopleiding, die er uiteindelijk pas kwam in 1939. Dergelijke minimale correcties doen uiteraard allerminst afbreuk aan het geheel. De verwachtingen voor het derde deel van de trilogie zijn dan ook hoog gespannen.