Het is tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar dat één recensie van een gedichtenbundel de waardering voor een schrijver blijvend kan bepalen. Maar in het laatste decennium van de negentiende eeuw kon de dichter en criticus Willem Kloos reputaties maken en breken. In 1889 rekende hij in zijn eigen tijdschrift De Nieuwe Gids hardhandig af met zijn jeugdvriend Albert Verwey (1865-1937). Diens dichterschap was volgens Kloos veelbelovend begonnen, maar toen Verwey afstand nam van de oorspronkelijke opvattingen van de nieuwe beweging – lees: de ideeën die Kloos zelf had geformuleerd – bleef er van de dichter weinig meer over dan een door ‘schoonheidskoorts’ bezochte calvinist, een ‘nuchtere, bedaarde burger, die stevig op zijn voeten staat en het leven in een boekje heeft’. Het oordeel zou zijn uitwerking niet missen en het veld van de poëzie langdurig in twee kampen verdelen, waarbij het kamp van Kloos het luidst van zich zou doen horen en het pleit zou beslechten. De verzen van Verwey golden voortaan als stroef en verstandelijk en de dichter als een didacticus en een moralist die niet werd gedreven door ‘passie’. Iets van dit negatieve oordeel over de poëzie van Verwey klinkt zelfs door in de meest recente geschiedenis van de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, Alles is taal geworden uit 2009.

Madelon de Keizer neemt die beeldvorming niet over in Als een meeuw op de golven, haar biografie van Albert Verwey. De belangrijkste verdienste van dit boek is dat Verwey niet wordt geportretteerd als de Tachtiger die door Kloos uit de literaire voorhoede werd gestoten, maar als een internationaal georiënteerde cultuurhistorische figuur die zich na de beginjaren van De Nieuwe Gids ontwikkelde tot een constructieve denker, iemand die de Europese cultuur door middel van het dichterschap van een hecht fundament wilde voorzien. Waar Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel zwolgen in ondergangsstemmingen en de roerselen van de eigen ziel, daar wilde Verwey als dichter voor de toekomst werken door zich te verbinden met het ‘Leven’, de onvergankelijke vitale kern die in al het bestaande aanwezig is. Daarin lag volgens hem de ware voortzetting van wat met de revolutie van Tachtig was begonnen. Voor Verwey was de dichtkunst een hoge opdracht. In een wereld die uit elkaar dreigde te vallen, moest de poëzie een bindmiddel zijn tussen mensen, landen en volken. Het was de taak van de dichter om de mensen de weg te wijzen naar een betere toekomst en hen te behoeden voor verwildering. Die grote ambitie stond in schril contrast tot het veelal geringe bereik van zijn poëzie. Dat zijn uitgever Versluys hem periodiek confronteerde met het gegeven dat zijn werk nu eenmaal niet zo goed verkocht als dat van Gorter moet voor Verwey meer dan een teleurstelling zijn geweest. Maar Verwey was er de man niet naar om zich uit het veld te laten slaan. Zijn werklust en bedrijvigheid bleven ontzagwekkend. Hij schreef ruim 1600 gedichten, tien delen beschouwend proza, een groot aantal literatuurhistorische studies, tekstuitgaven en vertalingen en ruim 10.000 brieven (terwijl hij er zo’n 20.000 ontving en zorgvuldig bewaarde). Ook stond hij aan het roer van een aantal literaire tijdschriften die moesten werken als de krachtcentrales van de moderne literatuur en waarvan De Beweging (1905-1919) het belangrijkste was.

Als een meeuw op de golven volgt Verwey vanaf zijn kinderjaren en zijn dichterlijke debuut in 1882 tot aan zijn hoogleraarschap in Leiden en zijn overlijden in 1937, toen hij als een nationale figuur werd gewaardeerd door jongere schrijvers als Menno ter Braak en Martinus Nijhoff. Verwey is voor Madelon de Keizer meer dan een Tachtiger. Haar belangstelling voor het interbellum spreekt ook uit dit boek. Waar de literair-historische aandacht voor Verwey nogal eens stopt bij de opheffing van De Beweging, daar laat deze biograaf zien hoe sterk Verwey betrokken was bij maatschappelijke debatten in de jaren na de Eerste Wereldoorlog en op welke manier hij stelling nam tegen de dreiging van het Derde Rijk. De biografie belicht Verwey in al zijn hoedanigheden: als dichter, criticus, vertaler van onder meer Dante en Shakespeare, tekstediteur van Vondel en hoogleraar Nederlandse Letterkunde, kortom, als publieke intellectueel.

Om de enorme hoeveelheid teksten van en over Verwey te bedwingen koos Madelon de Keizer niet voor een zuiver chronologisch verhaal van wieg tot graf. De biografie bestaat uit een reeks van zeven dubbelportretten. Ieder hoofdstuk belicht Verwey in relatie tot een van de sleutelfiguren uit zijn leven. Dat zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter Willem Kloos, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en de criticus en eerste biograaf van Verwey, Maurits Uyldert. Deze biografische kunstgreep heeft een bijzonder effect. De lezer leert Verwey kennen door wat hij over anderen schreef en door wat die anderen schreven over hem. De sociale en institutionele entourage bleek bepalend voor de ontwikkeling van Verwey, die een leven lang verlangde naar weerklank. Ook laat de portrettenreeks zien hoe Verwey zich telkens weer in verbinding stelde met jongeren, zoals Van Eyck en Uyldert, op wie hij zijn hoop vestigde voor een regeneratie van de dichtkunst.

Het is opvallend dat de verhoudingen tussen Verwey en de geportretteerden vroeg of laat verstoord raakten, op één uitzondering na. De Keizer laat overtuigend zien hoe Verwey werd gedreven door distinctiedrift, door het verlangen om zich te onderscheiden van anderen. ‘[I]k wil niet leven als de eerste de beste,’ schreef hij al in 1884 aan een onbekende vriend. Hij zou zich dan ook nooit onderwerpen; niet aan de door jaloezie gekwelde Kloos, niet aan de indolente Van Deyssel – de belichaming van het door Verwey afgewezen decadentisme – en zelfs niet aan de charismatische heersersfiguur Stefan George. Verwey wilde zelf een leider zijn, maar uit naam van de Dichtkunst en in een democratisch bestel, als ‘dichter van de samenleving’. Die houding kon vooral door zijn vroegere kameraden gemakkelijk worden begrepen als naïef optimisme en schoolmeesterlijk autoriteitsvertoon. Kitty van Vloten, met wie hij zich in 1888 verloofde en met wie hij zijn leven zou delen, was de uitzondering. In het hoofdstuk dat aan haar is gewijd kruipen we soms even onder de huid van de anders soms afstandelijke dichter. In huiselijke kring – in zijn villa op een Noordwijkse duintop – kon hij zich onttrekken aan het masculiene machtsspel dat het literaire en intellectuele leven domineerde. Een van zijn mooiste brieven schreef hij op 30 mei 1888 aan haar (de brief staat op p. 183). Dit was een huwelijk op basis van maatschappelijke en intellectuele gelijkwaardigheid, een verhouding die hem rust en evenwicht bracht. Deze woorden duiken regelmatig op wanneer Verwey zijn eigen dichterlijke bedrijf probeerde te begrijpen, zoals in deze aantekening uit 1934, die de titel leverde voor de biografie:

Alles bij elkaar genomen is de wereld van onze tijd mij merkwaardig van dienst geweest. Zij heeft mij in staat gesteld gedurende een lang leven die volkomen rust en onafhankelijkheid te handhaven die ik voor mijn werk nodig had, en terwijl ze bewogen was tot het uiterste en zelfs scheen uiteentespatten naar allerlei richtingen, waren haar elementen juist zo gevoegd en geschapen dat ik mij, als een meeuw op de golven, erdoor gevoed en gedragen voelde. Waarlijk, geen andere tijd kon een dichter zó grote vrijheid laten zichzelf te zijn.

Als een meeuw op de golven is een schitterend boek, met trefzekere citaten, prachtige illustraties en een overtuigende visie op een van de constructieve geesten uit de Nederlandse letterkunde.