Met hun vuistdikke publicatie over het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) hebben de historisch-sociologen Piet Hoekman en Jannes Houkes een belangrijke lacune in de Nederlandse vakbewegingsgeschiedenis opgevuld. Het NAS, dat van 1893 tot 1940 bestond, is in de historiografie altijd stiefmoederlijk behandeld. De organisatie gold als anarchistisch en ondeugdelijk en behoorde volgens vakbondsbestuurders en Sociaal-Democratische Arbeiderspartij-politici als Henri Polak, Jan Oudegeest en Willem Vliegen tot de ‘voorgeschiedenis’ van het in 1905 opgerichte Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV), waarmee de ‘echte’ geschiedenis van de vakbeweging was begonnen. Dit gekleurde oordeel hield lang stand. Enkele Nederlandse en Amerikaanse artikelen en deelstudies daargelaten, bestond tot op heden geen integraal overzichtswerk van de eerste vakcentrale in de Nederlandse geschiedenis. De goed onderbouwde, gedetailleerde studie Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893–1940, waarop Hoekman en Houkes eind 2015 aan de Universiteit Utrecht promoveerden, is daarom van belang.

De auteurs hebben een enorme hoeveelheid niet of nauwelijks eerder geraadpleegde bronnen doorgespit. Omdat zij een transnationale invalshoek hanteerden, hebben zij ook buitenlandse invloeden geanalyseerd met betrekking tot de internationale context waarbinnen de vakcentrale figureerde en de totstandkoming en verandering van de ideologische oriëntatie (anarchisme, syndicalisme, socialisme, communisme en revolutionair socialisme).

De auteurs karakteriseren het NAS als ‘een heterogene en instrumentele belangenorganisatie, die tegelijkertijd deel uitmaakte van een expressief georiënteerde protestbeweging die ook andere doelen nastreefde dan directe materiële verbeteringen’ (775). De spanning die deze dubbele identiteit met zich meebracht, beschouwen zij als de voornaamste kracht van de interne dynamiek van de vakcentrale. Kreeg het instrumentele of juist het expressieve optreden de overhand, dan leidde dit steevast tot interne onenigheid over de grondslagen. In de verschillende fasen uit de NAS-geschiedenis die Hoekman en Houkes onderscheiden, is die dubbele identiteit, ondanks alle veranderingen in organisatie, ideologie, collectieve acties en bestuur, voortdurend aanwezig.

Na een schets van de opkomst van de eerste vakverenigingen en andere arbeidersorganisaties in Nederland gedurende de periode 1860–1893, bespreken de auteurs de oprichting van het NAS op 27 augustus 1893 in Constantia, het gebouw van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) in Amsterdam. Onder invloed van de SDB-er Christiaan Cornelissen en in opdracht van de Tweede Internationale kwam die dag een samenwerkingsverband van vakbonden en politieke organisaties tot stand. Cornelissen liet zich hierbij door de Franse arbeidersbeweging inspireren in plaats van door de Engelse vakcentrale TUC, waarmee onmiddellijk de neutraliteit van het verband ter discussie stond. Na de oprichting sloten veel kleine vakverenigingen zich bij het NAS aan. Ook de SDB en, iets later, de SDAPtraden toe. Het lidmaatschap van de kleine verenigingen verbreedde het draagvlak van het NAS, maar vergrootte de slagvaardigheid niet. Spoedig ontstonden politieke meningsverschillen tussen SDBen SDAP, die leidden tot interne verdeeldheid, waarna beide organisaties uit het NAS werden gezet. Toch ontstond vervolgens geen algemene, politiek neutrale vakcentrale naar Brits voorbeeld, want met het aantreden van nieuwe bestuursleden als Gerrit van Erkel en Jan van Zomeren, die voortkwamen uit kleine en militante bonden, raakte het NAS meer onder de invloed van het vrije socialisme. Spoedig ontstonden er problemen tussen het nieuwe bestuur en enkele grote bonden over stemprocedures, het stakingsreglement, de toenemende overheidsinvloed op de arbeidsverhoudingen en de sociale zekerheid. Het reorganisatiecongres van 1901 koos voor de economische klassenstrijd en gaf geen prioriteit aan de sociale wetgeving, hetgeen werd gemotiveerd door een verwijzing naar de militante syndicalistische Franse Confédération Générale du Travail (CGT). Daarop splitste de Algemeene Nederlandsche Timmerlieden Bond, een van de NAS-initiatiefnemers, zich af.

In de periode 1901–1907 begaf de organisatie zich op het internationale podium en begon deel te nemen aan de internationale richtingenstrijd in de vakbeweging. Binnen het pas opgerichte Internationaal Secretariaat van Nationale Vakcentrales profileerde het NAS zich als Nederlandse geestverwant van de CGT, die via economische klassenstrijd, onafhankelijk van politiek of wetgeving, een revolutionaire omwenteling propageerde. Beide syndicalistische vakcentrales verzetten zich tegen de moderne Duitse vakbeweging die nauw gelieerd was aan de Tweede Internationale en de sociaaldemocratie, en die sociale wetgeving en instrumentele belangenbehartiging bepleitte. Die internationale richtingenstrijd ontstond ook in Nederland na de mislukte spoorwegstaking van 1903, die het NAS veel aanhang kostte. In 1905 werd het NVV opgericht, dat zich spoedig tot concurrerende vakcentrale ontpopte. Vijf van de elf constituerende bonden hadden een NAS-verleden. Het NAS-bestuur reageerde door op tal van terreinen een anarchistisch, alles overkoepelend vrijheidsideaal te propageren. Kritiek van binnenuit en buitenaf leidde tot Van Erkels opstappen.

In de fase van 1907–1913 drukte secretaris Harm Kolthek jr. zijn stempel op het NAS. Hij nam afstand van de expressieve anarchistische invalshoek en voerde een syndicalistische koers, die onder meer tot uitdrukking kwam in een Beginselverklaring naar het voorbeeld van het handvest van Amiens van de CGT. Hierin formuleerde Kolthek de ‘ongeacht clausule’, volgens welke iedereen ongeacht godsdienst of politieke voorkeur lid kon worden. De anarchistische oppositie schreeuwde moord en brand.

Koltheks val in 1913 luidde een nieuwe fase in, die tot 1919 duurde. Onder voorzitter Bernardus Lansink jr. volgde het NAS een reformistisch-syndicalistische koers, die niet veranderde door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, de Russische revolutie, de Duitse Novemberrevolutie of Troelstra’s revolutiepoging. De CGT bleef de belangrijkste buitenlandse inspiratiebron.

In de fase van 1919–1923 bereikte het NAS zijn hoogste ledental van 51.570 leden. In die periode maakte het bestuur zich sterk voor materiële belangenbehartiging. Tegenover het gematigde geluid van het bestuur, dat ideologisch gezien voorstander was van een onafhankelijke syndicalistische internationale, pleitte radicaal-links voor aansluiting bij de in Moskou opgerichte Rode Vakbondsinternationale (RVI). De controverse deed het NAS scheuren.

De oriëntatie op het communisme in de fase 1923–1927 was kortstondig. Na moeizame onderhandelingen met de Komintern stapte NAS-voorzitter Henk Sneevliet al na twee jaar uit de RVI, waarna het internationaal in isolement raakte.

De fase van 1927–1933 stond in het teken van een nieuwe koers van revolutionaire politiek en vakstrijd. Het NAS schiep toen een eigen netwerk van nevenorganisaties voor de jeugd, vrouwen, culturele vorming, sport, toneel, muziek en zelfs een politieke partij, de Revolutionair Socialistische Partij (RSP), waarmee het zich manifesteerde als een sociale beweging. Tegelijkertijd ondervond het NAS de nadelen van zijn revolutionaire opstelling, bijvoorbeeld bij cao-onderhandelingen. Ook de pogingen om werklozen te organiseren mislukten, omdat men te maken kreeg met de communistische oppositie.

De fase van 1933–1940 begon met Sneevliets solidariteitsbetuiging aan de muiters op De Zeven Provinciën en zijn daaropvolgende publicitair handig uitgebuite veroordeling, die hem een Kamerzetel voor de RSP opleverde. In reactie kondigde de regering het ambtenarenverbod af. De maatregel trof het NAS in het hart. Door de overheidsrepressie en het opkomende fascisme dreigde de vakcentrale te politiseren, waardoor intern veel kritiek ontstond. Terwijl de aangesloten federaties vasthielden aan de instrumentele taak van de materiële belangenbehartiging, kozen Sneevliet en zijn medebestuursleden zowel nationaal als internationaal voor expressieve en revolutionaire agitatie. Van het linkse eenheidsfront van onderop tegen het nazisme en fascisme kwam niets en de neergang bleek niet te stuiten.

Op 8 september 1940 verbood de Duitse bezetter het NAS en verdween de vakcentrale geruisloos van het toneel. Sneevliet koos voor de illegaliteit, maar werd opgepakt en geëxecuteerd. Na de bevrijding liet het NAS-gedachtegoed sporen na in de Eenheidsvakcentrale en het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties.

Hoekman en Houkes hebben een zeer overtuigende studie over het NAS geschreven. Verschillende vraagstukken waarover de leden en bestuurders streden, doen verrassend actueel aan. Het aansprekendst is de transnationale benadering met haar focus op internationale processen, parallellen en interactie. Het boek is een ware Fundgrube, die nog lang als het standaardwerk voor de geschiedenis van het NAS zal gelden.