Gebouwen die nooit gebouwd of nooit voltooid zijn hebben een zekere aantrekkingskracht: hun ontwerpen bieden de kans weg te dromen bij wat had kunnen zijn. Hun verhalen bevatten vaak een vingerwijzing naar de menselijke hoogmoed en die moraal doet het al sinds de Toren van Babel goed. Vaak is het onvoltooid blijven van een gebouw een gevolg van ontoereikend architectonisch inzicht, een tekort aan geldelijke middelen of allebei en dat heeft wel wat. Florence mag pronken met een prachtige duomo, de grootheidswaan van de Sienezen met hun immense, nooit afgebouwde kruisbeuk terzijde van hun dom is misschien veel boeiender dan de schepping van Filippo Brunelleschi en blijft in elk geval de toeristen altijd weer verbazen.

Amsterdam heeft in de Nieuwekerkstoren op de Dam een eigen versie van zo’n onvoltooid gebouw. Die toren kwam er dus niet, of liever, hij kwam niet verder dan de torenvoet waarvan tegenwoordig nog een derde over is, omdat twee derde in 1783 werd afgebroken vanwege bouwvalligheid en om de verkeersdoorstroom te verbeteren. Was de Nieuwekerkstoren voltooid, dan had de toren de hoogte van Utrechts Domtoren overtroffen en had Amsterdam midden in het stadshart op een bij de stand van de stad passende kerktoren gehad. Dat was ook de bedoeling van de mensen die zich rond het midden van de zeventiende eeuw de Nieuwekerkstoren voorstelden, zoals we nu nog kunnen zien aan een aantal bewaard gebleven houten torenmodellen en schilderijen en tekeningen waarop een voltooide toren staat afgebeeld.

Bouwhistoricus en hoogleraar stedelijke identiteit en monumenten Gabri van Tussenbroek vertelt in De toren van de Gouden Eeuw het verhaal van de nog altijd voortdurende leegte in de lucht naast de Amsterdamse Nieuwe Kerk, een boeiende vertelling over de toren die er niet kwam, en nuanceert de gebruikelijke verhalen die rondgaan over het onvoltooid blijven van de Nieuwekerkstoren. Die kwam er uiteindelijk niet door een samenloop van omstandigheden: er moest ook een nieuw stadhuis worden gebouwd, waardoor de prioriteiten van het stadbestuur verschoven. De bouw van de toren was bovendien alleen mogelijk als de stad er geld voor had en dat had ze niet, toen er in 1652 oorlog uitbrak. Daardoor kon Amsterdam weer een zware kostenpost tegemoet zien, want de rijkste stad van Nederland moest het leeuwendeel van de oorlogsinspanningen voor haar rekening nemen.

Dat men toch kon nadenken, over de bouw van een fikse toren had ook te maken met het window of opportunity dat de afloop van de Tachtigjarige Oorlog met zich meebracht. Toen in 1645 de Nieuwe Kerk afbrandde en moest worden herbouwd, achtte burgemeester en kerkmeester Willem Backer (1595–1652) de tijd rijp voor de toevoeging van een indrukwekkende toren. Van Tussenbroek denkt dat Backer wellicht werd geïnspireerd door Venetië, waar het stadshart met Piazza San Marco, campanile en dogepaleis een stuk representatiever was dan het middeleeuwse allegaartje aan de Dam. Men dacht al langer in Amsterdam over vervanging van het stadhuis dat niet meer paste bij een stad die rond deze tijd op het hoogtepunt van haar macht en rijkdom was. Een afgebrande kerk ernaast oogde natuurlijk ook niet al te fraai.

Van Tussenbroek heeft een vlotte pen en een brede belangstelling, en zijn boek gaat niet alleen over de Nieuwekerkstoren: hij maakt gebruik van een breed palet en schildert een boeiend beeld van Amsterdam in de jaren 1645–1652, tussen de brand die de Nieuwe Kerk in de as legde en het overlijden van Willem Backer, de grote voorstander van de Nieuwekerkstoren. Tal van personen en zaken die zich met de torenbouw bemoeiden of daarmee verband hielden, komen daarbij aan de orde. Dat biedt Van Tussenbroek de mogelijkheid uit te wijden over de boeiende persoonlijkheden die zich in die tijd bezig hielden met de vernieuwing van het stadshart: de opvliegende burgemeester Andries Bicker, de vrome maar ook statusbewuste Willem Backer, de manipulatieve burgemeester Cornelis de Graeff, de wispelturige bouwmeester Jacob van Campen – om een paar van de belangrijkste personages te noemen – en verder een heel scala aan bijfiguren, onder wie Joost van den Vondel en Jan Adriaenszoon Leeghwater. Een belangrijke rol is ook weggelegd voor het weer, want meteorologische wisselvalligheden speelden een belangrijke rol bij de tot in bijzonderheden beschreven bouw van de torenvoet, zoals bij elk bouwproject destijds.

Van Tussenbroek wil met zijn boek over de Nieuwekerkstoren vooral het verhaal vertellen van de toren die er niet kwam. Dat doet hij met veel brille, al schiet hij wel eens wat uit, waardoor het verhaal van de torenbouw soms wat uit het oog verdwijnt. Is bij de beschrijving van Willem Backers wereldbeeld een uitweiding over Descartes en zijn opvattingen die verder niets van doen hebben met Backer of de torenbouw, werkelijk nodig (85–86)? Daar staat tegenover dat Van Tussenbroek met deze aanpak wel een totaalgeschiedenis van Amsterdam in de jaren 1645–1652 biedt, met de torenbouw als verbindend element. Dat die toren uiteindelijk niet verder kwam dan de voet had te maken met een groot aantal factoren waar de torenbouwers weinig invloed op hadden: de machtsverschuivingen binnen het Amsterdamse stadsbestuur, ongelukken als de brand van het stadhuis die ertoe leidden dat de bouw van een nieuw stadhuis urgenter werd dan de bouw van een vanity project als de Nieuwekerkstoren en binnen- en buitenlandse politieke verwikkelingen die ertoe leidden dat er uiteindelijk geen geld meer was voor het bouwen van de toren. Tussendoor verwerkt Van Tussenbroek doorlopende grapjes als de niet geringe kosten die Jacob van Campen declareerde bij elk verblijf in de stad en waar blijkbaar niet al te veel werkzaamheden tegenover stonden.

Van Tussenbroeks boek is duidelijk bedoeld als – goed beargumenteerde – geschiedschrijving voor een breed publiek, met een bijna romaneske aanpak die goed uitpakt. Hoe het stadsbeeld eruit kwam te zien, had met tal van factoren te maken die weer van invloed waren op de gezondheid van de stadskas – om nog maar te zwijgen van de belangen van de personen die bij dat alles waren betrokken. Wel vraag ik me af of de uitgever het boek een dienst bewijst met de wat overtrokken retoriek in ondertitel en flaptekst. Een Hollandse strijd tussen gulden en God? De inzet niets minder dan ‘de macht over de rijkste stad ter wereld, een conflict tussen koopman en dominee’? Kooplieden en dominees hadden weinig invloed op de gang van zaken, laat Van Tussenbroek zien: het stadsbestuur ging over het kerkgebouw. Het was vooral een Hollandse strijd over de besteding van het belastinggeld door de overheid, waarbij de wijzigende omstandigheden voortdurend de prioriteiten deden verschuiven en waarin de Nieuwekerkstoren uiteindelijk sneefde na het overlijden van zijn grote voorstander en vanwege een nieuwe en dure oorlog. De strijd ging dan ook niet zozeer tussen gulden en God als wel over de wijze waarop de guldens van de overheid werden besteed. Dat de toren nooit zou worden afgebouwd, was in 1652 bepaald geen uitgemaakte zaak – zo ver zou het pas komen in 1783. Dat de voltooiing van het stadhuis nog decennia heeft geduurd en een voortdurende kostenpost was, zal uiteindelijk de doorslag hebben gegeven.