‘Ik pleit ervoor om de keizer op te hangen,’ zei het Britse Labourparlementslid George Barnes in november 1918. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog was het beeld van de Duitse keizer Wilhelm II (1859-1941) in de geallieerde landen uiterst negatief. Hij werd niet alleen verantwoordelijk gehouden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar werd ook geassocieerd met de gruwelijkste oorlogsmisdaden. Ook in Duitsland was er veel kritiek op de gevluchte ‘laffe’ keizer, die zijn land niet voor de nederlaag en ondergang had weten te behoeden. Dit was rond 1918. Maar ook in de navolgende honderd jaar is door veel historici een toch vooral sterk negatief beeld van de Duitse keizer geschetst, variërend van ‘rijp voor psychiatrische behandeling’ en ‘sadistische bullebak’ tot de ‘Nemesis van de wereldgeschiedenis’. De meest in het oog springende historicus die zich zijn hele leven intensief met Wilhelm II heeft beziggehouden en zich zeer kritisch over hem heeft uitgelaten, is de Brit John Röhl (1938), die een uitvoerige, driedelige biografie van de laatste Duitse keizer schreef (1993, 2001, 2008). Volgens Röhl was Wilhelm II een machtige keizer met een ‘persoonlijke heerschappij’, die bovendien grote schuld had aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. En als men kijkt naar zijn antisemitisme, dan was Wilhelm II – in Röhls woorden – ‘een soort voorloper van Adolf Hitler, de ontbrekende schakel, als het ware, tussen de “Bloed en IJzer Kanselier” en de Führer’ (354).

Deze visie op Wilhelm II als een machtige en oorlogszuchtige keizer bleef niet onweersproken. In 2000 publiceerde de Australische historicus Christopher Clark (1961) een biografie van Wilhelm II, die impliciet en expliciet met het werk van vooral Röhl in discussie gaat. Van deze biografie, door de auteur licht herzien in 2009, verscheen in 2017 een Nederlandse vertaling, hetgeen ongetwijfeld samenhangt met het wereldwijde succes van Clarks in 2012 verschenen, uitstekende – en revisionistische – boek The Sleepwalkers. How Europe went to War in 1914 (2012). In Clarks biografie staat de vraag centraal hoeveel macht Wilhelm II nu werkelijk had: wat was het karakter en de omvang van die macht, wat waren Wilhelms politieke doelstellingen en in hoeverre heeft hij die kunnen verwezenlijken, en hoe fluctueerde die macht in de loop van de niet minder dan dertig jaar dat hij aan de macht was (1888-1918)? Clarks antwoord op deze vragen is genuanceerd. Hij geeft expliciet aan dat hij geen ‘rehabilitatie’ van de Duitse keizer nastreeft en dat zijn doel vooral ‘synthese en interpretatie’ is. Nieuwe ontdekkingen biedt hij niet. Steeds opnieuw kijkt hij zo veel mogelijk naar de historische context waarin Wilhelms uitspraken en handelen geplaatst moeten worden. Daarbij gaat hij in zijn chronologisch opgebouwde studie in verhouding meer in op de eerste jaren van zijn leven en regeerperiode dan op de laatste jaren van de ook voor Wilhelm II zo dramatisch verlopen Eerste Wereldoorlog. Aan de periode van de 23 jaar ballingschap in Nederland wordt slechts een aantal pagina’s gewijd.

Allereerst de vraag naar de omvang van de macht. Clark maakt duidelijk dat de macht van de Pruisisch-Duitse kroon ‘potentieel enorm’ was (54): zo was Wilhelm II het belangrijke constitutionele scharnierpunt tussen het civiele en militaire gezag, was hij opperbevelhebber van leger en marine, bevoegd om mensen op belangrijke posten te benoemen en te ontslaan, en was zijn instemming vereist voor de aanname van Pruisische en rijks wetgeving. Maar het woordje ‘potentieel’ is hier cruciaal. Clark maakt voortdurend duidelijk dat Wilhelm II weliswaar machtshonger bezat en van alles wilde, maar dat zijn persoonlijkheid hem nogal in de weg zat. De keizer wordt beschreven als wispelturig, impulsief, onvoorspelbaar, snel verveeld en egocentrisch. De rusteloze keizer was licht geraakt, raakte snel in paniek en voelde zich voortdurend bedreigd. Tot enige vorm van zelfkritiek was hij niet in staat, steeds lag de schuld van zijn falen bij anderen – zoals bij de pers. Al moet men er voor waken om Donald Trump overal met de haren bij te slepen, de vergelijking met de huidige Amerikaanse president ligt voor de hand. De vele in het oog springende overeenkomsten tussen de laatste Duitse keizer en Trump werden dan ook door Clark omschreven in een lezenswaardig stuk in New Statesman, een paar dagen voordat Trump in november 2016 gekozen zou worden tot president van de Verenigde Staten (zie ‘Beware the kaiser chiefs’: https://www.newstatesman.com/world/2016/11/beware-kaiser-chiefs).

Door zijn wispelturigheid bleek Wilhelm II niet in staat een coherent politiek beleid met een duidelijke richting uit te stippelen. Hij beschikte niet over een goed beoordelingsvermogen en heeft volgens Clark als leider van Duitsland dan ook jammerlijk en chronisch gefaald. Ja, in potentie had hij veel macht, maar in de praktijk bleek dat een heel ander verhaal (met uitzondering van de uitbreiding en modernisering van de marine). Mede daarom maakt Clark kritische kanttekeningen bij Röhls theorie van ‘persoonlijke heerschappij’ (of ‘koningsmechanisme’, zoals hij het later is gaan noemen. Vooral nadat Bernhard von Bülow in 1900 kanselier was geworden, werd de keizer in toenemende mate ‘gemanipuleerd’ door de sluwe kanselier, die Wilhelm in de waan liet dat alle politieke initiatieven verliepen zoals ‘zijne Majesteit had gepland’ (186). Bülow bleek in staat zijn beleid te beschermen tegen de destabiliserende invloed van de keizer. Ook andere ministers lieten zich vaak weinig aan Wilhelms voorkeuren gelegen liggen, zoals de in 1903 benoemde Pruisische minister van Oorlog, Karl von Einem, die zich verzette tegen Wilhelms fortificatiebeleid in het Rijnland (144-145).

Ook als het, ten tweede, gaat om de vraag wie in Duitsland verantwoordelijk was voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog laat Clark overtuigend zien dat Wilhelm II in de jaren vóór 1914 weliswaar voortdurend agressieve en oorlogszuchtige taal uitsloeg, maar dat hij terugkrabbelde als het er echt op aan kwam en er serieus oorlog dreigde. Meer in het algemeen wijst Clark voortdurend op de kloof tussen de retoriek van de keizer en wat hij in werkelijkheid deed: ‘Het is merkwaardig te moeten vaststellen hoe groot de discrepantie is tussen de onbezonnenheid waarmee Wilhelm maar wat riep, en de ernst waarmee historici hem vervolgens citeren’ (282). Wilhelm was, anders dan het hoofd van de Generale Staf Helmuth von Moltke, noch een aanhanger van het idee van een ‘preventieve oorlog’, noch van het idee dat een oorlog onvermijdelijk was. Eind juli 1914 was hij na de Servische reactie op het Oostenrijks ultimatum zeer opgelucht en van mening dat nu ‘elke reden voor een oorlog was weggenomen’. Hij toonde zich bereid om te ‘bemiddelen voor een vrede met Oostenrijk’ (296), maar kenmerkend is dat Wilhelm II, die volgens Clark de crisis en daarmee de wereldgeschiedenis wellicht een andere wending had kunnen geven, in Duitsland nauwelijks nog enige invloed wist uit te oefenen.

Toen de Eerste Wereldoorlog eenmaal was uitgebroken, bleek Wilhelms rol om als bevelhebber op te treden zeer beperkt. Duitsland bleef ‘strategisch zonder leider’ (315). De keizer werd gekweld door nerveuze uitputting en zou de hele oorlog last hebben van depressies. De ijdele Wilhelm II zou zijn plaats in het middelpunt van het Duitse publieke leven steeds meer verliezen en in de loop van de oorlog in toenemende mate in de schaduw komen te staan van de succesvolle veldmaarschalk Paul von Hindenburg, vanaf augustus 1916 hoofd van de Generale Staf. Maar tegelijkertijd laat Clark terecht zien dat Wilhelms rol na 1914 toch ook weer niet helemaal was uitgespeeld. Ten eerste had de door velen tegengewerkte Erich Falkenhayn zonder de steun van de keizer nooit het militaire opperbevel kunnen behouden tot de zomer van 1916. Ten tweede heeft Wilhelm II in de heftige discussies rond de inzet van duikboten tot einde 1916 een remmende en vertragende rol gespeeld. Opvallend genoeg steunde hij juist de gematigde krachten binnen de bestuurlijke elite, zoals kanselier Bethmann Holweg, tegen haviken als Alfred von Tirpitz en Erich Ludendorff. Overigens lijkt me Clarks bewering dat als Duitsland in 1917 geen onbeperkte duikbotenoorlog was begonnen een Duitse nederlaag tegen de geallieerden ‘uiterst onwaarschijnlijk’ was geweest (332), voor discussie vatbaar, gezien de grote verdeeldheid binnen Duitsland en het grote overwicht van de geallieerden op het gebied van militair materieel en mankracht. Ook is Clark niet helemaal consequent als hij eerst stelt dat er in de eerste jaren van de Weimarrepubliek sprake was van een ‘sterk royalistisch sentiment’ (353), en iets later schrijft dat men in Duitsland massaal afstand nam van Wilhelm II toen hij eenmaal van de troon was gestoten (363).

Maar dit is slechts marginaal commentaar bij een uitstekend, boeiend en belangrijk boek, waarvan de kracht vooral is dat het steeds de nuance zoekt en reeds lang bestaande oordelen en vooroordelen kritisch tegen het licht houdt. Wilhelm II. De laatste Duitse keizer is zeer informatief zonder dat het verzandt in overbodige details. Bovendien is het vanwege Clarks voortreffelijke stijl uiterst leesbaar. Van harte aanbevolen!