Het eerste deel van de brieven van de befaamde politicus, diplomaat en geleerde Philips Marnix van Sint Aldegonde (1540–1598) verscheen in 1990. Met de uitgave van deel vijf, dat de briefteksten over de jaren 1585–1598 bevat, vindt deze reeks haar afsluiting. De presentatie van het bronnenmateriaal kreeg veel aandacht, want voor 191 brieven, memories, albuminscripties en andersoortige documenten werden 761 pagina’s benut. In het geval van een nieuw briefcontact begint elk item met een beschrijving van de historische context waarin de brief tot stand kwam. Dan volgen een vaak gedetailleerde parafrase en de eigenlijke brieftekst, die steeds voorzien is van een uitvoerige annotatie. Cruciale onderwerpen, zoals de inrichting van het Antwerpse stadsbestuur, Marnix’ voorliefde voor de tuinierskunst of zijn bestrijding van het spiritualisme, worden in exposés verder uitgewerkt. Een concordantielijst (vergelijking van brieven in een eerder opgestelde inventaris met brieven die in dit deel een aangepaste nummering hebben gekregen), een volledige lijst van in dit deel gepubliceerde brieven, een lange literatuurlijst en een uitvoerige index besluiten de uitgave.

De brieven bieden een fascinerende inkijk in Marnix’ politiek-diplomatieke carrière, wetenschappelijke bedrijvigheid en persoonlijke levenssituatie. Sinds 1583 maakte hij als ‘buitenburgemeester’ van Antwerpen deel uit van het stadsbestuur. Na de geruchtmakende val van de stad op 17 augustus 1585 bracht hij daar nog enkele maanden door om zich voor zijn beleid te verdedigen tegenover critici die van mening waren dat hij de stad te gemakkelijk had opgegeven. Uiteindelijk besloot hij, ondanks een verbod van de Zeeuwse autoriteiten, terug te keren naar zijn landgoed in West-Souburg op Walcheren. Hier zocht hij troost in het onderhoud van zijn siertuin, een liefhebberij die hij deelde met zijn geleerde correspondenten Carolus Clusius en Justus Lipsius. De in dit deel uitgegeven brieven geven inzicht in de manier waarop Marnix het Antwerpse debacle te boven kwam en na 1590 weer allerlei politieke functies ging vervullen. Maar zijn correspondentie weerspiegelt ook andere facetten van zijn leven. Hij was verwikkeld in een dispuut met de Leuvense theoloog Michael Baius over de eucharistie. Ook werkte hij aan een Bijbelvertaling en publiceerde hij in 1591 een verbeterde versie van zijn Psalmberijming.

In een brieveneditie is allereerst de tekstconstitutie van belang. Ik controleerde de tekst van brief no. 273 (85 05 29 MAG), door de Staten van Holland gericht aan de Magistraat van Antwerpen, uitgegeven op basis van de tekst afgedrukt in Pieter Bor, Oorsprongk, begin en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, deel II (Amsterdam 1680), 601. De transcriptie bevat te veel fouten. Naast wat kleine ongerechtigheden signaleerde ik: ‘van den’ ontbreekt na het woord ‘aenslag’ (4), ‘goede’ ontbreekt voor het woord ‘getrouwe’ (4), ‘ieyder’ i.p.v. ‘leyder’ (5), ‘tegen’ i.p.v. ‘tegenstaende’ (13), ‘de tijd’ i.p.v. ‘wat tijd’ (18), ‘in cyfre den’ i.p.v. ‘in cyfre deur den’ (20), ‘te wege soude’ i.p.v. ‘te wege gebracht soude’ (30). De brief is overigens ook afgedrukt in de resolutiën van de Hollandse Staten, Register van Holland en Westvriesland van den jaare 1585 (z.pl., z.j), pp. 293-294. Een preciezere weergave van de tekst in Bor biedt brief no. 320 (85 08 15) van Marnix aan Philips, graaf van Hohenlohe, als niet gelet wordt op een aantal typefouten als ‘muyterste’ i.p.v. ‘uyterste’ (3) en ‘dae’ i.p.v. ‘dage’ (28). Ook hier was dus een tweede controle van de transcriptie wel dienstig geweest. Als we de Latijnse brief van Marnix aan Adriaan van der Mijle (no. 330, 85 10 15) vergelijken met de basisbron, opgenomen in Petrus Bertius’ briefverzameling Epistolae selectiores (Leiden 1617), treffen we geen fouten aan, afgezien van een foutief accent op het Griekse woord ‘ego’ (44).

Voorts controleerde ik de originelen van enkele brieven die Marnix wisselde met de botanist Carolus Clusius, nos. 393, 398, 403 en 407 (91 01 04, 91 03 11, 91 05 19 en 91 08 19). Hiervoor maakte ik gebruik van de foto’s en transcripties in Leiden University Libraries, Digital Collections (https://digitalcollections.universiteitleiden.nl/) en Clusius Correspondence (http://clusiuscorrespondence.huygens.knaw.nl/). De tekst in de Marnixi Epistulae is redelijk betrouwbaar, ook al vallen er opnieuw wat mankementen op. In no. 393 worden door middel van punten frasen gescheiden die eigenlijk één en dezelfde zin vormen (5-7, 24-26), in regel 24 zal, ook volgens de Latijns grammatica, echt ‘quae’ i.p.v. ‘quam’ gelezen moeten worden en in regel 44 ‘gratissimam’ i.p.v ‘gratissima’. In no. 398 stel ik voor ‘verici temporis’ te verbeteren in ‘verni temporis’ (20), ‘ope’ in ‘opere’ (21), ‘ea’ in ‘eam’ (35) en ‘proficiscitur’ in ‘proficiscetur’ (43). ‘Que’ en ‘accerpero’ zijn typefouten (45 en 48). In no. 403 trof ik de volgende onvolkomenheden aan: de brief van Marnix aan Clusius is niet op 19 maart, maar op 19 mei gedateerd. Verder is het jammer dat de eigenhandige dorsale notitie van Clusius (Leiden UB, Vulc. 101, f. 4v) niet werd opgenomen, want daarin bevestigt de ontvanger dat de brief van 19 mei een antwoord was op zijn eigen brief van 25 april (oude stijl), dat hij Marnix’ brief op 29 mei (o.s.) had ontvangen en dat hij daags erna (‘postridie’) had geantwoord. Ook in andere brieftranscripties aan Clusius ontbreken dergelijke dorsale notities, ofschoon zij voor een reconstructie van Clusius’ netwerk belangrijk zijn. Verder vallen de typefouten ‘allis’ (aliis), ‘hacinti’ (hyacinti) en ‘nanciscer’ (nanciscar) op. In no. 407 is de transcriptie foutloos afgezien van twee typefouten in regels 17 en 18. Tot slot verwijs ik nog naar Plaat X met een foto van brief no. 350 (87 04 25) aan Christiaan Huygens, de vader van de beroemde dichter. Deze foto maakt het mogelijk transcriptiefouten als ‘le convaincre’ (en confiance), ‘Ce que je fais’ (Comme je fais), ‘qui ont croit’ (qui ont credit) en ‘certes toi’ (cestuy-la) in regel 6, 7, 10 en 11 te verbeteren.

De uitgave van zo’n brievenverzameling is een tijdrovende aangelegenheid onder meer vanwege de vergaande verspreiding van brievenbestanden in allerlei archieven. Zeker wanneer men ervoor kiest het begrip ‘brief’ ruim op te vatten en behalve strikt op naam van Marnix uitgezonden of rechtstreeks aan hem gerichte brieven ook correspondentie te verwerken die namens de magistraat van Antwerpen werd gevoerd, boort men een ader aan die zich in de archieven wijd vertakt heeft en eigenlijk tot onderzoek dwingt dat de directe kring van Marnix ver te buiten gaat. Naar alle waarschijnlijkheid liggen er nog wegen open die de bezorgers voor dit deel hadden kunnen natrekken. De magistraat van het benarde Antwerpen zal in deze periode veel vaker met de buitenwereld hebben gecorrespondeerd. Ik wijs in dit verband ook op de uitgave door J.J. van Toorenenbergen in het derde deel van zijn Philips van Marnix van St. Aldegonde: Godsdienstige en kerkelijke geschriften (Den Haag 1891). Dit deel, dat overigens in de literatuurlijst ontbreekt, werd in de Marnixi Epistulae als basisbron gebruikt voor bijvoorbeeld nos. 326 en 331 (85 09 04 R en 85 10 16). Het eerste document is een werkelijk prachtige brief die Marnix schreef aan de Zeeuwse raadpensionaris Christoffel Roels om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen van lafhartigheid en zelfs verraad tijdens het beleg. De tweede brief, eveneens aan Roels, is beschadigd waardoor de tekst hier en daar lacunes bevat; bovendien is het Frans vaak moeilijk te volgen. Er zijn dus redenen om eens verder te zien en na te gaan of het mogelijk is de hand te leggen op de originelen of althans de bron waarop Van Toorenenbergen zich heeft gebaseerd. Evenals zijn vakbroeder Robert Fruin maakte Van Toorenenbergen zich echter niet druk om een heel precieze omschrijving van de vindplaats van zijn materiaal. Hij verwijst in zijn inleiding naar het Rijksarchief in Den Haag: Marnix’ correspondentie met Roels werd hier bewaard ‘onder de stukken die bij de Algemeene Staten berustende waren omtrent de belegering van Antwerpen’ (200). Is er voor de Marnixi Epistulae niet verder gezocht? Onduidelijk blijft waarom men het bij de editie van Van Toorenenbergen heeft gelaten, terwijl de uitgave van de Resolutiën der Staten-Generaal (1576–1609), deel V (1585–1587), N. Japikse (ed.) (Den Haag1921), toch resoluties vermeldt waaruit blijkt dat er ten kantore van de Staten-Generaal correspondentie van Marnix van Sint Aldegonde was ontvangen (30, 37, 39). Graag moedig ik de hoofdeditor Rudolf De Smet aan een reis naar het Nationaal Archief in Den Haag te ondernemen. Ik maak me sterk dat die brieven bij inspectie door een deskundige nog wel te vinden zullen zijn.

Het bovenstaande commentaar is geschreven in het besef dat het een heidens karwei is om een briefwisseling te ontsluiten waarin zo’n breed palet van politieke, diplomatieke, theologische en literaire activiteiten in vaak moeilijk toegankelijke bronnen aan de orde komt. De foto’s die hier en daar werden afgedrukt tonen aan dat de transcriptie van de brieven vaak lastig moet zijn geweest. Aan de annotatie van dit materiaal is een bewonderenswaardige hoeveelheid energie en toewijding besteed. Het stemt daarom tot vreugde dat de uitgave nu is afgerond. Zoals de voorgaande delen is ook dit deel een onmisbare bron voor de kennis van Marnix en zijn tijd.