Met Bahia, Recief en ander ongerief is een van de zeventiende-eeuwse Portugese werken die de oorlog tussen de Nederlanders en hun vijanden in Brazilië beschrijven voor het eerst in het Nederlands verschenen. De auteur is degene die het lot van de Nederlanders hielp bezegelen als admiraal van de vloot aan wie de Nederlandse legerleiding zich in 1654 overgaf. In weerwil van de ondertitel van de Nederlandse uitgave beschrijft Francisco de Brito Freire niet het einde van het Nederlandse tijdperk in Brazilië, maar juist de eerste helft daarvan, dat wil zeggen, de jaren 1625–1638. Zijn relaas over de latere periode is verloren gegaan.

Het boek is voorbeeldig vertaald en van een inleiding voorzien door romanist en lusitanist Benjamin Teensma, een groot kenner van het Nederlandse ‘avontuur’ in Brazilië. Hij heeft daarbij de in het origineel bijna onherkenbaar verhaspelde Nederlandse namen in ere hersteld, zoals die van Van Steijn Callenfels (‘Esteyn Calvi’) en Adolf van der Elst (‘Adolfuerlst’). Het is geen integrale vertaling maar een bloemlezing, wat de leesbaarheid ten goede komt, want de lezer wordt aldus enkele weinig relevante uitweidingen bespaard.

Interessant is de manier waarop Brito Freire de Nederlandse verovering van Bahia in 1624 behandelt, omdat hij enigszins afwijkt van andere eigentijdse Portugese uiteenzettingen. Daarin is gewoonlijk sprake van een dubieus optreden van de plaatselijke nieuw-christenen, die met de Nederlandse invasiemacht zouden hebben gecollaboreerd. De historicus Stuart Schwartz heeft aangetoond dat die beschuldiging ongegrond is en ertoe diende om de aandacht af te leiden van de houding van de bisschop, die op de vlucht sloeg voor de Nederlanders en daarmee de uittocht van burgers en soldaten inleidde. Brito Freire stelt enerzijds dat de Nederlanders ‘met de hulp van enkele uit Portugal naar Brazilië verbannen nieuw-christenen’ ongehinderd de stad konden binnentrekken (39). Maar hij vermeldt ook dat de bisschop het hazenpad koos, al gaat hij voorbij aan de invloed die diens beslissing had.

Over de tweede Nederlandse invasie, die in Pernambuco in 1630, verschaft de auteur aardige details. Zo moesten de soldaten die tegen de Nederlanders in het geweer kwamen tal van ontberingen doorstaan. Bijna niemand beschikte over schoenen, velen hadden slechts een enkel hemd, zandvlooien en zwermen insekten vormden een ware plaag en de voedselvoorziening was vaak zo beroerd dat ze het elk met één maïskolf per dag moesten doen. In deze passage onthoudt Brito Freire zich van commentaar, maar elders in het boek levert hij ongezouten kritiek op de autoriteiten in zowel Spanje (dat tussen 1580 en 1640 de koloniale machthebber was) als in Brazilië.

De auteur is niet alleen kritisch ten opzichte van gezagsdragers aan Iberische zijde, maar hekelt vooral ook de Nederlanders. Hij betreurt telkenmale het leed dat de burgerbevolking werd aangedaan. Na de mislukte Nederlandse poging tot inname van Bahia in 1638 schrijft hij, bijvoorbeeld, dat gouverneur Johan Maurits ‘zich zo door zijn instincten [liet] beheersen dat hij toestond dat zijn onderdanen op de wreedst denkbare wijze hun wraak op de omwonende plattelanders koelden. Met snelle vaartuigen voeren zij de binnenzee op, overvielen onverwachts de nederzettingen, en slachtten daar veel mannen, vrouwen en hele gezinnen af. Door die onbeheerste woedeaanvallen kwamen veel mensen om het leven’ (156).

Zes jaar eerder had de Nederlandse furie ook veel menselijk lijden en materiële schade veroorzaakt. Bij de verovering van Igaraçu in 1632, zo stelt Brito Freire, liet generaal Diederick van Waerdenburg ‘die plaats uitplunderen en alle geestelijken van het Sint-Franciscus-klooster in de boeien slaan, bracht veel inwoners om het leven, roofde de kerken leeg en onteerde vrouwen’ (78). Brito Freire voegt er aan toe: ‘Zonder zich om hun reputatieverlies te bekommeren lieten zij [de Nederlanders] hun hebzucht hier boven wijsheid prevaleren.’ Nederlandse bronnen, waaronder Johannes de Laets Iaerlyck Verhael, bevestigen deze weergave in grote lijnen: naar schatting meer dan honderd Portugese burgers werden vermoord, de stad werd geplunderd en in de kerken werd alles kort en klein geslagen. Het enige verschil met De Laets versie van de gebeurtenissen is dat de laatste de vermeende verkrachtingen onvermeld laat. Van Waerdenburg, ‘vreesende voor ontucht’, dirigeerde de vrouwelijke inwoners juist naar een kerk waar ze beschermd werden.

Hoewel Brito Freire verder geen kanttekeningen plaatste bij de militaire expeditie naar Igaraçu, was deze van aanzienlijk strategisch belang voor het slagen van de Nederlandse inname van het kapiteinschap Pernambuco. In zijn memoires noemde een andere chroniqueur van de Nederlandse periode, Duarte de Albuquerque Coelho, de verovering van Igaraçu een groot verlies voor de Iberiërs, omdat die de West-Indische Compagnie in staat stelde het platteland te beheersen en daardoor andere operaties op touw te zetten. Vanwege de vlucht van de inwoners moesten de Iberische troepen het voortaan stellen zonder de hand- en spandiensten van slaven en ook zonder de karren, paarden en voedsel die de Portugese bevolking voorheen had geleverd.

Brito Freire, die dit werk in gevangenschap schreef, baseerde zich vermoedelijk zowel op zijn eigen herinneringen en aantekeningen alsook op de boeken die hij tot zijn beschikking had in zijn cel. Vanaf 1635 vermeldt hij bij elke slag het aantal doden aan beide kanten. Opvallend is dat bijna zonder uitzondering meer doden en gewonden vielen onder de Nederlanders, al konden deze verliezen de gestage opmars van het WIC-leger niet stuiten. Het is misschien toeval dat zijn relaas stopt in 1638, maar dat jaar vormt wel een scheidslijn in de geschiedenis van Nederlands Brazilië. Een overwinning in dat jaar in de door de auteur uitgebreid becommentarieerde slag om Bahia zou de Nederlanders een goede uitgangspositie hebben verschaft voor de verovering van heel Brazilië. In plaats daarvan leden ze een gevoelige nederlaag.