Hoe relevant zijn ‘moderne’ concepten voor de voor-moderne geschiedschrijving? Dat is voor historici een uiterst belangrijke vraag, die overigens meestal bevestigend wordt beantwoord. Zo spreken we inmiddels over ‘transnationale’ processen die zich in periodes afspelen voordat Randolph Bourne het woord aan het begin van de vorige eeuw verzon, en zeker voordat het begrip onder sociale wetenschappers en historici en vogue werd in de jaren 1990. Sterker nog, de ‘transnational turn’ heeft ook de studie van die tijdvakken beïnvloed waarin nog geen sprake is van ‘naties’, zeker niet in de moderne zin van het woord. Het zal de lezer dan ook niet verbazen dat Beatrice Heuser een positief antwoord formuleert op de door haarzelf opgeworpen vraag of we al van ‘strategie’ kunnen spreken voordat de term door toedoen van o.a. Carl van Clausewitz in de negentiende eeuw een centrale plaats kreeg in zowel de praktische als de beschouwelijke aandacht voor oorlog en oorlogvoering.1 Ja, ook voor de negentiende eeuw waren er, aldus Heuser, denkers en doeners die ‘strategisch’ dachten en/of handelden. En dat is van groot belang voor ons begrip van de verhouding tussen oorlogvoering aan de ene en ‘politiek’ in de breedste zin des woords aan de andere kant in de voor-moderne tijd, stelt Heuser.

De vraag is vervolgens: wat is strategie dan eigenlijk? Net zoals de ‘transnational turn’ alleen van toepassing is op een middeleeuwse wereld – zonder natiestaten! – als gekozen wordt voor een definitie van transnationalisme die niet inherent ‘modern’ is, kiest Heuser bewust voor een definitie van strategie die niet geënt is op een ‘Clausewitziaanse’, moderne manier van denken. Voor Heuser betekent strategisch denken of handelen allereerst dat duidelijk moet zijn dat oorlog een middel is dat ingezet kan worden om een politiek doel te bereiken. Dat doel moet vervolgens duidelijk gearticuleerd worden, en dat houdt ook in dat er sprake moet zijn van een zekere selectie: om dit doel te bereiken, moet een heerser andere zaken laten schieten. Een soldaat kan immers maar aan één front vechten en geld maar één keer worden uitgegeven. Strategisch denken en handelen, kortom, gaat over plannen, kiezen en prioriteren, maar ook over consulteren en uitleggen. Een heerser kan immers zelf niet direct leiding geven aan al zijn troepen, maar zal moeten delegeren. En nog vaker zal zo’n heerser, zelfs aan ondergeschikten, moeten uitleggen waarom er gevochten moet worden om een bepaald doel te bereiken en daarvoor andere zaken te laten schieten: genoemde ondergeschikten moeten namelijk voor het met geweld bereiken van dat doel de manschappen, het geld, of zelfs beide leveren.

Dat klinkt allemaal best aannemelijk, of op zijn minst verdedigbaar. Maar hoe te bewijzen dat ook voor Clausewitz historische actoren – politieke of militaire leiders, of hun adviseurs – bewust ‘strategisch’ dachten en handelden? Met die vraag lijkt Heuser ook te hebben geworsteld. Wat haar daarbij parten speelt is, dat dit boek – aangeprezen als een monografie – eigenlijk een bundel is van zowel qua vorm als qua inhoud erg van elkaar verschillende artikelen van de hand van de auteur, waarvan de meeste (zes van de acht) al eerder zijn gepubliceerd. Dit wordt de lezer overigens pas duidelijk gemaakt in het staartje van de inleiding.

Een van de nieuwe hoofdstukken is het tweede, dat gaat over de politiek filosoof Christine de Pizan (ca. 1364 – ca. 1430). Het heeft heeft weliswaar als ondertitel ‘[T]he first modern strategist’ meegekregen, maar het gaat vooral over De Pizans visie op de rechtvaardiging van oorlog en, heel modern, over mediatie als alternatief voor oorlog. Dat is alleszins interessant, maar in hoeverre zet zij in haar ‘prinsenspiegels’ heersers aan tot strategisch handelen, zoals dat door Heuser is gedefinieerd? In het vierde hoofdstuk gaat het weer over iets heel anders, namelijk over maritieme strategie tijdens de Anglo-Spaanse oorlog van 1585–1604, waarin verscheidene Britse adviseurs van koningin Elizabeth haar aanraadden om de handel van de tegenstander tussen Europa en Amerika lam te leggen. Dit was de eerste keer in de Britse geschiedenis, aldus Heuser, dat gearticuleerd werd dat beheersing van ’de zee’ tout court als doel gesteld moest worden, omdat daarmee de zee voor eigen transport en communicatiedoeleinden gebruikt kan worden, maar de tegenstander dat doel wordt ontzegd. Maar in hoofdstuk 6 beweert Heuser dan weer dat de term ‘command of the sea’ in de periode voor de negentiende eeuw eigenlijk vooral een lokale betekenis had – als in: beheersing van de zeeën rondom de Britse eilanden – en dat die periode daarvoor werd gekenmerkt door ‘the absence of a grand [maritime] strategy unless it was a purely defensive, prudently conservative one: conservative of scarce resources, crown income and manpower’ (126). Dat roept de vraag op wat nu precies het gewicht was van die maritiem-strategische overwegingen waar de auteur in hoofdstuk 4 over rept.

Op zich is het natuurlijk helemaal niet erg dat een auteur die schrijft over zo’n lange periode (1400–1830) zich er rekenschap van geeft dat ontwikkelingen op militair-intellectueel gebied een schoksgewijs verloop hadden en er geen rechte lijn te trekken is tussen De Pizan en Clausewitz. Maar het wordt wel kwalijk als er nauwelijks moeite wordt gedaan om aan te geven wat dan wél de connectie is tussen de in deze bundel verzamelde stukken. Ze zijn individueel absoluut de moeite waard, maar de vraag is waarom ze nu, en in deze vorm, zijn samengebracht. De auteur heeft bovendien zelf in eerder werk – met name in haar The Evolution of Strategy. Thinking War from Antiquity to the Present uit 2010 – al antwoord gegeven op de vragen die ze in deze bundel als nieuw presenteert, maar hier grotendeels onbeantwoord laat.

De raison d’être van deze bundel, zo lezen we in het motto op de eerste, ongenummerde bladzijde, is ontleend aan een citaat van de Italiaans-Oostenrijkse Raimondo Montecuccoli (1609–1680), niet geheel toevallig een militair theoreticus: ‘Mocht iemand deze pagina’s willen lezen, laat het hem dan vanaf het begin duidelijk zijn dat ik ze niet heb geschreven voor hem maar voor mezelf, en dat ik geen ander doel had dan mijn geest te prikkelen en te vermaken [...].’ Dat suggereert al dat de geïnteresseerde lezer wellicht meer van zijn of haar gading vindt in ander werk. Die lezer verwijs ik graag naar het eerder genoemde The Evolution of Strategy, Lawrence Freedman’s Strategy. A History (2013) en het recentere The Evolution of Modern Grand Strategic Thought van Lukas Milevski (2016).