Dit is een prachtig, ouderwets boek. Het beoogt niets meer en niets minder te zijn dan een ‘erudiet naslagwerk’ van de techniekgeschiedenis in België vanaf de Oudheid tot het midden van de achttiende eeuw (8). De publicatie is het resultaat van een initiatief van de federale Minister van Wetenschapsbeleid uit 1993 om een ‘omvangrijk werk’ tot stand te brengen dat de hele ontwikkeling van wetenschap en techniek in België zou beschrijven. De delen over de wetenschapsgeschiedenis verschenen in 1998 en 2001. Dat het eerste deel van de techniekgeschiedenis pas nu ter tafel ligt, heeft – zoals hoofdredacteur Robert Halleux in het voorwoord uitlegt – verschillende oorzaken, waaronder het stopzetten van subsidies en het afhaken van auteurs. Het is een buitengewone prestatie dat Halleux en zijn medewerkers van het Centre d’Histoire des Sciences et des Techniques van de Universiteit van Luik het project desondanks weer vlot getrokken hebben.

Bewondering past ook voor de enorme hoeveelheid informatie die in dit werk is verzameld. In drieëndertig hoofdstukken, geschreven door bijna evenveel auteurs, wordt een breed overzicht van de lange termijn ontwikkeling op vele terreinen van techniek gegeven. De hoofdstukken zijn in zeven secties gegroepeerd: contexten, energiebronnen, landbouw en voeding, materialen, bouwtechnieken, communicatie en grafische technieken. De auteurs, merendeels verbonden aan instellingen in Wallonië, zijn duidelijk experts op hun vakgebied. Werktuigen, werkwijzen en materialen worden gedetailleerd en met veel aandacht voor variaties naar tijd en plaats beschreven. Figuren, kaartjes en afbeeldingen in kleur en in zwart-wit ondersteunen op een functionele manier de tekst – veel meer dan de bescheiden formulering ‘strikt noodzakelijke illustraties’, die Halleux in zijn inleiding gebruikt, suggereert. De kleurenafbeeldingen zijn vaak verbluffend mooi. Elk hoofdstuk is van een min of meer uitvoerige literatuurlijst voorzien. Wie wil weten hoe trekdieren werden ingespannen, hoe dakpannen werden gebakken, hoe met vuurwapens werd gejaagd, hoe voedsel werd bereid, hoe glas-in-lood werd vervaardigd, hoe een huis werd gebouwd of hoe manuscripten werden gemaakt, komt in dit werk volop aan zijn of haar trekken. De Histoire des techniques en Belgique is een monument van eruditie.

Ook in een ander opzicht mag dit boek een monument worden genoemd. Het is representatief voor de manier waarop techniekgeschiedenis lang geleden werd beoefend. Vernieuwingen in het vakgebied sinds de jaren zeventig en tachtig hebben in dit werk nauwelijks hun sporen nagelaten. De inbedding in de internationale historiografie (afgezien van verwijzingen naar een aantal werken uit Frankrijk en Duitsland) is mager en vergelijkingen met ontwikkelingen in omringende landen, zoals Nederland of Engeland, ontbreken zo goed als geheel. Een ‘contextuele’ benadering van techniekgeschiedenis, zoals die onder meer in de Verenigde Staten, Scandinavië en Nederland is ontwikkeld, ontbreekt nagenoeg. De twee hoofdstukken over ‘contexten’ (23–60) beperken zich in feite tot een schetsmatig overzicht van de maatschappelijke verhoudingen en een inleiding tot het bronnenmateriaal; literatuur van na 1995 wordt hierbij vrijwel niet genoemd. In de overige hoofdstukken van het boek blijft de sociale, economische, culturele en politieke context van technische ontwikkeling bijna compleet buiten beschouwing. Een samenhangende visie op de techniekgeschiedenis van België in de pre-industriële periode komt uit het boek niet naar voren. Het is een verzamelwerk van deelstudies geworden.

De verzameling maakt bovendien een wat willekeurige indruk. De selectie van de onderwerpen van de hoofdstukken en de verhoudingen tussen de hoofdstukken, lijken meer door de aanwezige expertise van de deelnemende auteurs bepaald dan door het belang in de economische en sociale geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden, of een ander inhoudelijk criterium. Waarom worden bijvoorbeeld honderdtachtig bladzijden gewijd aan de glasfabricage, dertig aan de kookkunst en dertig aan de jacht, tegen slechts veertien pagina’s aan de landbouw en twee aan de turfwinning, terwijl de bierbrouwerij, de linnenweverij, de katoendrukkerij, de diamantverwerking en de suikerraffinage niet eens in het stuk voorkomen ? In de inleiding staat alleen vermeld dat niet alle toegezegde bijdragen zijn ingeleverd, maar wordt niets verteld over de selectiecriteria van onderwerpen of over de werving van auteurs. Zouden voor bepaalde thema’s niet zeer deskundige auteurs te vinden zijn geweest aan bijvoorbeeld de universiteiten van Gent en Antwerpen en de Vrije Universiteit Brussel ? Daar is in de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan dat voor de techniekgeschiedenis van België in de pre-industriële tijd relevant is.

Deze Histoire des techniques en Belgique is dus een prachtwerk, maar met het patina van een andere tijd. Of het boek echt als een ‘naslagwerk’ zal fungeren, weet ik niet. Want helaas ontbreekt een register.