Toen de Nederlandse predikant Gerardus Balthazar Bosch omstreeks 1826 Amerika bezocht, stelde hij tot zijn ontsteltenis vast dat zodra hij ergens durfde te zeggen dat hij Nederlander was, men spontaan begon te grinniken. Die spottende reactie was een gevolg van de populaire satire A History of New York (1809), waarin Washington Irving de stichters van Nieuw-Amsterdam als een groepje luie, rondbuikige, pijprokende sufferds had geschetst; dit in tegenstelling tot de ondernemende, gecultiveerde en zelfverzekerde Angelsaksen die de stad tot New York hadden omgedoopt. Tegen het einde van de negentiende eeuw was het Amerikaanse beeld van Nederland en de Nederlanders evenwel volledig anders. Plots gold het kleine land aan de Noordzee als de bakermat van de vrijheid en zijn inwoners als pioniers van een strijd voor gewetensvrijheid en nationale zelfbeschikking die in de oprichting van de Verenigde Staten van Amerika haar bekroning had gevonden. Deze radicale verandering in perceptie was grotendeels te danken aan John Lothrop Motley (1814–1877), de man die aan de wieg stond van de internationale belangstelling voor de wetenschappelijke studie van de Lage Landen en aan wie Jaap Verheul, docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, een biografie heeft gewijd. Vanwege de rol van Motley als bruggenbouwer tussen Amerika en Europa spreekt Verheul van een ‘trans-Atlantische biografie’. Terecht, want Motley was niet alleen de bedenker van de term ‘trans-Atlanticisme’, maar dit was ook de essentie van zijn werk en zijn leven.

In Verheuls boeiende beschrijving van Motley komt het beeld naar voren van een man die een leven lang streed om erkenning door de politieke en intellectuele elite van zijn tijd. Na een mislukte carrière als auteur slaagde hij daar uiteindelijk in als historicus. Zijn studie The Rise of the Dutch Republic (1856) interpreteerde de Nederlandse Opstand tegen de Spaanse ‘onderdrukkers’ als het begin van een strijd voor vrijheid en republikanisme die uiteindelijk tot de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring zou leiden. Motley maakte daarbij handig gebruik van zijn ervaring als schrijver van fictie om Willem van Oranje als een vrijheidsheld te stileren die er door moed en zelfopoffering in geslaagd was om het Spaanse juk van Filips II van zich af te werpen. Een objectief, laat staan politiek correct, verhaal was dit niet. Motley koos resoluut voor een protestants, anti rooms-katholiek perspectief en bedreef historiografie in de traditie van Thomas Carlyle, waarbij ‘grote mannen’ er dankzij hun ‘genie’ in slagen de wereldgeschiedenis te veranderen. Daarbij schuwde hij clichés niet. Integendeel, hij zocht dergelijke zwart-wit stereotyperingen doelbewust op om het verhaal spannend te houden en gebruikte historische bronnen niet als basis voor een objectieve analyse, maar veeleer om het gevoel van authenticiteit bij de lezer te versterken. Terecht wijst Verheul daarom op de grote invloed op Motley van de Duitse romantiek en vooral de werken van Goethe en Schiller. Hij toont ook aan dat de stijl van de historicus in de latere delen van zijn Nederlandse geschiedenis (History of the United Netherlands en The Life and Death of John of Barneveld) botste met de eisen van de toenmalige roep naar wetenschappelijke objectiviteit en bronnenkritiek, zodat Motley het succes van de eerste delen nooit meer evenaarde. Toch bleef hij tot het einde van zijn leven een gevierd academicus, zowel bij het grote publiek als bij invloedrijke vrienden als Otto von Bismarck en koningin Sophie.

Met deze studie haalt Verheul een man van onder het stof vandaan die van cruciaal belang is geweest voor het imago van Nederland in de Verenigde Staten. Zonder Motley zouden Amerikaanse musea waarschijnlijk niet zo massaal werken van Nederlandse zeventiende-eeuwse schilders zijn gaan kopen, zouden weinig universiteiten een toren met beiaard hebben of parken windmolens en tulpenbedden. Verheul laat ook zien dat Motley niet alleen van groot belang voor het internationale beeld van Nederland was, maar ook voor het eigenbeeld van de Nederlanders. Nederlandse historici hadden weliswaar allang vóór Motley over de Opstand geschreven, maar in hun deelstudies ontbrak het groter geheel en vooral een eigen visie op het grotere belang van deze strijd. Dat Motley als buitenstaander daar plots wel in was geslaagd en met dit Nederlandse verhaal wereldroem had geoogst, viel dan ook bij Nederlandse historici als Robert Fruin en Guillaume Groen van Prinsterer niet bepaald in goede aarde. Wel lokte Motley daarmee een discussie uit die voor de Nederlandse geschiedschrijving vruchtbaar is gebleken. Niet zonder reden verwijst Verheul hierbij naar gelijkaardige Nederlandse reacties op het boek van Simon Schama over de Gouden Eeuw of dat van Russell Shorto over Nieuw Nederland. Verheul eindigt zijn biografie met een verwijzing naar het boek Holland Mania van Annette Stott uit 1998, waarop zijn studie in zekere zin een voortzetting vormt, al gaat Verheul niet verder, maar terug in de geschiedenis van de Nederlands-Amerikaanse betrekkingen.

De Atlantische pilgrim is een buitengewoon vlot geschreven werk dat getuigt van uitmuntend bronnenonderzoek in Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Duitse archieven. Mijn enige punt van kritiek is Verheuls neiging om alles bij Motley te laten beginnen. Zo ben ik het niet eens met Verheuls beslissing het Nederlandbeeld van James Fenimore Cooper zomaar met dat van Irving gelijk te stellen. Dat van Cooper was immers gedifferentieerder dan de platte satire van Irving. Het is natuurlijk ook niet zo dat vóór Motley niemand in Amerika Nederland en de Nederlandse Opstand serieus had genomen. Ik denk hierbij aan de intellectuele invloed van François Adriaan van der Kemp op de ‘founding fathers’, van wie Benjamin Franklin in een brief uit 1778 schreef dat ‘in love of liberty and bravery in the defense of it, the Netherlands has been our great example’. We mogen ook niet vergeten dat de herontdekking van Nieuw Nederland en van de schriften van Adriaen van der Donck al in 1839 met William Dunlaps History of the New Netherlands gebeurde en dat de systematische vertaling van documenten over de Nederlandse voorgeschiedenis van New York door Edmund Bailey O’Callaghan, Henry Cruse Murphy en andere leden van de New-York Historical Society nog voor het verschijnen van Motley’s Rise of the Dutch Republic begon. Motley speelde weliswaar een cruciale rol bij de vorming van een nieuw Amerikaans beeld van Nederland, maar dankte zijn succes mede aan het gegeven dat Nederland bij de intellectuele elite van zijn land geenszins een onbekende uithoek van Europa was.

Het lijdt hoe dan ook geen twijfel dat Verheul met De Atlantische pelgrim een prachtige biografie heeft geschreven die voor academici geïnteresseerd in trans-Atlantische connecties veel te bieden heeft en tegelijk ook door een breed publiek gesmaakt kan worden.