Met deze biografie van zijn vader wilde Marnix van Aerssen zich aanvankelijk slechts richten tot de naaste familie. Gaandeweg bleek dat de belevenissen van zijn hoofdpersoon ook interessant waren ‘voor een breder publiek’. Dat was een juiste conclusie. François baron van Aerssen Beijeren van Voshol (1883–1968) had een veelzijdige en boeiende loopbaan. Hij werd opgeleid tot marineofficier en nam in 1906-1907 deel aan militaire expedities op Zuid-Celebes en Bali, waarvoor hij werd onderscheiden met de Militaire Willemsorde. Vanaf 1912 werkte hij als administrateur van de haven op Sabang, vlak voor de westkust van Sumatra. In 1928 werd hij consul-generaal in Hamburg. Daar toonde hij weinig begrip voor het naziregime en werd op verzoek van Berlijn teruggeroepen. In 1940 werd hij gezant; eerst in Teheran, vervolgens in Canberra (1942–1947) – waar hij een belangrijke rol speelde in de oorlogvoering tegen Japan en tijdens de eerste jaren van de Indonesische kwestie – en ten slotte tot 1949 in Nanking, waar hij de ondergang van Tsjang Kai-Sjek en de komst van de communisten meemaakte.

De auteur – zelf ook oud-diplomaat – mag dan wel geen wetenschappelijke pretenties hebben gehad, serieus historisch onderzoek verrichtte hij wel degelijk. Vooral voor de vooroorlogse periode zocht hij ook contacten in de academische wereld. En hij beschikte over prachtig bronnenmateriaal: de correspondentie van Van Aerssen met diens ouders en – later – met diens echtgenote. In zijn brieven toonde Van Aerssen zich een goede waarnemer met mensenkennis en gevoel voor humor.

Ook zijn zoon heeft een vlotte pen. Hij weet op een plezierige manier afstand te houden, ondanks de waardering voor zijn vader. Driemaal oost begint sterk met een kleurrijk verslag van de geboorte van de held, waarbij moeder Van Aerssen werd bijgestaan door haar vriendin Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland. Vervolgens schetst de auteur aan de hand van zijn vaders belevenissen een mooi beeld van de opleiding en het dagelijks leven van een marineofficier aan het begin van de twintigste eeuw (zowel in Nederland als in Nederlands West-Indië en Nederlands Oost-Indië), van het leven in Indië en de uitbouw van de haven van Sabang rond de Eerste Wereldoorlog, en ten slotte van het handwerk van een consul in Hamburg en een gezant in Teheran in de jaren 1930 en 1940. Zeker in dit eerste deel stoort het niet dat de auteur (geboren in 1937 in Hamburg) – die meereisde naar Teheran, Melbourne en Nanking – ook persoonlijke kanttekeningen maakt. Die betreffen het familieleven en vooral de verre reizen die in vredestijd al avontuurlijk waren, laat staan gedurende en vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Mooi is ook dat de auteur aandacht schenkt aan mensen die zijn vader op zijn pad ontmoette. Dit levert originele portretten op van onder meer jhr. H.F.L.K. van Vredenburch, die aan het begin van zijn carrière onder Van Aerssen diende, en de Britse gezant in Teheran, de beroemde oriëntalist Reader Bullard (‘Iemand met meer eruditie heb ik […] nooit ontmoet’). Fraai zijn ook de verhalen over Louis Couperus, die in 1927 in Sabang bij Van Aerssen te gast was. De administrateur verraste de schrijver in bad, waarop deze zich omhulde met een gordijn: ‘U neemt mij niet kwalijk, nietwaar… ik… heb… héél… weinig aan’. ‘Ik neem het hem niet kwalijk,’ schreef Van Aerssen, ‘wie zou Couperus, kerschvers uit het ochtendbad, iets kwalijk kunnen nemen!’

Verreweg het grootste hoofdstuk is gewijd aan de Australische tijd. Van Aerssen speelde een centrale rol als verbindingspersoon tussen de Nederlandse en de Australische regering. Ook was hij verantwoordelijk voor de coördinatie van de Nederlandse en Indische instanties die hun tijdelijke basis in Australië kregen. Die coördinatie was geen sinecure gezien alle competentieconflicten tussen bijvoorbeeld Nederlandse marine- en KNIL-eenheden. Maar het echte probleem was de verhouding met Australië. De socialistische regering daar wenste geen herstel van het Nederlandse koloniale gezag en hoopte zelf het bestuur van Indonesië over te nemen. Vergeefs probeerde Van Aerssen Canberra op andere gedachten te brengen. Na de Japanse capitulatie werden de relaties er niet beter op doordat het Indonesische onafhankelijkheidsstreven in Australië veel steun kreeg. Uit solidariteit weigerden Australische havenarbeiders Nederlandse schepen te laden en te lossen.

In dit deel verliest de auteur de greep op zijn verhaal. Alle beleidskwesties worden gedetailleerd uit de doeken gedaan, maar Van Aerssens inbrengt blijft veelal op de achtergrond. ‘De Australische jaren waren de zwaarste in de lange loopbaan van Van Aerssen,’ concludeert de auteur, maar naar de opvattingen van de gezant blijft het vaak gissen. Komt dat omdat de auteur voor deze periode geen raad wist met de overdaad van officiële bronnen en historische studies? Vielen in het eerste deel de portretten van tijdgenoten op, in het tweede deel blijven de hoofdrolspelers in de Indonesische kwestie, waarmee Van Aerssen jarenlang van doen heeft gehad, helaas buiten beeld. Of ontbrak hiervoor het bronnenmateriaal? Waarschijnlijk was Van Aerssens privé-correspondentie weinig interessant meer, omdat zijn echtgenote in deze tijd steeds bij hem was.

De auteur worstelde vooral met de delen van de Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945–1950. De citaten zijn niet altijd terug te vinden of te dateren. Ook verwijzingen naar ongepubliceerde documenten uit het archief van Buitenlandse Zaken zijn vaak ondeugdelijk. Het tweede gedeelte is ook minder strak gecomponeerd dan het eerste. De zijpaden nemen toe en de zinnen worden langer. Bovendien treedt de auteur (‘In 1948 begon ik kranten te lezen’) nu wel erg nadrukkelijk naar voren. Dat gaat allemaal ten koste van de hoofdpersoon.

Bij de dood van Van Aerssen in 1968 schreef Van Vredenburch in een In memoriam over zijn voormalige chef: ‘Innemender persoonlijkheid heb ik zelden het voorrecht gehad te ontmoeten en hoffelijkheid en voorkomendheid waren voor deze rechtlijnige edelman tot tweede natuur geworden. […] Bij tegenslagen […] was Van Aerssen op zijn best. Standvastigheid in tegenspoed was wellicht zijn grootste eigenschap.’ (460) Het eerste deel van deze biografie maakt duidelijk dat dit een treffende omschrijving was. Het tweede gedeelte van Driemaal oost doet dat helaas veel minder.