Religieuze broederschappen bekleden een belangrijke plaats in het cultuurhistorisch onderzoek van laatmiddeleeuws en vroegmodern Europa. Terwijl hun vooraanstaande rol als opdrachtgevers voor kunstenaars en hun vitaal belang voor sociale netwerken al langer onderkend zijn, worden dergelijke organisaties ook steeds meer geïnterpreteerd als uitingen van een actief religieus engagement van leken, wier godsdienstige belevingen door dergelijke verenigingen in belangrijke mate werden gevormd. Het onderzoek is vaak comparatief, waarbij verschillende broederschappen in een bepaalde stad of regio en binnen een bepaalde periode met elkaar vergeleken worden. Door te focussen op de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Weeën in de Brusselse Sint-Gorikskerk, doet de hier besproken bundel precies het omgekeerde. Als geheel vormen de zeven artikelen een interdisciplinaire studie van één broederschap over een periode van bijna twee eeuwen, van de oprichting ervan in 1499 door de Brusselse rederijkerskamer De Lelie tot in de late zeventiende eeuw. Daardoor is dit boek een belangrijke bijdrage aan de studie van de Zeven Weeëndevotie in de Nederlanden, waar ze een hoge vlucht nam in de laatste jaren van de vijftiende eeuw en actief gestimuleerd werd door het Bourgondisch-Habsburgse hof. Concreet werd ze vormgegeven door de oprichting van een aantal lokale broederschappen, waarvan afdelingen in Brugge en Delft al eerder aandacht kregen in studies van respectievelijk Duclos (1922) en Verhoeven (1992). De ruggengraat van deze bundel over de Brusselse vereniging wordt gevormd door een drietal archivalische bronnen van de broederschap zelf: de recentelijk herontdekte rekeningen (1499-1516), een goedereninventaris (ca. 1685) en een ledenlijst die de hele bestaansperiode omvat.

De bundel is opgedeeld in drie delen. De twee artikelen uit het eerste deel brengen de stichting en het organisatorisch kader in kaart, elk aan de hand van een diepgaande analyse van één archiefstuk dat op zijn beurt illustratief is voor latere ontwikkelingen. De goedereninventaris van ca. 1685 vormt het vertrekpunt voor Brecht Dewilde en Bram Vannieuwenhuyze, die stellen dat het manuscript niet alleen een rijke bron is over het ontstaan en de werking van de broederschap, maar ook gelezen kan worden als een vorm van geschiedschrijving. Door middel van close reading wordt aangetoond dat het document een inkijk biedt in de historische, niet-professionele omgang met lokale geschiedenis in zeventiende-eeuws Brussel en dat het impliciet een verhaal presenteert van continuïteit en vooruitgang waarin tegenslagen subtiel worden weggelaten. De bijdrage van Susie Speakman Sutch biedt vervolgens een zeer gedetailleerde codicologische analyse van de ledenlijst. Haar grondige analyse van dit cruciale en vaak gebruikte manuscript laat haar toe op overtuigende manier te poneren dat het in de jaren 1570 werd samengesteld door historicus en diplomaat Michael Aitsinger, die eerdere lijsten door de rederijkers Johannes Pertcheval en Jan Smeken integreerde.

De ceremoniële activiteiten van de broederschap worden in het tweede deel behandeld, waarvoor het bronnenmateriaal aangereikt wordt in de door Remco Sleiderink herontdekte broederschapsrekeningen. Sleiderink zelf peilt naar de rol en aard van religieus theater in de Brusselse devotie. Door de rekeningposten te vergelijken met beschikbaar bronnenmateriaal over religieuze spelen elders in de Nederlanden, argumenteert hij dat de Brusselse broederschap op eigen initiatief een cyclus van zeven spelen liet schrijven door Jan Smeken, stadsdichter en facteur van de rederijkerskamers De Lelie en ’t Mariacranske. Deze spelen zouden een tegenhanger hebben gevormd voor de reeds bestaande Brusselse cyclus van de zeven bliscappen, wat Sleiderink duidt als een vorm van intrastedelijke competitie ter promotie van de lokale Zeven Weeëndevotie. In aansluiting daarop wordt in de bijdrage van redactrice Emily Thelen het liturgische en muzikale leven van de broederschap in kaart gebracht. Toetsing van de broederschapsstatuten aan de uit de rekeningen gededuceerde praktijk legt de lokale eigenheid bloot, ondanks de beschikbaarheid van door het hof gesponsorde liturgie.

Aan eigen initiatieven van de broederschap, los van het hof, wordt ook aandacht besteed in de bijdragen die het laatste deel, over patronage, vormen. In het stuk met de breedste geografische focus uit de hele bundel schetst Dagmar Eichberger aan de hand van prenten de snelle ontwikkeling van de iconografie van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Weeën in de Nederlanden. Broederschappen bestelden dergelijk materiaal ter gelegenheid van processies, en de voorbeelden die Eichberger aanhaalt, laten mooi de lokale variaties zien. Het drukwerk voor de Brusselse broederschap is echter slechts mager gedocumenteerd, en ook over de oorspronkelijke decoratie van de kapel in de nu verdwenen Sint-Gorikskerk is de meeste informatie enkel te vinden in de rekeningen. Omdat toetredende leden geen lidgeld moesten betalen, waren aankopen niet vanzelfsprekend voor de broederschap. Interessant genoeg waren veel van de uitvoerende kunstenaars en ambachtslui zelf ingeschreven als lid, waardoor Edmond Roobaert en Trisha Rose Jacobs overtuigend kunnen laten zien hoezeer de decoratie van de kapel afhankelijk was van zowel goodwill als netwerken van bestuur en leden. Na de religieuze troebelen werd het altaar in de vroege zeventiende eeuw opnieuw gedecoreerd door Wensel Cobergher en Theodoor van Loon, twee kunstenaars die ook geregeld door het aartshertogelijke hof ingezet werden. Op basis van een analyse van iconografie en beschikbare documentatie argumenteren Tine Meganck en Sabine Van Sprang in de laatste bijdrage dat het echter niet om een schenking van het hof ging, maar om een vooruitstrevend initiatief van de broederschap zelf, om juist de aandacht van het hof te trekken.

De verschillende artikelen leveren een rijk, interdisciplinair boek, dat de vele diverse aspecten van een broederschap met behulp van een handvol bronnen diepgaand analyseert. Deze benadering toont mooi de rijkdom van het beperkte materiaal en laat een brede waaier aan onderzoeksmogelijkheden zien, waardoor een gedetailleerd beeld ontstaat van hoe één broederschap functioneerde, zowel in de publieke ruimte als achter de schermen. Die gebruikte bronnen worden bovendien op een heldere manier toegankelijk gemaakt door een aantal thematische overzichtstabellen en grafieken, en enkele nuttige appendices. Meermaals blijkt trouwens dat de tien auteurs hun expertise en materiaal met elkaar deelden, en de eenheid in de bundel wordt verder nog versterkt door regelmatige kruisverwijzingen tussen de verschillende stukken.

Die samenwerking tussen de verschillende auteurs en het bij elkaar brengen van hun respectievelijke expertises is uiteraard een sterk pluspunt, maar in sommige opzichten heeft dat ook tot gevolg dat een aantal overkoepelende aspecten tussen wal en schip valt. Eén van de terugkerende elementen in de verschillende bijdragen is bijvoorbeeld de relatieve onafhankelijkheid en de eigen initiatieven van de Brusselse broederschap, ondanks de belangrijke steun van het hof voor de devotie. Omdat dit mooi aansluit bij recente inzichten over actief religieus engagement van leken is dat een essentiële observatie voor ons huidige begrip van de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne lekenvroomheid. Maar het wordt nooit echt geëxpliciteerd, waardoor de meerwaarde van de bundel ondergesneeuwd dreigt te geraken. In dezelfde lijn blijft een situering in een bredere context ook beperkt door de bescheiden opzet van het boek, met als gevolg dat de relevantie voor de religieuze geschiedenis vaak door de lezer zelf gededuceerd moet worden. De focus op de Brusselse broederschap is overigens perfect verdedigbaar, maar die, zoals bekend, maakte deel uit van een netwerk van gelijkaardige chapters in de Nederlanden. De vraag hoe de Brusselse afdeling in die grotere structuur paste wordt amper behandeld, terwijl een korte bespreking, of op zijn minst een verwijzing naar bestaande literatuur nuttig was geweest. Desalniettemin biedt deze bundel een rijkdom aan materiaal, die zonder enige twijfel stimuleert tot verdere reflectie en studie.