Deze bundel – het resultaat van een conferentie gehouden in 2012 – heeft lezers veel te bieden. Zoals blijkt uit de titel en ondertitel ambieert deze bundel een breed thematisch geografisch en chronologisch veld te bestrijken. In de inleiding stelt redacteur Remi van Schaïk dat de bundel vooral een platform wil zijn voor regionaal sociaal-economisch historisch onderzoek binnen de Lage Landen. Wat deze bijdragen volgens van Schaïk inhoudelijk verbindt, is ‘the way and extent to which differences in economic systems and stage of development, and the impact of institutional change affected the political economy and fiscal systems of regions, or vice versa’ (5). Met andere woorden, de bijdragen bouwen verder op een rijke onderzoekstraditie binnen de Nederlanden, maar in deze bundel wordt een duidelijk regionaal perspectief gehanteerd: de politieke, sociaal-economische en financiële dynamieken tussen en binnen regio’s staan centraal.

Deze bundel bevat drie grote delen. Naast de inleidende bijdrage van de redacteur bevat het eerste deel twee historiografische overzichten die de bredere context schetsen van de bijdragen in de delen ‘Industrie en handel’ en ‘Financiën en politiek’. Peter Hoppenbrouwers reflecteert in zijn hoofdstuk over drie decennia economische en sociale geschiedenis van de Middeleeuwen in de Lage Landen. Hij beargumenteert dat de laatste jaren relatief weinig aandacht is besteed aan de Middeleeuwen binnen de sociale en economische geschiedenis van de Nederlanden, dit in tegenstelling tot het laatste kwart van de vorige eeuw en de vele recente succesvolle onderzoeksprojecten, -netwerken en -centra ten spijt. Het leeuwendeel van deze bijdrage wordt echter ingenomen door een vergelijkende bespreking van de recente synthesewerken van Bas van Bavel en Wim Blockmans, waarin beider stimulerende rol voor nieuw onderzoek en debat wordt benadrukt. Het tweede essay in het historiografische luik van deze bundel bestrijkt een breder chronologisch en geografisch kader. Marjolein ’t Hart bespreekt de impact en resonantie van de klassieker van Charles Tilly uit 1990 over staatsvormingsprocessen in Europa. ’t Hart signaleert drie nieuwe trends sinds de publicatie van Tilly’s boek die het huidige debat over staatsvorming nieuwe impulsen hebben gegeven: de toegenomen aandacht voor staatsvormingsprocessen buiten Europa, de relatie tussen staatsvorming en economische ontwikkeling via instituties en ten slotte het lokale en regionale onderzoek naar de ontwikkeling van overheidsschuld. Uit haar overzicht blijkt niet alleen de blijvende relevantie van het werk van Tilly, maar ook zijn grote invloed op onderzoek naar de Lage Landen. Beide auteurs van deze historiografische overzichten pretenderen geen volledigheid (daarvoor zijn de bijdragen te kort), maar de centrale rol die ze beiden bekleden binnen de onderzoekstradities die ze tegen het licht houden levert een aantal interessante persoonlijke observaties op.

Het tweede deel van deze bundel bevat twee bijdragen over regionale ontwikkelingen van industrie en handel. Tim Soens, Peter Stabel en Tineke Van de Walle presenteren de eerste gegevens van een onderzoek naar de rurale en semi-urbane textielproductie in het Vlaamse Westkwartier tussen 1400 en 1600. Volgens de auteurs toont de industriële ontwikkeling van Hondschoote en Nieuwkerke aan dat de traditionele dichotomie tussen stad en platteland niet langer relevant is voor de studie van de geschiedenis van de textielsector. De auteurs suggereren dat het succes van deze regionale textielproductiecentra werd bepaald door de specifieke bedrijfs- en eigendomsstructuren van deze regio, die kleinschalige ondernemingen zowel van de vereiste arbeid als het nodige lokale kapitaal konden voorzien. In zijn bijdrage beschrijft Job Weststrate de woelige geschiedenis van de handel en vooral van de wijnhandel in het Beneden-Rijngebied van de vijftiende tot de zeventiende eeuw. Tot het einde van de zestiende eeuw resulteerden politieke machtsstrijd en oorlog niet in structurele wijzigingen van handelsstromen in dit gebied. De stad Deventer bleef een centrale plaats voor handel met het Duitse hinterland. Vanaf de late zestiende eeuw kwamen er wel ingrijpende veranderingen, toen Hollandse handelaars de handel met Duitse gebieden begonnen te domineren. De bijdrage van Weststrate analyseert de economische inkrimping van een aantal steden in oostelijk Nederland als gevolg van de heroriëntering van handelsstromen met Duitse gebieden.

Het omvangrijkste deel van deze bundel wordt ingenomen door het thema financiën en politiek. In deze bijdragen wordt verder gebouwd op de rijke onderzoekstraditie in de Lage Landen naar de politieke en economische rol van lokale en regionale overheidsfinanciën tijdens de Late Middeleeuwen. Aan de hand van drie case-studies illustreren David Kusman en Jean-Luc Demeulemeester de cruciale rol van bankiers uit Piëmonte in de totstandkoming van interregionale kapitaalmarkten binnen een gefragmenteerd politiek landschap. Dankzij hun financiële bemiddeling en innovaties leverden deze bankiers een belangrijke bijdrage tot de integratie van financiële markten in de Lage Landen. De ‘Italiaanse factor’ binnen de Nederlanden is ook het thema van de bijdrage van Bart Lambert. Deze auteur benadrukt het belang van toegang tot Italiaans kapitaal voor stedelijke overheden en vorsten in hun strijd om politieke controle in Bourgondische Nederlanden. Italiaanse financiers en bankiers waren geen neutrale factor in deze strijd. Integendeel, hun weloverwogen financiële steun aan ofwel steden ofwel vorsten is cruciaal om de politieke verhoudingen tijdens de vijftiende eeuw te begrijpen. De laatmiddeleeuwse financiële crisis in het hertogdom Gelre vormt het onderwerp van de bijdrage van Rudolf Bosch. Aan de hand van de stadsfinanciën van Zutphen en Arnhem illustreert de auteur de aanzienlijke verschillen tussen steden binnen Gelre wat betreft het verzoenen van stijgende uitgaven met dalende inkomsten. Terwijl in Zutphen extra kapitaal werd bekomen door renten te verkopen, werd de financiële knoop in Arnhem ontward door een toename van de indirecte fiscale inkomsten. De oorzaken voor deze verschillen schuilen volgens de auteur in de institutionele pad-afhankelijkheid van beide steden. In de laatste bijdrage analyseert Jelle Haemers de renteverkoop door de Vlaamse steden van 1485 en 1488 om hun politieke en militaire verzet tegen Maximiliaan van Oostenrijk te financieren. Het belang van deze renteverkoop schuilt in een financiële innovatie voor Vlaanderen: de Leden van Vlaanderen (Gent, Brugge en Ieper) stelden zich immers collectief borg voor deze publieke schuld. Hoewel het collectiviseren van publieke schuld wordt beschouwd als een klassiek element van de financiële revolutie die plaatsgreep in de Noordelijke Nederlanden tijdens de zestiende eeuw, maant Haemers ons deze rentenverkoop niet als ‘revolutionair’ te beschouwen. Dergelijke renteverkopen waren immers niet nieuw en werden vooral ingegeven door uitzonderlijke politieke omstandigheden.

Het sterkste punt van deze fraai vormgegeven bundel is ongetwijfeld de hoge kwaliteit van de individuele bijdragen waarin nieuw onderzoek wordt gepresenteerd en nieuwe hypotheses worden geformuleerd. Verwacht echter geen strak geregisseerde bundel met een collectief onderzoeksprogramma naar regionale en interregionale dynamieken. De diversiteit binnen regio’s en interacties tussen regio’s worden duidelijk geïllustreerd, maar de diepere vraag naar de oorzaken van deze convergente en divergente regionale en interregionale patronen en ontwikkelingen ontbreekt. In het nawoord van deze bundel geeft Wim Blockmans wel een eerste voorzet voor een analytisch kader voor de studie van regionale demografische, economische en politiek-institutionele dynamieken binnen de Lage Landen. Eerder dan een programmatorische verzamelbundel voor regionaal-historisch onderzoek in de Lage Landen, zijn de bijdragen in dit boek vooral waardevolle bouwstenen voor toekomstig onderzoek naar de achterliggende oorzaken van regionale divergenties en convergenties in de Nederlanden en hun aangrenzende gebieden.