Jan Lampo’s recentste boek Gelukkige stad beschrijft volgens de achterflap ‘wat er gebeurde tussen het eind van Michael Pye’s Aan de rand van de wereld en de eerste bladzijden van Geert Maks bestseller De levens van Jan Six’. Het boek beschrijft de opkomst en ondergang van Antwerpen als commercieel centrum tussen 1485 en 1585 en is daarmee een logische opvolger van Lampo’s Vermaerde Coopstadt waarin hij het ontstaan en de ontwikkeling van Antwerpen tijdens de middeleeuwen chronologisch beschrijft.1Gelukkige stad is opnieuw chronologisch qua opzet en bestaat uit zeven hoofdstukken. Elk van deze zeven hoofdstukken is op zich weer onderverdeeld in tussen de drie en de zevenentwintig subtitels die elk over een eigen aspect, gebeurtenis, persoon of gebouw gaan. In het eerste hoofdstuk Van torens stekelig – naar de gelijknamige tentoonstelling waarvan Lampo curator was – worden uiteenlopende aspecten van de opkomst van Antwerpen behandeld, waaronder de komst van de zogenaamde natie van vreemde handelaren naar de stad, de geldhandel, de Joodse gemeenschap, de huizenbouw en de omgang met vuilnis. In het tweede hoofdstuk staan de kunsten – in de breedste zin van het woord – centraal, net als de wetenschapsbeoefening in Antwerpen. Hier worden onder meer het ontstaan en de werking van rederijkerskamers en het Sint-Lucasgilde, de handel in edelstenen, maar ook de opkomst van het humanisme en de band van Thomas More met Antwerpen besproken. Het derde hoofdstuk is korter en gaat over de opkomst van het protestantisme, de eerste kettervervolgingen, Anna Bijns en de belegering van Antwerpen door Maarten van Rossum. Het vierde hoofdstuk handelt over de periode 1540-1550. In dit deel worden mensen als Gilbert van Schoonbeke, Gaspar Ducci, Pieter Coecke van Aalst en Plantin besproken, naast onderwerpen als beursfraude en de intocht van Filips II in Antwerpen in 1549. Het vijfde hoofdstuk bestrijkt de periode 1550-1566 en gaat dieper in op leven en werk van kunstenaars als Jacob Grimmer en op een aantal grote bouwprojecten in Antwerpen, zoals de bouw van het Tapissierspand en het Hessenhuis. Het zesde hoofdstuk vat aan met het Concilie van Trente en behandelt de periode vanaf de Beeldenstorm (1566) tot en met de Franse Furie (1583), doorspekt met biografieën van onder meer Hans Vredeman de Vries. Het zevende en laatste hoofdstuk gaat over de val van Antwerpen en haar ondergang als belangrijkste commercieel centrum in Noordwest-Europa.

Gelukkige stad leest vlot en is rijk geïllustreerd met afbeeldingen van schilderijen, prenten, kaarten – de meeste afbeelding komen van The Phoebus foundation of het KMSKA – en fragmenten uit uitgegeven kronieken en reisverslagen als dat van Ludovico Guicciardini. Helaas is een duidelijke rode draad moeilijk te ontwaren en kan de lezer makkelijk de indruk krijgen dat het boek veeleer bestaat uit een verzameling losse stukken. Zo wordt een stuk over het scheepverkeer en de kanalen rond Antwerpen (129-130) nogal bruusk gevolgd door een stuk over de schilder Jan Sanders van Hemessen (131). Op een gelijkaardige manier wordt het verhaal over de Beeldenstorm en de bouw van de Citadel (202-211) opeens onderbroken door de biografie van dichter Jan van der Noot en de impact van het Concilie van Trente op de schilderkunst (211-215). Bovendien is de meerwaarde van sommige passages voor het verhaal niet helemaal duidelijk. Zo is er een passage over de suikerplantages op de Canarische Eilanden (17-19). De veelheid aan behandelde onderwerpen maakte het onmogelijk elk thema uitputtend te behandelen. In het boek staat bijvoorbeeld niets over de politieke toestand tijdens de economische opgang van Antwerpen (14-24) en de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk, die de vreemde naties in 1485 en 1488 gebiedde Brugge te verruilen voor Antwerpen. Daarnaast lijkt het boek bij de uitleg over de stadsmagistraat enkele onzorgvuldigheden te bevatten (61). Zo stelt Lampo dat de leden van de magistraat uit geridderde koopliedenfamilies werden gerekruteerd, terwijl het Antwerpse stadsbestuur net weinig handelaars in haar rangen telde in vergelijking met de stadsbesturen in andere commerciële centra. Bovendien is het profiel van het Antwerpse stadsbestuur onderwerp van debat.2

Gelukkige stad is gebaseerd op de bestaande literatuur en enkele uitgegeven bronnen, zoals het Schilder-boeck (1604) van Karel van Manderen. Het boek is beschrijvend van aard, aangezien de auteur slechts één keer in debat gaat met de door hem geciteerde literatuur (165). Het doelpubliek is kennelijk dan ook eerder de geïnteresseerde leek dan de academische onderzoeker. Het is in dit opzicht een gemiste kans dat de auteur een aantal recente inzichten uit het onderzoek, zoals het onderzoek van Jeroen Puttevils over de rol van de autochtone handelaars, niet heeft meegenomen en met zijn vlotte schrijfstijl toegankelijk gemaakt voor een breder publiek.3 Een verklarende woordenlijst achter aan het boek of een verklaring van bepaalde begrippen – zoals ‘poorter’ – in de tekst was wellicht een nuttige toevoeging geweest voor de niet-gespecialiseerde lezer. Een woordje uitleg over de manier van annoteren en een verantwoording voor sommige gemaakte keuzes had ook een grotere overtuigingskracht kunnen verlenen aan het werk. Nu is het bijvoorbeeld onduidelijk waarom de auteur ervoor heeft gekozen om Engelse tekstfragmenten in Nederlandse vertaling op te nemen, terwijl andere fragmenten in het zestiende-eeuws Frans onvertaald zijn gebleven. Deze bronfragmenten zorgen er samen met Lampo’s kleurrijke beschrijvingen wel voor dat de Gouden Eeuw van Antwerpen concreet en nabij wordt voor de lezer.

Dit boek wordt zonder twijfel een vaste waarde in de boekenkast van alle Sinjoren met een voorliefde voor de geschiedenis van hun stad. Wie ook aan hun trekken komen, zijn niet-Antwerpenaren die een overzicht willen krijgen van de belangrijke gebeurtenissen die de overgang van de middeleeuwen naar de vroegmoderne tijd in de Nederlanden kleurden en dit zowel op economisch, cultureel als politiek vlak. Wetenschappelijke onderzoekers zullen zich wellicht eerder richten op de vele beschikbare studies die over de opgang en de val van Antwerpen zijn geschreven en waarvan het merendeel in de bibliografie van dit boek is opgenomen.