Dit is een nuttig boek, dat het emancipatiebeleid van de landelijke overheid als onderwerp heeft. Er bestonden al overzichten van het emancipatiebeleid, van Prins (1989) – niet vermeld in de literatuurlijst – en Keuzenkamp en Teunissen (1990). Daarnaast wordt het emancipatiebeleid in literatuur over de vrouwenbeweging vaak ‘meegenomen’. Maar anno 2018 bestaat er behoefte aan een recent, omvattend overzicht. En dat is er nu.

Van privéprobleem tot overheidszorg kent een chronologische opbouw en begint met een historisch overzicht vanaf de eerste feministische golf eind negentiende eeuw tot aan de start van het emancipatiebeleid in 1974, ten tijde van de tweede feministische golf. Deze geschiedenis overziende kun je concluderen dat er steeds overheidsbemoeienis met de vrouwenzaak is geweest, alleen was het niet emancipatorisch gericht. Integendeel: de landelijke overheid was vasthoudend in haar pogingen om de betaalde arbeid van aanvankelijk ook ongetrouwde en later gehuwde vrouwen te beperken en zelfs te verbieden. Pas in 1955 kwam daaraan een einde via de motie-Tendeloo, die korte metten maakte met het verbod op arbeid van gehuwde ambtenaressen. Vanaf de jaren zestig verschenen er aarzelend voorboden van het latere emancipatiebeleid, met onder meer een rapport van de Sociaal Economische Raad in 1966, dat, onder voorwaarden, stimulering van betaalde arbeid van gehuwde vrouwen bepleitte.

Een rode draad in het boek is het inzicht dat het emancipatiebeleid vooral van buitenaf tot stand is gekomen en geen vanzelfsprekend onderdeel uitmaakte van het regeringsbeleid. Het Internationaal Jaar van de Vrouw in 1975 was een belangrijke drijfveer voor het kabinet-Den Uyl om goed voor de dag te komen. Bovendien vormde de briefkaartenactie van de Aktiegroep Man Vrouw Maatschappij van 1973, waarin om een landelijk emancipatiebeleid werd gevraagd, een stimulans. Maar ook in latere jaren moesten de voorstanders van een emancipatiebeleid toch nog voortdurend op de deur kloppen van de ministeries en het emancipatiebordje omhooghouden. Tot die voorstanders hoorden de feministische beweging, die overigens nogal eens kritisch stond ten opzichte van het emancipatiebeleid, en ook diverse staatssecretarissen en een enkele minister van emancipatiebeleid. In de jaren zeventig heette het facetbeleid; vanaf de jaren negentig met een deftig woord gendermainstreaming. Maar in beide gevallen ging het om pogingen het emancipatiebeleid integraal deel te laten uitmaken van het kabinetsbeleid en in beide gevallen was dit een moeizaam proces.

Zoals hierboven bleek, willen externe factoren nog weleens helpen. Van invloed waren de drie Europese richtlijnen uit de late jaren zeventig op het gebied van gelijk loon, gelijke behandeling op de arbeidsmarkt en gelijke behandeling in de sociale zekerheid. In de jaren tachtig kwam het, niet zonder slag of stoot, tot uitvoering. Vooral de implementatie van de derde richtlijn, over de sociale zekerheid, ging moeizaam.

De structuur en initiatieven op emancipatieterrein vanaf het begin tot heden worden in Van privéprobleem tot overheidszorg helder en leesbaar uiteengezet. Terecht plaatsen de auteurs kritische kanttekeningen bij wat er bereikt is. Er is sprake van een discrepantie tussen de veelheid aan initiatieven en de soms magere resultaten. Een voorbeeld is het Beleidsplan Emancipatie van 1985 van de hand van de toenmalige staatssecretaris van Emancipatiezaken Annelien Kappeyne van de Coppello, dat alom op goedkeuring kon rekenen, ook van de Tweede en Eerste Kamer. Dit signaleerde de machtsongelijkheid tussen de seksen in samenleving en privésfeer. Er stonden ambitieuze voornemens in op het terrein van de herverdeling van de betaalde en onbetaalde arbeid over de seksen, maar die kregen nauwelijks een vervolg. Dat is deels omdat de diverse kabinetten niet met voldoende maatregelen kwamen om de plannen daadwerkelijk te realiseren, ondanks een veelheid aan commissies en initiatieven. Maar het heeft ook te maken met de samenleving als geheel. Zoals de auteurs aan het eind van hun boek constateren, vermogen beleidsinitiatieven niet zoveel als de maatschappij er niet rijp voor is. De Nederlandse kostwinnersmaatschappij is geëvolueerd naar een anderhalfverdienerssamenleving. De strijd tegen de kleine deeltijdbanen voor vrouwen, vooral bij de lager betaalde banen, gaat echter moeizaam, ondanks het gebrek aan economische zelfstandigheid dat er mee samenhangt. Er is discussie over de vraag waaraan dat precies ligt, of die vrouwen niet willen of dat de huiselijkheidstraditie van Nederland de oorzaak is. In de hogere sectoren komen grotere banen voor vrouwen, al dan niet in deeltijd, wel steeds meer voor.

Toch is er het een en ander aan wet- en regelgeving tot stand gekomen. Sinds 1984 bestaat een abortuswet, waarover geen van de strijdende partijen geheel tevreden is, maar die vrouwen die dat wensen in staat stelt legaal een abortus te krijgen. Sinds 1991 is verkrachting binnen het huwelijk en vergelijkbare relaties strafbaar. In november 2015 ratificeerde Nederland het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van geweld tegen vrouwen en meisjes en tegen huiselijk geweld. Belangrijk was ook de aanname van de Algemene Wet Gelijke Behandeling in maart 1994, die onder meer discriminatie verbiedt op grond van sekse, seksuele geaardheid en ras. In het wetenschappelijk onderwijs hebben stimuleringsmaatregelen vanuit de overheid ertoe geleid dat vrouwelijke onderzoekers en vrouwelijke hoogleraren werden aangesteld. En de overheid heeft aanzetten gegeven om meer vrouwelijke hoge ambtenaren en meer vrouwelijke topfunctionarissen in het bedrijfsleven aan te stellen. De emancipatie van zwarte en migrantenvrouwen en van LHBT’ers is van overheidswege bevorderd. Of dergelijke maatregelen voldoende zoden aan de dijk zetten is de vraag. Zo is er momenteel veel kritiek op de in vergelijking met het buitenland gebrekkige doorstroming van vrouwen naar de top van het bedrijfsleven. Er wordt steeds meer gesproken over de noodzaak van een quotumregeling, ook al is die evenmin onomstreden.

De auteurs staan kritisch ten opzichte van kabinetten met een sterke inbreng van de confessionele partijen. Inderdaad waren deze partijen geen voortrekkers op emancipatiegebied. Niettemin was de eerste staatssecretaris van emancipatiezaken, Jeltien Kraaijeveld-Wouters (1977-1981), van confessionele huize en waren deskundigen op dit terrein ‘niet ontevreden’ (86) over haar. Ze subsidieerde initiatieven op het gebied van scholing en voorlichting en wist daarmee ook de meer traditionele sectoren in ons land over de streep te trekken. Daarentegen richtte de emancipatiegezinde minister Ad Melkert (PvdA), in het eerste kabinet-Kok (1994-1998) – zonder confessionelen – schade aan met de veranderingen die hij doorvoerde in de bestaande ambtelijke emancipatiestructuur. Hij vond die structuur verkokerd en te weinig open staan voor vernieuwingen. Maar volgens ingewijden functioneerden de diverse gremia tot dan toe adequaat en kwam er te weinig goeds voor in de plaats. Op buitenlands terrein deed Melkert het beter, met onder meer een positieve rol bij de Wereldvrouwenconferentie in Beijing van 1995.

De auteurs concluderen dat de emancipatie traag gaat, ondanks de spectaculaire vooruitgang op onderwijsgebied en het flink toegenomen aantal gehuwde vrouwen met een (vaak kleine) baan. Het valt niet makkelijk uit te maken of deze conclusie terecht is. Zolang is het nog niet geleden dat de tweede feministische golf begon en in haar kielzog het emancipatiebeleid in de jaren zeventig. Veranderingen hebben tijd nodig om uit te kristalliseren in de maatschappij.

Deze uitgave is een aanwinst voor de geschiedschrijving van feminisme en emancipatie. Alleen jammer dat dit werk niet gewoon in de boekhandel in te zien is. Je moet het apart bestellen. Het boek ziet er aantrekkelijk uit, met leuke foto’s en aparte kaders met aanvullende informatie. De eindredactie had beter nog een keer over de tekst kunnen gaan, gezien het forse aantal drukfouten.