In 1961 hield Pieter Geyl (1887-1966) een spraakmakende rede bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. ‘Huizinga als aanklager van zijn tijd’ luidde de titel ervan. Volgens Geyl deugde er weinig van Huizinga’s cultuurkritiek zoals hij die had verwoord in zijn In de schaduwen van morgen (1935) en Geschonden wereld (1945). Geyls kritiek kwam erop neer dat Huizinga zijn eigen tijd niet goed verstond, te defaitistisch dacht over de toekomst van de westerse beschaving en, nog een schepje er bovenop, in zijn visie op cultuur te elitair was. Hoewel Henri Baudet, de Groningse hoogleraar en leerling van Huizinga, Geyl daarna fel van repliek diende, mocht het niet baten. Het beeld was neergezet: Huizinga was een conservatieve, zo niet elitaire cultuurpessimist. In 1967 deed W.F. Hermans nog eens een duit in het zakje met zijn essay ‘Kan de tijd tekens geven?’ Daarin verwijt de schrijver Huizinga een geheel verkeerde visie op de rol van technologie in de moderne samenleving te hebben. Tot overmaat van ramp stelde Hermans de cultuurkritiek van Huizinga op een lijn met die van de Leidse filosoof Bolland.

Deze beide critici van Huizinga komen aan bod in Carla du Pree’s Johan Huizinga en de bezeten wereld. Daarin staat Huizinga’s optreden als publieke intellectueel in het interbellum centraal. Meer dan auteurs voor haar hadden gedaan, wil Du Pree laten zien op welk speelveld Huizinga zich in zijn eigen tijd begaf met zijn boeken over de stand van de cultuur in het toenmalige Nederland en Europa. Anderen zijn haar voorgegaan door te schetsen hoe Huizinga zich in 1933 als Leidse rector magnificus verzette tegen het nationaalsocialisme in Academia, of hoe Huizinga’s werk deed denken aan dat van Spengler (Der Untergang des Abendlandes) en Ortega y Gasset (La rebelión de las masas). De Pree’s analyse reikt verder. Haar uitgangspunt is dat Huizinga’s cultuurkriek, opgevat als een integrale analyse van cultuur, nagenoeg in het verlengde lag van zijn manier van cultuurhistorie bedrijven. In beide genres ging Huizinga’s primaire interesse uit naar cultuur en niet zozeer naar politiek, economie of samenleving – die vertegenwoordigden in zijn cultuurgeschiedenis hooguit onderdelen van cultuur. Eigenlijk, zo stelt Du Pree, had Huizinga al in 1918 in zijn Mensch en menigte in Amerika het terrein van de cultuurkritiek betreden. In 1926 verbleef Huizinga enkele maanden in Amerika. Daaruit kwam Amerika levend en denkend voort, waarin hij nog eens zijn ambivalentie ten opzichte van de massacultuur verwoordde. Deze Amerikaanse omweg verscherpte Huizinga’s blik op Europa. Toch ligt de grootste waarde van Du Pree’s studie niet in de reconstructie hoe Huizinga cultuurcriticus werd, maar uit wat de auteur daarna laat zien: de uiteenlopende reacties in zijn eigen tijd op met name In de schaduwen van morgen. Daaruit blijkt hoezeer Huizinga door een groot deel van de vaderlandse pers werd binnengehaald als een soort profeet: ‘Professor, waar gaan we naartoe in Nederland en Europa?’

Op basis van het theoretische gedachtengoed van Stefan Collini en Pierre Bourdieu tracht Du Pree daarnaast duidelijk te maken hoe de toenmalige media en de netwerken van geleerden waartoe Huizinga nationaal en internationaal behoorde, hem vormden als gezaghebbend cultuurcriticus: hoe kwam Huizinga’s reputatie op dit vlak tot stand? Of om het academisch te zeggen: hoe Huizinga ‘te relateren aan de sociale en historische context’? Terecht verwijst de auteur wat dit betreft naar het werk van Lolle Nauta die gewezen heeft op de specifieke invloed van het Nederlandse verzuilde cultuur op de positie van intellectuelen en dat daarin – wat Du Pree helaas niet vermeldt – de dominee zo lange tijd rolmodel is geweest. De twee invloedrijkste critici van Huizinga in het interbellum waren, even afgezien van de historische vakgenoten, Menno ter Braak en Jacques de Kadt. De laatste was in die tijd een spraakmakende publicist. Juist de kernachtige formulering van Huizinga’s cultuurkritiek door de laatste is lang blijven hangen: de deftigheid in het gedrang. Bij Ter Braak lag het genuanceerder, zo laat Du Pree goed zien. Aanvankelijk richtte familielid Ter Braak zijn giftige pijlen op de studeerkamergeleerde Huizinga. Maar omdat deze in zijn cultuurkritiek de moeite had genomen uit zijn studeerkamer te komen, kon Ter Braak er nu niet om heen zijn oudoom daarvoor te prijzen. Nou ja, tot op zekere hoogte. Veel positiever over Huizinga als cultuurcriticus waren de socialisten Willem Banning en Herman Wiardi Beckman. De laatste was bij Huizinga gepromoveerd. Ondanks de vele buitenlandse vertalingen van In de schaduwen van morgen is Huizinga’s ster als cultuurcriticus nooit zo hoog gestegen als in het vooroorlogse Nederland. Daarna verbleekte die snel. In dit verband wijst Du Pree erop dat de reputatie van Ortega y Gasset als ‘invloedrijke publieke intellectueel’ toen en nu groter was dan die van Huizinga. Ortega was filosofischer dan Huizinga en daardoor minder tijdgebonden, betoogt Du Pree. Dat zou best kunnen kloppen, want het meest cultuurfilosofische boek van Huizinga, zijn veel vertaalde Homo ludens (1938), wordt nog altijd in de internationale academische wereld veel, en vaak instemmend, aangehaald.

Marjet Brolsma’s studie over Nederlandse intellectuelen en het verlangen naar een regeneratie van de Europese cultuur in vooral de periode 1914-1930, is in zeker opzicht een pendant van de studie van Carla du Pree. Ook dit is weer een handelseditie van een proefschrift. En opnieuw is cultuurkritiek het centrale thema. Alleen hebben we bij Brolsma te maken met een soort collectieve biografie, een groepsportret van een hele verzameling denkers, doeners, zoekers en duiders die de na de Eerste Wereldoorlog ontstane cultuurcrisis in Europa wilde bestrijden. Haar boek is veel rijker aan intellectuele, historische en sociale context dan het boek van Du Pree. Huizinga komen we bij Brolsma alleen tegen als criticus van Spengler. Die was, aldus Huizinga in De Gids in 1921, te veel een ondergangspessimist en in de kern een vertolker van ‘Germanenwaan’. Brolsma’s Het humanitaire moment is een gedurfdere studie dan die van Du Pree en bevat vele portretten van vooral mannen die met elkaar een soort vernieuwingsbeweging vormden. Een aantal kopstukken ervan, zoals Frederik van Eeden, had Brolsma al in een eerder werk geportretteerd.

Waar draaide het nu om in deze cultuurkritische humanitaire beweging in Nederland? En waarom verdween rond 1930 het zogeheten humanitaire moment? Voor een antwoord op de eerste vraag is het goed ons te realiseren dat in de historiografie lange tijd het beeld is vastgehouden van Nederland in het interbellum als een natie geheel in de greep van de verzuildheid en mede daardoor een in cultureel opzicht conservatief land. Bovendien een in zichzelf gekeerd land – was de Eerste Wereldoorlog niet aan ons land voorbijgegaan? Het is een grote verdienste van Brolsma’s boek dat het dit inmiddels achterhaalde beeld terzijde schuift. Ook in Nederland reageerden vele intellectuelen op de internationale crises en revoluties vanaf 1914. Hun humanitaire beweging vormde een bont gezelschap. Jan Romein betitelde in zijn magnum opus Op het breukvlak van twee eeuwen (1967) de hele beweging als ‘kleine geloven’, dat wil zeggen als een schare van goedgelovigen met sektarische trekken. Velen van hen waren in de ban geraakt van vegetarisme, veganisme, esoterie, mystiek of oosterse religie en filosofie. Religie was inderdaad wat deze humanitair idealisten verenigde, maar niet op de neerbuigende manier zoals Romein het zag. De mens stond centraal in hun religieuze opvattingen; niet dogma’s, maar het eigen geweten van het individu moest leidraad zijn voor het handelen. Eigenlijk vallen er twee bloeiperioden in de Nederlandse geschiedenis van de humanitaire beweging te onderscheiden. De ene rond 1900, toen praktische idealen (zoals geheelonthouding) en utopische experimenten (zoals kolonies) centraal stonden; de andere in de jaren 1920, toen regeneratie en bevrijding van het individu meer op de voorgrond traden, mede versterkt door een toegenomen politisering, die zich vooral uitte in betrokkenheid bij de sociaaldemocratie en het religieus-socialisme. Brolsma onderscheidt een aantal stromingen binnen de algehele humanitaire beweging: het religieus humanisme, met als een van de hoofdfiguren de kunstcriticus Just Havelaar; het religieus socialisme, met onder andere Willem Banning en de Woodbrokers; de levensfilosofen, met als een van hun centra de Internationale School voor Wijsbegeerte; ‘de bekoring van het Oosten’, van Krishnamurti tot en met Dostojewski, en ten slotte een soort humanitair idealisme, uitgedragen door uiteenlopende figuren als Frederik van Eeden, Bart de Ligt en Dirk Coster. Dit zijn direct ook de beste hoofdstukken van deze rijke studie. Dat geldt in het bijzonder voor het hoofdstuk waarin de aantrekkingskracht van Krishnamurti, Tagore en Keyserling wordt beschreven. Enkele foto’s laten goed zien hoe mensen in de vrije natuur – zeg op een landgoed als Eerde bij Ommen – bijeenkwamen om naar het vrije woord van hun gidsfiguren te luisteren. Mooi is ook de aandacht die Brolsma besteedt aan het fenomeen dat vele Nederlanders hun zondagochtend niet in gebouwen van de gevestigde kerken doorbrachten, maar hun heil zochten bij optredens van uitvoerende kunstenaars en bekende publicisten. Misschien had Brolsma dit cultuurfacet nog wat verder kunnen uitbreiden als een typisch kenmerk van Nederlandse sociabiliteit in het interbellum: samenkomsten in de veredelde huiskamer van het verenigingsgebouw. Sportbeoefening en kijken naar sport fungeerden in diezelfde tijd op een vergelijkbare manier.

Lastiger was het voor Brolsma de dalende populariteit van het humanitair idealisme in de jaren 1930 te duiden. Al in de jaren daarvoor hadden dichters als J.C. Bloem en J.J. Slauerhoff zich afgezet tegen het in hun ogen slappe, vage en surrogaat-christelijke in de ideeën van de publicisten Just Havelaar en Dirk Coster. Slechts een kleine minderheid maakte de overstap van de humanitaire beweging naar fascisme en nationaalsocialisme. Het was eerder de harde realiteit van de massale werkloosheid en oorlogsdreiging die het elan van het verlangen naar een ’nieuwe gemeenschap’ deed verdwijnen. In een uitvoerige epiloog slaat Brolsma zelfs nog een brug tussen de humanitaire beweging van voor de oorlog en de oprichting van PvdA en het Humanistisch Verbond direct na de Tweede Wereldoorlog.

Beide studies zijn helder geschreven en vullen elkaar op een onvermoede manier aan. Ze vormen een welkome bijdrage aan de verdieping van ons inzicht in een tijd waarin Nederlandse intellectuelen (inclusief de grote Huizinga) zich geestdriftig wierpen op cultuurkritiek. Dat leidde tot – om nog eens de treffende titel van een artikel van Piet de Rooy over humanitair idealisme en socialisme aan te halen – ‘een hevig gewarrel’. Du Pree en Brolsma verdienen lof voor de wijze waarop zij hun lezers door dit gewarrel loodsen.