Afgezien van een tachtig pagina’s tellend boekje Les églises wallonnes des Pays-Bas uit 1963 dateren de meeste studies over de Waalse Kerk van honderd of meer jaren geleden. Wel is er recent het een en ander geschreven over de komst van de Hugenoten naar Nederland en over afzonderlijke Waalse gemeenten en hun activiteiten. Dit boek past in die traditie, omdat het gaat over de Waalse gemeente van Amsterdam, die sinds 1586 gehuisvest is aan het Walenpleintje in de binnenstad.

De auteur beoogt twee dingen: de geschiedenis schrijven van het gebouw én die van de Waalse gemeente. Omdat het gebouw ouder is dan de gemeente beschrijft Van Bennekom in de eerste drie hoofdstukken de geschiedenis van het Paulusbroederklooster, waarvan de bouw in 1409 werd begonnen. Het Sint-Paulusbroederklooster was een lekenklooster, dat wil zeggen dat het klooster geen gewijde monniken herbergde maar burgers die een kloosterlijk bestaan leidden. Het oorspronkelijke klooster uit 1409 ging tijdens de grote stadsbrand van 1452 in vlammen op, waarna in 1493 een nieuw gebouw verscheen. Maar ook daarvan is tegenwoordig weinig meer over. In de loop der eeuwen hebben er ingrijpende verbouwingen plaatsgevonden: het pand is vergroot, er is aangebouwd en er is drastisch gerenoveerd: alleen de plaats is nog dezelfde.

De geschiedenis van het klooster en de Paulusbroeders is ingebed in een uitgebreide beschrijving van eerst de hervormingsbewegingen in de Rooms-Katholieke kerk zelf en later de protestantse hervormingsbewegingen, met bijzondere aandacht voor wat die voor Amsterdam hebben betekend.

In het vierde hoofdstuk komen de ‘Walen’ aan bod, de Franstalige inwoners van de Zuidelijke Nederlanden, die tussen 1560 en 1619 hun heil zochten in Amsterdam. Deze vluchtelingenstroom staat bekend als de ‘eerste refuge’. Nadat in 1579 het klooster door de Paulusbroeders was overgedragen aan de stad, schonk die het zeven jaar later aan de intussen gestichte Waalse gemeente van Amsterdam.

Voor het overgrote deel bestond deze nieuwe gemeente uit orthodoxe calvinisten die in de godsdiensttwisten van de zeventiende eeuw – de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten – de kant van de contraremonstranten kozen. In de late zeventiende eeuw volgde de tweede refuge: de protestanten uit Frankrijk die hun land vanwege hun godsdienst ontvluchtten. Van Bennekom gaat uitgebreid in op de culturele betekenis van deze immigranten. Zij hebben een grote invloed uitgeoefend op de Amsterdamse bouwkunst en zijn er verantwoordelijk voor dat Amsterdam zich ontwikkelde tot een wereldleider in de boekenmarkt.

Chronologisch werkt de auteur de geschiedenis van de Waalse gemeente verder af, met af en toe een uitstapje naar de geschiedenis van het gebouw aan het Walenpleintje. Via de Verlichting in de achttiende eeuw – waar deze kerkgemeenschap niets van wilde weten – naar het verval, dat inzette in het begin van die eeuw. Toen werd de Waalse Kerk een kerk voor de elite. De gewone man of vrouw sprak immers geen Frans meer. Dit betekende dat het een deftige kerk werd, in sociaal opzicht behoudend, die goede banden onderhield met het Huis van Oranje. Na de Franse tijd (1795-1813) waarin de Waalse kerk zich gemakkelijk aan de steeds wisselende omstandigheden wist aan te passen, was er een klein oproer toen rond 1860 twee jonge, vooraanstaande predikanten de kerk verlieten: Conrad Busken Huet en Allard Pierson. Onder invloed van de moderne theologie braken zij met het geloof en namen afscheid van de kerk. Strikt genomen heeft dat met de Waalse kerk in Amsterdam niets te maken – Huet stond in Haarlem en Pierson in Rotterdam – maar het hoort er volgens de auteur bij vanwege de grote invloed die de opwinding over hun vertrek had op de Waalse Kerk in Nederland in het algemeen. Bovendien markeert dit de omslag van een kerk die in de loop der jaren steeds kleiner zou worden. In de laatste hoofdstukken wordt de Waalse Kerk van Amsterdam in de twintigste eeuw beschreven, waarin de weinig heldhaftige opstelling tijdens de Tweede Wereldoorlog relatief veel aandacht krijgt. Hierna ging het snel bergafwaarts met het aantal lidmaten – het Frans was voor de meesten een steeds grotere belemmering – totdat er, in de woorden van Van Bennekom, een ‘vrijwel onzichtbare kudde’ overbleef. Tegenwoordig is de kerk vooral bekend vanwege haar prachtige akoestiek, waardoor muziekliefhebbers er kunnen genieten van orgelconcerten.

De opzet van de auteur is om de geschiedenis van het gebouw en de gemeente te verbinden met de grote culturele en kerkhistorische ontwikkelingen van de afgelopen zeshonderd jaar. Daardoor is deze geschiedenis van de Waalse Kerk in Amsterdam meer dan een lokale aangelegenheid en geeft ze ook inzicht in de ontwikkeling van de Waalse Kerk in Nederland. Het nadeel is dat het boek daardoor iets wijdlopigs krijgt en er vaak omstandig stil wordt gestaan bij zaken die voor het verhaal minder relevant zijn. Ook schuwt Van Bennekom de anekdote niet als hij bekende predikanten en leden van de Waalse Kerk in Amsterdam portretteert. Daar zitten onderhoudende verhalen tussen. Het mooiste is wel een voorval uit 1754, toen een Franse bakkersknecht met een geweer vanuit het midden van de kerk op de biddende predikant schoot. Hoewel het maar een schampschot was, stortte de dominee van de preekstoel naar beneden en werd hij voor dood weggedragen. De predikant had geweigerd de knecht behulpzaam te zijn bij zijn poging om een meisje boven zijn stand te trouwen. Dit was volgens de auteur tekenend voor het sociaal conservatisme dat de Waalse kerk in de achttiende eeuw steeds meer ging beheersen.

Hoe onderhoudend zulke anekdotes ook zijn, zij zijn er samen met de cultuur- en kerkhistorische uitweidingen verantwoordelijk voor dat het boek iets rommeligs heeft gekregen. Het had wel wat meer structuur kunnen gebruiken. Het is overigens prachtig uitgegeven, met veel illustraties in kleur. Ook van het incident van de schietende bakkersknecht is een mooie gravure opgenomen.