Laat de namen vallen van Aletta Jacobs, Henriette Roland Holst en Wilhelmina Drucker en vrijwel elke historicus weet over wie je het hebt: over de drie meest bekende feministen uit de Nederlandse geschiedenis. De West-Friese socialiste en feministe Trien de Haan (1891-1986) roept minder herkenning op. Daarom is het prijzenswaardig dat historicus-publicist Bart Lankester de pen heeft opgenomen en onder de titel Kom vrouwen, aangepakt! een goed gedocumenteerde biografie heeft geschreven over deze bijzondere boerendochter.

Trien de Haan was een strijdvaardige en vastberaden vrouw. Ze was ook de oudtante van haar biograaf, wat Lankester natuurlijk voordelen heeft opgeleverd in zijn zoektocht naar bronnen en getuigen, maar hetgeen ook tot verminderde objectiviteit had kunnen leiden. In deze laatste valkuil is de auteur gelukkig niet getrapt. Van persoonsverheerlijking geen spoor in deze biografie. Wel van nuchter brongebruik. In het nawoord noemt Bart Lankester zichzelf bescheiden ‘een debuterend biograaf’ die met de levensbeschrijving van ‘een onbekende hoofdpersoon’ nu een literair podium krijgt. Dit podium blijkt gelukkig volkomen terecht.

Lankesters literaire aanpak heeft wel als nadeel dat de auteur meteen het leven van Trien de Haan induikt, zonder zijn subject, het belang van haar optreden en de historiografische traditie van het socialisme en feminisme te duiden. Een inleiding met historiografie had deze biografie zonder twijfel meer sturing gegeven. Lankesters levensbeschrijving van Trien de Haan past namelijk in een historiografische traditie van Nederlandse genderstudies die vooral vanaf het midden van de jaren 1980 een opmars maakte en resulteerde in diverse biografieën van vrouwelijke vrijheidsstrijders. Waaronder het proefschrift van Elsbeth Etty uit 1996, Liefdeis heel het leven: Henriette Roland Holst 1869-1952, en Mineke Bos’ Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid: Aletta Jacobs 1854-1929 uit 2005. Ook Wilhelmina Drucker kreeg, reeds in 1968, een biografie onder de titel Wilhelmina Drucker: de eerste vrije vrouw.

Terug naar die andere feministe, Trien de Haan. Ze kwam op 3 april ter wereld als dochter van een boerenknecht en diens vrouw. Ze groeide als Trijntje Zwagerman op in het arme lintdorpje Hauwert, net boven Hoorn. De regio daar stond bekend als ‘Skokkeland’, omdat de meerderheid van de bevolking zo arm was dat ze hun kachels met gedroogde koeienmest en stro (‘skokken’) stookte. In 1916 trouwde Trien met de Friese smidszoon Bart de Haan en verhuisde ze met hem naar Leeuwarden. Bart was opgegroeid in een gezin dat op papier Nederlands Hervormd was, maar in de praktijk het anarchistisch-socialisme van Ferdinand Domela Nieuwenhuis aanhing.

In 1920 waren Trien en Bart aanwezig bij een toespraak van de communist Henk Sneevliet in Leeuwarden. Deze bijeenkomst maakte Trien de Haan tot een overtuigd socialiste. In 1927, enkele jaren na hun verhuizing naar Hoorn, volgden Trien en Bart het pad van Sneevliet die er toen voor koos om de CPH te verlaten. Ze sloten zich aan bij de door Sneevliet en Henriette Roland Holst opgerichte Revolutionair Socialistische Partij (RSP). Als feministe en socialiste sprak Trien de Haan in de jaren 1930 namens de Vrouwenbond van het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS) regelmatig in zalen en op congressen over het socialisme en tegen kapitalisme en vrouwenonderdrukking. Geregeld publiceerde ze artikelen in De Baanbreker en de NAS-periodiek De Vrouwenkrant. Ook werd ze actief voor de Nieuw-Malthusiaanse Bond (NMB) – de voorloper van de in 1946 opgerichte Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) –, waarvan het kantoor in haar huis in Hoorn was gevestigd. Deze Bond pleitte onder andere voor het belang van geboortebeperking.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog was Trien de Haan betrokken bij het verzet tegen de Duitse bezetter. Ze werd echter verraden. Henk Sneevliet werd geëxecuteerd, terwijl Trien de Haan in het ‘heropvoedingskamp’ Ravensbrück terechtkwam. Ondanks de verschrikkingen die ze daar meemaakte, overleefde ze dit horrorkamp. Ze hield na de oorlog tal van lezingen over haar ervaringen in het kamp. Aan haar ervaringen hield ze een kampsyndroom over. Om hier vanaf te komen verbleef ze vanaf 1950 een tijd in een rustoord in Bennekom. Pas eind jaren vijftig werden Trien en Bart de Haan weer politiek actief. Ditmaal voor de in 1957 opgerichte Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). In Hoorn werd ze lijstduwer van de partij, samen met haar man Bart. Maar in de jaren zestig ging het snel bergafwaarts met het niet-werkzame echtpaar, wier kinderen naar Australië waren geëmigreerd. Ze hadden te weinig geld om van rond te komen, verwaarloosden zichzelf en woonden in een vies, onverzorgd huis. Bart kreeg een ernstige ziekte en overleed in november 1967 na een mislukte operatie. Trien bleef maatschappelijk en politiek actief in de jaren zeventig, maar vooral op de achtergrond. Ze correspondeerde nog enige tijd met de CDA-politicus Willem Aantjes. Toen in 1978 bekend werd dat Aantjes lid was geweest van de SS staakte ze het schrijven onmiddellijk. Na een periode van dementie blies Trien haar laatste adem uit in de vroege ochtend van 14 februari 1986, op vierennegentigjarige leeftijd.

Een sterk punt van Lankesters biografie is dat Trien de Haan daarin écht centraal staat en als hoofdpersonage goed uit de verf komt. Verder valt Lankester niet te betrappen op historische missers. De historische achtergronden van het anarchistisch socialisme hadden wel beter uitgewerkt mogen worden. Lankester brengt niet helder in kaart hoe het ervoor stond met het socialisme, communisme en anarchisme in Friesland en West-Friesland in relatie tot de rest van Nederland. Verder is het jammer, maar dat zal te maken hebben met een gebrek aan bronnen en Triens afnemende gezondheid, dat de periode 1968-1986 er met nauwelijks vier pagina’s wat bekaaid afkomt en onterecht is weggestopt in een epiloog. Waarna de auteur besluit met een nawoord – dat is wat dubbelop. Deze kritiek neemt niet weg dat Bart Lankester er uitstekend in geslaagd is Trien de Haans activistische leven te reconstrueren. Vooral het diepgravende onderzoek heeft hiervoor het fundament gelegd: de geraadpleegde primaire en secundaire bronnen zijn talrijk en divers.