Hoe om te gaan met een buitenlandse bezetting? Nog concreter: hoe kan of moet een neutrale organisatie zich daartoe verhouden? Met die vraag werd het Nederlandse Rode Kruis tijdens en vooral ook na de meidagen van 1940 op niet mis te verstane wijze geconfronteerd. Als Nederlandse afdeling van het in 1863 opgerichte Internationale Rode Kruis stond eerstgenoemde een strikte neutraliteit voor (en doet dat nog steeds), die zonder aanzien des persoons of partij hulp verleende aan mensen in nood. Al tijdens de gevechten van mei 1940 bleek echter dat dit bepaald niet altijd gemakkelijk was.

Zoals Regina Grüter laat zien in haar indrukwekkende en doorwrochte Kwesties van leven en dood. Het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog, speelde de organisatie een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van hulpverlening aan zieke en gewonde militairen. In de praktijk waren die taken ondergeschikt gemaakt aan het Nederlandse leger: ‘Voor hulpverlening aan de burgerbevolking zou ruimte zijn, maar alleen voor zover dat de taak ten behoeve van de militairen niet in de weg stond’ (74).

Na de capitulatie van het Nederlandse leger moest het Nederlandse Rode Kruis zich positioneren ten opzichte van de Duitse bezetter. Grüter toont overtuigend aan dat de organisatie dit deed zoals de overgrote meerderheid van het Nederlandse bedrijfsleven en bevolking: het collaboreerde niet, maar paste zich ‘door mee te buigen [...] aan “de nieuwe omstandigheden [aan]”’ (460). Op de achterkant van deze vuistdikke studie heet het dat ‘het deftige Haagse hoofdbestuur tegenover de bezetter een provocatie mijdende houding aan nam’.

Dit kwam ook doordat de Duitsers aanvankelijk nog niet concreet voor ogen hadden hoe ze met het Nederlandse Rode Kruis en de doelen van de organisatie om moesten gaan. Grüter omschrijft het Duitse beleid terecht als ‘ad-hoc beleid’, en dat leidde tot verwarring, zowel bij het bestuur als bij de verschillende afdelingen van het Rode Kruis, bijvoorbeeld over het verlenen van hulp aan krijgsgevangenen. Sommige Duitse militaire bevelhebbers verboden het, anderen lieten het toe (89).

Grüter plaatst de geschiedenis van het Rode Kruis op zeer gedegen en overtuigende wijze in de historiografie van de bezetting. Daarbij volgt ze de onder historici gebruikelijke indeling in vier bezettingsfases, waarin de bezetter zich steeds radicaler opstelde. Grüter concludeert helder en zonder omhaal dat in de eerste fase – waarin de bezetter zich nog welwillend opstelde, omdat het Nederlandse volk voor het nationaal-socialisme gewonnen moest worden – de toon al was gezet: ‘Tijdens die eerste “fase van welwillendheid” trapte het [Rode Kruis] al in de Duitse val’ (459). In de loop van de Tweede Wereldoorlog raakte het NRK daardoor meer en meer moreel gecompromitteerd.

Betekende dit dat het Nederlandse Rode Kruis het Duitse bezettingsbestuur in alles gedwee volgde? Bepaald niet, zo stelt Grüter. Het probeerde zijn werk zo goed en zo kwaad als dat ging voort te zetten. De auteur kraakt een harde noot over het bestuur: ‘Gemeten in termen van menslievendheid, de basis van de Rode Kruisprincipes, heeft het bestuur ontegenzeggelijk in verschillende opzichten gefaald’ (458), al was het maar doordat, zoals Grüter uitvoerig laat zien, er geen richtlijnen waren voor het handelen in het geval van een vijandelijke bezetting.

De organisatie is door historici, vervolgden en anderen ook gebrek aan moed verweten. Grüter heeft daar begrip voor, maar wijst ook op de moeilijke omstandigheden en de moed die lokale afdelingen en individuen – vaak met gevaar voor eigen leven – tentoonspreidden. Bovendien: de Duitse bezetter was lang niet altijd tevreden over het Rode Kruis. Zo sprak SS’er Hanns Albin Rauter, die een centrale rol speelde in de vervolging van de Nederlandse Joden, over ‘politische Sauwirtschaft im niederländischen Roten Kreuz’ (129).

Grüter besteedt vanzelfsprekend uitgebreid aandacht aan de zwartste bladzijde van het Nederlandse Rode Kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog: het feit dat het niets heeft gedaan tegen de vervolging van Joden en politieke gevangenen, niet alleen in de concentratiekampen, maar ook bij de terugkeer van mensen uit de kampen, al was het NRK wat dat betreft bepaald geen uitzondering. Het voerde zelfs anti-Joodse maatregelen uit, zoals het verwijderen van Joden uit de Bloedtransfusiedienst. In de woorden van Grüter: ‘Het bestuur onderwierp zich in deze kwestie zonder meer aan de bezetter’ (299-300). Noch de Nederlandse regering in Londen noch het London Committee of the Netherland Red Cross (reeds in mei 1940 opgericht) ‘had enige belangstelling voor hulpverlening aan gedeporteerde joden’ (327). De auteur wijst er met veel gevoel voor detail op dat het bestuur elke week ‘trouw vergaderde in het hoofdkwartier op de Prinsessegracht, direct naast de Portugese synagoge’ (461). Hoewel al in 1945 klachten te horen waren over het uitblijven van enige hulp door het Nederlandse Rode Kruis aan de Joodse gemeenschap, blijft het ontnuchterend en schokkend te constateren dat het NRK zich tijdens de oorlog niet heeft ingespannen voor de groep die zijn hulp het meeste nodig had.

Grüters studie maakt eens te meer duidelijk hoe ingewikkeld het is om te gaan met een situatie waarvoor geen richtlijnen bestaan, en dat de meeste mensen en bedrijven in het geval van een vijandelijke bezetting geneigd zijn mee te buigen ten einde hun leven zo normaal mogelijk voort te zetten. Het Nederlandse Rode Kruis vormde daarop geen uitzondering, al blijft zijn geschiedenis ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, ondanks al het goede werk dat het ook heeft gedaan, voor altijd getekend door die ene schandvlek: het in de steek laten van de vervolgde Joods-Nederlandse bevolking.