Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben meer Nederlandse vrijwilligers in het Duitse leger gediend dan in de geallieerde legers; van hen die zich meldden voor de Wehrmacht, Waffen-SS en andere Duitse legeronderdelen sneuvelden er tussen de zes- en zevenduizend. Wat gebeurde er na de oorlog met de overlevenden? Velen werden geïnterneerd, sommigen geëxecuteerd en anderen verloren het Nederlanderschap. Het stemrecht werd hun ontnomen, ze mochten geen publieke functies meer vervullen en niet langer dienen in het Nederlandse leger. Niettemin vochten er zowel in Nederlands-Indië als in Korea Nederlanders die eerder in Duitse krijgsdienst waren geweest. Hoe valt dat te verklaren?

Op deze en andere vragen geeft Gerrit Valk helder en met vlotte pen antwoord, of in elk geval een vergaand onderbouwd vermoeden in het beknopte Vechten voor vijand en vaderland. SS’ers in Nederlands-Indië en Korea. Valks studie is een welkome bijdrage aan een onderwerp waarover tot heden weinig is geschreven. Dat wat wel is gepubliceerd, beperkt zich tot schromelijke overdrijvingen, zoals dat tienduizenden voormalige Nederlandse Waffen-SS’ers in deze conflicten hebben gevochten, of tot journalistieke reportages. Valk zelf houdt het voor het geval van Nederlands-Indië op tussen de zeshonderd tot duizend man (60), voor Korea ‘minimaal veertig en wellicht enkele tientallen meer van mannen met een militair oorlogsverleden in Duitse krijgsdienst’ (62). Voor het overige is onduidelijk wie er naar Indonesië en Korea gingen en waarom, al zijn daar in de beperkte bestaande literatuur wel enige verklaringen voor gegeven.

Valk, die eerder het boek ‘Pantsers stooten door, Stuka’s vallen aan’. Melchert Schuurman, een muziekleven in dienst van de NSB en de Waffen-SS publiceerde, laat zien dat de redenen waarom deze jongens in Nederlands-Indië en later Korea terechtkwamen, zeer divers waren. Valk maakt echter duidelijk dat er van actieve werving onder voormalige SS’ers en ‘andere wapendragers in Duitse dienst’ om ingezet te worden in Nederlands-Indië geen sprake was (28). Voor de oorlog in Korea (1950-1953) gold volgens Valk hetzelfde (63).

De auteur toont ook aan hoezeer de veranderende internationale omstandigheden een belangrijke rol speelden bij het al dan niet uitzenden van mannen met een verleden in vijandelijke krijgsdienst. Werd er bij vrijwilligers die zich meldden voor Korea aanvankelijk nog streng op toegezien dat zij in de ogen van tijdgenoten geen ‘fout verleden’ hadden (53), in 1951 was dat al anders: de samenleving had andere zorgen, zoals de wederopbouw, maar ook was er een nieuwe vijand die alle aandacht vergde: het communisme’ (55-56). Mannen met gevechtservaring tegen de Russen, zoals in het geval van de Nederlandse Waffen-SS’ers, waren daarbij bepaald welkom. Dit gold voor de Nederlandse samenleving als geheel: reeds aan het eind van de jaren veertig begon de angst voor Duitsland plaats te maken voor de angst voor de Sovjet-Unie.

Waarom vertrokken deze mannen naar Nederlands-Indië en Korea? De redenen lopen net zo uiteen als die waarom zij voor Duitsland ten strijde waren getrokken tegen de Sovjet-Unie. Bij een aantal van hen speelde rehabilitatie een belangrijke rol: ‘[...] het willen goedmaken van het oorlogsverleden en het op die manier vereffenen van de schuld [was] zeker een belangrijke factor,’ schrijft Valk (79). Hij trekt daarbij een enigszins zonderlinge vergelijking met een boek van Christiaan van der Spek, Sous les armes, waarin Van der Spek aantoont dat Lodewijk Napoleon vond dat jongens die op ‘het algemeen zijn’ drukten in militaire dienst moesten; dit lijkt toch bepaald een andere casus. Deze jongens moesten immers geen vreemde krijgsdienst goed maken.

Ook minder prozaïsche redenen speelden een rol bij Nederlanders die voor het Duitse leger hadden gevochten om de wapens weer op te nemen. Valk wijst erop dat ook de hang naar avontuur een factor was: ‘Het lijkt erop dat sommige voormalige Duitse wapendragers ontregeld waren in de naoorlogse burgermaatschappij en weer terugverlangden naar de spanning, het avontuur, het frontleven en de kameraadschap’ (83). Dit was overigens bepaald geen uniek Nederlands verschijnsel; te denken valt aan veel soldaten na de Eerste Wereldoorlog of, recenter, Amerikaanse soldaten die in Irak dienden: ook zij verlangden en verlangen vaak terug naar het leven aan het front. Een andere reden die Valk aandraagt was het zo mogelijk terugkrijgen van het Nederlanderschap (84).

Valk wijst erop dat Nederlanders die in Duitse krijgsdienst waren gegaan over het algemeen door hun meerderen en hun collega’s niet zo vijandig tegemoet getreden, geïsoleerd en geminacht werden als je zou verwachten. Dat lijkt er, zo impliceert Valk, bovenal mee te maken te hebben dat hun ‘gevechtservaring in de oorlogsgebieden in de archipel en in Korea goed gebruikt kon worden,’ en er ‘lijkt ook heimelijk hier en daar wel bewondering te hebben bestaan voor het feit dat zij zich eerder hadden bewezen aan het oostfront’ (111).

Vechten voor vijand en vaderland is een vlot geschreven en goed leesbare studie over een weinig bekend fenomeen. Valk gebruikt veel hypotheses die niet altijd hard te maken zijn, maar hij is zich daar terdege van bewust. Hij velt overigens geen moreel oordeel over de inzet van Nederlanders die eerder in Duitse krijgsdienst waren getreden, voor zover dat al de taak van een historicus is. Valk beschrijft zakelijk en met oog voor detail de lotgevallen van deze mannen en presenteert interessante nieuwe wetenswaardigheden. Dat het Nederlandse leger kort na de Tweede Wereldoorlog voor opleidingsdoeleinden gebruik maakte van Duitse wapens (100) was in elk geval deze recensent onbekend.