De Friese klei – bij een breder publiek mogelijk beter bekend als het Friese terpengebied – is een indrukwekkend cultureel erfgoed. Het is onderdeel van het holocene kleigebied dat zich langs de Nederlandse, Duitse en Deense waddenkust uitstrekt. Het landschap laat zich er lezen als een spannend geschiedenisboek. In de vele kronkels, bochten en meanders van drooggelegde, gekanaliseerde of anderszins bedwongen slenken, prielen en rivieren is nog de bodem van de zee zichtbaar waarop dit land ooit werd gewonnen, terwijl in de rechte lijnen van wegen, nieuw gegraven poldersloten, kanalen, straten, spoorwegen, stadsmuren, molens, stinsen en boerderijen het proces van voortdurende cultivering vorm kreeg. Deus mare, Friso litora fecit – God schiep de zee, de Fries de kust.

In dit boek heeft Philippus Breuker (emeritus hoogleraar Friese taal- en letterkunde in Leiden en Amsterdam) zich tot doel gesteld ‘een samenhangend en zo duidelijk mogelijk historisch beeld en begrip te geven van de ontwikkeling van het landschap door de eeuwen heen. Hiaten in onze kennis worden opgevuld, lijnen doorgetrokken’ (16). Dit plan brengt hij ten uitvoer in een dertiental lange hoofdstukken over onderwerpen als veldindeling, landaanwinning en -verbetering, waterbeheersing, flora en fauna van het veld, boerderijen en stinsen, schoonheidsbeleving en – geestige titel – ‘Lof en spot van land en tuin’. In een omvangrijk afsluitend besluit worden de verschillende uitgezette lijnen nog eens bij elkaar getrokken.

Het antwoord op de vraag of Breuker zijn ambitie ook overtuigend heeft verwezenlijkt, is moeilijk te geven, zeker in academische zin. Dat komt vooral doordat de tekst wat theorie en methodologie betreft nogal impliciet blijft. Een enkele keer neemt Breuker in een hoofdstuk weliswaar een paragraaf ‘stand van zaken’ op, maar erg verhelderend zijn die stukken niet. Zo bestaat een dergelijke beschouwing over het begrip ‘hemrik’ (gemeenschappelijk grondbezit (?)) (54-55) uit een bespreking van oudere literatuur die meer details losmaakt dan grote lijnen vaststelt. Ook door de plompverloren, weinig uitgelegde compositie is het boek soms ontoegankelijk en krijgt de lezer te weinig houvast.

Maar laat ik, voordat ik deze bezwaren toelicht, eerst ingaan op wat het boek wél bevat en benadrukken dat we hier met een bijzondere, met grote kennis van zaken, liefde en betrokkenheid geschreven en met zorg geïllustreerde studie van doen hebben. Breuker, een van de beste kenners van de Friese geschiedenis in Nederland, presenteert met dit werk zijn archief-, literatuur- en in dit geval ook veldonderzoek van vele jaren. Geen enkele in Friesland geïnteresseerde landschapshistoricus zal om die reden dit boek links willen laten liggen. Vooral de lange hoofdstukken over waterbeheersing, veldinrichting en het hoofdstuk over tuinen geven vele goed uitgewerkte casestudies en soms verrassende nieuwe inzichten.

Maar precies in deze rijkdom schuilt ook de zwakte van het boek. De stap van Fundgrube naar een meer generaliserend narratief wordt te weinig gemaakt. Daarvoor problematiseert Breuker zijn eigen positie ten opzichte van de bestaande literatuur onvoldoende. Hij heeft dit bezwaar misschien zelf ook gevoeld en koos de vlucht naar voren: ‘Er wordt hier gewerkt op basis van voorbeelden en niet vanuit een selecterende vooropgestelde hypothese of vanuit een enkele invalshoek. […] Zo brengen de voorbeelden hun eigen vragen mee en dat vermeerdert weer kennis en nieuwe vragen. Kennis vermeerdert zich stapsgewijs. Daardoor ontstaan langzaam nieuwe inzichten en kan met andere ogen naar het landschap worden gekeken’ (16). Deze methode blijkt in de praktijk weinig effectief. Doordat Breuker niet goed aangeeft waarom iets op een bepaalde plek wordt behandeld, komt de lezer te vaak voor – soms aangename, maar even vaak verwarrende – verrassingen te staan. Om deze reden is dit boek voor de bredere groep van niet-Friese historici en landschapshistorici vermoedelijk toch minder interessant.

Ik geef één enkel voorbeeld van Breukers werkwijze. Onder de titel ‘Boerenwelvaart’ behandelt hij in hoofdstuk 7 de economische ontwikkeling van de kleistreek. Eerder al heeft hij opgemerkt dat hij ervan ‘uitgaat’ dat in de Vroege Middeleeuwen ‘vrijwel alle land in een buurschap gemeenschappelijk gebruikt werd’ (37) en dat rond 1200 de landerijen overgingen in particulier eigendom. Vanaf dat moment werden horigen pachters. Waar Breuker dit op baseert blijft onduidelijk en het is ook jammer dat hij zijn interessante vondsten en overdenkingen over dit onderwerp niet heeft geconfronteerd met de recente literatuur. Vooral het werk van Bas van Bavel c.s. over de opkomst van de markteconomie in de Lage Landen biedt hier een relevant kader. Datzelfde geldt voor een volgende ontwikkeling waarover Breuker speculeert, namelijk de door hem waargenomen schaalverkleining en -vergroting van boerderijen in de periode tussen 1450 en 1700. Tegen een algemene trend in van schaalvergroting (dus uitbreiding van het areaal van enkele boerderijen) signaleert Breuker voor sommige dorpen schaalverkleining (voor de periode tot 1546). Ook voor deze interessante waarnemingen ontbreekt echter een overtuigende verklaring; het blijft bij enkele speculaties en veel met modale hulpwerkwoorden geformuleerde zinnen.

Al met al roept dit boek gemengde gevoelens op. Als luxe uitgegeven publieksboek sluit het aan bij de aandacht die het landschap in de laatste jaren in Nederland geniet. Het platteland is niet langer onomstreden boerenland, ook de burger voelt zich eigenaar van het landschap en in dit opzicht geeft dit boek vele prachtige aanknopingspunten. Voor historici ligt dit anders. Dit werk is een schatkist vol waardevolle casestudies en voorbeelden, maar het vergt wel enig spit- en poetswerk om die juweeltjes te ontdekken.