Dat na de Duitse inval van mei 1940 het aantal zelfdodingen in Nederland ongekend hoog was, is niet onbekend. Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser noemen deze dramatische episode in hun afzonderlijke studies. Zij besteden er echter betrekkelijk weinig aandacht aan, terwijl zij een slag slaan naar het aantal. Dit was onnodig, want het Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) schreef eind 1940 al dat het in mei van dat jaar om 371 slachtoffers ging. In 1960 publiceerde de statisticus C.S. Kruijt meer informatie hierover. Inmiddels is duidelijk dat 388 mensen in die maand door zelfdoding het leven verloren. Voor het hele jaar 1940 ging het om 1038 personen. Verder tonen de statistieken voor enkele maanden van 1942 en 1943 weer een piek, waarschijnlijk ten gevolge van anti-Joodse maatregelen en deportaties. In 1945 waren er bijna evenveel zelfdodingen als vijf jaar eerder: 1024. Hoewel in sommige memoires en publicaties mensen achter de cijfers zichtbaar worden, was hiervoor in wetenschappelijke studies tot nu toe weinig systematische aandacht. Dit was niet altijd vrijwillig: zo kregen de socioloog Wout Ultee en zijn medeonderzoekers toegang tot het archief van het CBS, maar slechts op voorwaarde dat ze de informatie anoniem hielden.

De journalist en historicus Lucas Ligtenberg laat in Mij krijgen ze niet levend de mensen achter de statistieken zien. Aan de hand van levensbeschrijvingen behandelt hij in veertien hoofdstukken min of meer thematisch de verschillende aspecten van ‘de zelfmoordepidemie’ in de meidagen van 1940. Informatie vond hij in politierapporten, gemeentelijke bevolkingsadministraties, kranten, dagboeken en afscheidsbrieven, en in een grote verscheidenheid aan historische en literaire publicaties. Hij sprak met nabestaanden en sprak zelfs met iemand wiens vader een poging had ondernomen om samen met zijn zoon te sterven. Beiden overleefden de oorlog. Ligtenberg probeert erachter te komen wat de honderden slachtoffers – zoals hij zegt niet van de oorlog maar van ‘de omstandigheden’ – bewoog deze stap te zetten. Wat was hun achtergrond, wat waren hun omstandigheden in mei 1940? Wat maakte de situatie zo uitzichtloos dat zij geen andere uitweg zagen dan een vlucht in de dood?

Ligtenberg maakt de angst en paniek zichtbaar van de ‘duizenden of tienduizenden’ die na de Duitse inval naar de kust trokken in een poging per schip naar Engeland te ontkomen. Dit lukte naar schatting vijfhonderd van hen. De anderen keerden gedesillusioneerd terug. De dag na de capitulatie vond zenuwarts Bertold Stokvis zijn wachtkamer vol mensen die hem smeekten hun vergif te geven. Hij hoorde bovendien dat die nacht honderden Joden zich van het leven hadden benomen. Uit studies blijkt dat van de 388 slachtoffers 201 Joods waren. Volgens een publicatie in het blad voor Joodse genealogie Misjpoge stierven ongeveer 700 Joden gedurende de vijf oorlogsjaren door zelfdoding. Hoeveel communisten of socialisten een einde aan hun leven maakten is onduidelijk.

Ongeveer driekwart van deze zelfdodingen was collectief: gezinnen en partners besloten samen gif – of een dodelijke dosis medicijnen – in te nemen of de gaskraan open te zetten. In enkele gevallen werd een pistool gebruikt; ophanging en verdrinking kwamen ook voor. Partners en kinderen werden soms eerst door de echtgenoot of vader gedood. De politie registreerde dit vaak als moord. Soms weigerde een gezinslid mee te doen. Zo verliet de oudste zoon van het gezin Wiener op het laatste moment het ouderlijk huis en ging naar zijn verloofde. Zij trouwden en in de Hongerwinter werd hun zoon, de latere schrijver L.H. Wiener, geboren.

Hoeveel pogingen niet slaagden is onbekend. Soms had men niet genoeg vergif ingenomen, of roken buren een gaslucht en belden de politie. Wanneer slachtoffers werden ontdekt, kwam het voor dat een of meerdere gezinsleden nog in leven waren. Die werden dan naar het ziekenhuis gebracht. Sommigen stierven, anderen werden gered. Enkelen deden daarna alsnog een geslaagde poging. Negentien personen die een poging hadden gedaan pakten hun leven weer op, maar werden later in Auschwitz, Bergen-Belsen of Sobibor vermoord.

Niet alleen in Joodse kringen grepen paniek en ontzetting om zich heen. Nederland was een toevluchtsoord geworden voor Duitsers en Oostenrijkers die voor de terreur van de Nazi’s waren gevlucht. Mogelijke bescherming door de Nederlandse neutraliteit was door de inval verdwenen en de vlucht van koningin Wilhelmina sloeg alle hoop de bodem in. De geruchtenmachine over de opmars van de Duitse troepen en de gevechten zelf zorgden voor chaos, angst, paniek, ontreddering en onzekerheid – óf voor sommigen juist de zekerheid dat alles verloren was. Behalve Joodse vluchtelingen wisten immers ook gevluchte socialisten en communisten waartoe de Nazi’s in staat waren. Sommigen hadden in publicaties voor het nationaalsocialisme gewaarschuwd en gingen ervan uit dat zij nu vogelvrij waren. Ook de Joods-Nederlandse zakenman Louis Fles had in een pamflet tegen Hitler gewaarschuwd, al direct na de machtsovername in 1933. Na de inval zag hij geen andere mogelijkheid dan zich zelf om te brengen.

Hoewel artsen en apothekers in de statistieken van de zelfdodingen iets oververtegenwoordigd zijn, namen mensen uit alle lagen van de bevolking de stap. Bekende slachtoffers zijn de Joodse wethouder in Amsterdam Emanuel Boekman en zijn vrouw, de schrijver Menno ter Braak, de criminoloog Willem Bonger en Corrie Hermans, de zus van de schrijver Willem Frederik Hermans. Aan de hand van bestaande publicaties en biografieën gaat Ligtenberg uitgebreid op hun lotgevallen in. Onbekende slachtoffers haalt hij uit de anonimiteit. Zoals het gezin van Simon Dekker, een visser en brandstoffenhandelaar uit de buurt van Den Helder. Hij pleegde zelfmoord nadat hij zijn vrouw en twee kinderen om het leven had gebracht. Hoewel familie en buurtgenoten wisten dat hij door de Duitse inval overstuur was en had geroepen dat hij niet onder de Duitsers kon leven, waren zij volkomen verrast door zijn daad. ‘Zwaarmoedigheid door het noodlot der tijden’ zou Dekker tot zijn daad hebben gebracht.

Familieportretten, zoals een foto van het gezin Dekker, afscheidsbriefjes en andere documenten geven een aantal hoofdpersonen uit de verhalen letterlijk een gezicht. Het tweede deel van het boek is een soort naslagwerk, met de personalia van de slachtoffers en informatie over de wijze waarop zij stierven. Al met al bevat het boek honderden namen niet alleen van directe betrokkenen, maar ook van familieleden, buren en bekenden. Het aantal namen doet je als lezer soms duizelen. Bovendien is, al naar gelang de beschikbaarheid van gegevens, de informatie de ene keer beknopt en de andere keer juist zeer uitvoerig. Bij de literatuurverwijzingen wordt slechts het meest noodzakelijke vermeld: auteur en titel, maar geen paginaverwijzingen en archieven worden slechts globaal genoemd. Ondanks deze onevenwichtigheid is Mij krijgen ze niet levend toch een belangwekkend boek. Dankzij alle individuele verhalen dringt het beeld zich op van paniek en chaos na de Duitse inval, een aspect waarvoor in de historiografie van de bezettingstijd betrekkelijk weinig aandacht is. Door de systematische aandacht voor de mensen achter de cijfers blijkt tegelijkertijd dat een eenduidig antwoord op de vraag waarom mensen tot zelfdoding overgingen niet te geven is. Angst, rationele overwegingen, impulsiviteit en een zwaarmoedige geaardheid hebben daarbij allemaal een rol gespeeld. Het wachten is op een integrale studie naar zelfdoding in Nederland gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog, inclusief het laatste oorlogsjaar en de nasleep.